---
title: "Vrijstelling, uitvoer · Hof van beroep te Gent, 8 februari 2011"
description: "Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling. Hof van beroep te Gent (België), 8 februari 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-hof-van-beroep-gent-2011-02-08-26a2"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

8 februari 2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

118 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 08.02.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF VAN BEROEP TE GENT – 5bis kamer**

**Nr.2009/AR/1350**

in de zaak van :

**W. I.** NV.,

met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

**appellante,**

hebbende als raadsman mr **D. W. J.**, advocaat te …, …

tegen

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen Sint-Niklaas, wiens kantoren gevestigd zijn te 9100 SINT NIKLAAS1 Driekoningenstraat 4 bus 2,

**geïntimeerde,**

hebbende als raadsman mr **V. A. E.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1 De procedure voor het Hof

Bij verzoekschrift van 15 mei 2009 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 18 december 2008 werd uitgesproken.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 11 januari 2011, waarna het debat werd gesloten Het Hof nam vervolgens de zaak in beraad.

De geïntimeerde heeft verklaard dat het bestreden vonnis werd betekend op 15 april 2009, zonder dat hij een exemplaar van het exploot van betekening bij zijn stukken kon voegen.

Het Hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

## 2 De relevante feiten en de voorafaande procedure

De appellante Is een groothandel in uurwerken en is daarvoor geregistreerd als BTW-belastingplichtige.

Vanaf maart 2003 is de BTW-administratie een onderzoek begonnen naar de naleving door de appellante van diverse. formaliteiten en verplichtingen inzake BTW Na diverse bezoeken en controle van de boekhoudkundige stukken waarvoor diverse processen-verbaal van vaststellingen werden gemaakt, heeft de controleagent op 21 oktober 2004 het onderzoek afgesloten met zijn proces-verbaal. Daarin werden twee soorten inbreuken op de BTW-reglementering vastgesteld.

Enerzijds werd gesteld dat de appellante in het jaar 2002 in haar boekhouding de verkoop van … uurwerken niet had opgenomen. De controleagent maakte daartoe een hoeveelheidsberekening. Daarbij werd onder andere uitgegaan van de vaststelling dat de appellante in 2002 negen verkoopfacturen had uitgereikt aan de heer **P. S.**, een BTW-belastingplichtige in Duitsland, met de vermelding dat de goederen in 2001 werden afgehaald (en dus geleverd). Omdat de appellante beweerde dat die vermelding onjuist was en dus stelde dat de betreffende uurwerken (… stuks) toch in 2002 waren geleverd, heeft de Belgische Centrale Eenheid BTW zich tot haar collega's in Duitsland gericht om met betrekking tot vier van de facturen te vragen of zij konden bevestigen dat de goederen daadwerkelijk (in 2001) waren ontvangen door de Duitse afnemer en dat de verwerving correct werd aangegeven. Op 16 augustus 2004 heeft de Centrale Eenheid BTW aan het controlecentrum van Sint-Niklaas laten weten dat de Duitse belastingadministratie geantwoord had dat de vier facturen pas later, in 2002, werden opgemaakt nadat de afnemer daar had om gevraagd, maar dat de leveringen al in 2001 door hemzelf waren afgehaald. Ook werd geantwoord dat de intracommunautaire verwervingen correct werden aangegeven in de BTW-aangifte van 2001 Er werd ook verduidelijkt wanneer de Duitse afnemer de facturen heeft voldaan, deels in 2001, (groten)deels in 2002.

De controleagent berekende dat de ontbrekende omzet met betrekking tot de … uurwerken … euro bedroeg, waarop … euro BTW verschuldigd is.

Anderzijds stelt de controleagent dat voor een hele reeks facturen die gericht zijn aan buitenlandse afnemers, gevestigd binnen de EU, het bewijs ontbreekt dat de goederen daadwerkelijk naar het buitenland werden overgebracht. De facturen hebben betrekking op een omzet van … euro voor het jaar 2001 en … euro voor het jaar 2002, waarop respectievelijk voor 26.256,48 en 30 105,25 euro BTW verschuldigd is.

Op die manier werden in het proces-verbaal van 21 oktober 2004 de volgende bedragen verschuldigd verklaard :

\- … euro BTW;

\- … euro verminderde proportionele geldboete (20 %) met betrekking tot de eerste soort inbreuk;

\- … euro verminderde proportionele geldboete (10 %) met betrekking tot de tweede soort inbreuk,

\- de wettelijke interest op de BTW te rekenen vanaf 21 maart 2003.

Voor deze bedragen werd de appellante met een bericht van 25 oktober 2004 aangemaand tot betaling over te gaan binnen de acht dagen.

Bij gebrek aan betaling werd op 8 november 2004 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 21 oktober 2004, vermeerderd met de moratoire interest op de verschuldigd verklaarde BTW en de geldboete.

Het dwangbevel werd op 17 november 2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 23 november 2004 aan de appellante betekend.

Daarvóór, op 11 oktober 2004, had de geïntimeerde ook al een dwangbevel uitgevaardigd waarvan hij erkent dat het dubbel gebruik uitmaakt met het dwangbevel van 8 november 2004 en dat het om die reden mag vernietigd worden.

Met een verzoekschrift van 18 februari 2005 stelde de appellante haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent waarmee ze verzet deed tegen de genoemde dwangbevelen.

In het vonnis van 18 december 2008 heeft de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de vordering van de appellante ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaard :

Vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd op 11.10.2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14.10.2004 en aan eiseres ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven dd. 27.10.2004.

Beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde te vermeerderen met de moratoriumintresten

De appellante werd veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. Het Is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De grieven, vorderingen en standpunten van de partijen

3.1 *De stelling van de appellante*

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het haar verzet tegen het dwangbevel van 8 november 2004 ontvankelijk en gegrond zou verklaren en dus het dwangbevel zou vernietigen, met verwijzing van de geïntimeerde in de kosten van het geding.

Subsidiair vordert de appellante, voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat haar boekhouding niet bewijskrachtig is, overeenkomstig artikel 728, § 2bis Ger W de destijds aangestelde accountant, de heer **H. D. C.**, te laten tussenkomen om de bewijswaarde van de boekhouding toe te lichten.

De appellante voert in eerste orde met betrekking tot de hoeveelheidsberekening voor het jaar 2002 aan dat de controleagent zich gebaseerd heeft op inlichtingen uit Duitsland zonder dat er een wettelijke basis vermeld wordt in het proces-verbaal voor die internationale samenwerking. Het zou niet volstaan om achteraf te verduidelijken dat de samenwerking zou steunen op de artikelen 5 en 19 van de verordening (EG) nr 1798/2003. Een dergelijke aanvulling van het proces-verbaal zou niet mogelijk zijn.

Er zou ook nooit een formeel verzoek tot informatie-uitwisseling zijn gedaan. De vraag zou zich ook stellen wie hier de verzoekende autoriteit was. Bij gebrek aan enige vermelding in dat verband zou niet kunnen worden nagegaan of de verzoekende autoriteit op grond van artikel 5 van de verordening een aanvraag om inlichtingen kon en mocht doen. Volgens de appellante voorziet artikel 2 van de verordening dat voor België alleen de minister van financiën het verzoek mag doen terwijl dat hier niet het geval zou zijn. Ook zou uit het proces-verbaal niet blijken of en hoe de voorgeschreven procedure werd nageleefd Het zou bovendien om een eenzijdig gevoerde procedure gaan waarbij de appellante haar standpunt niet heeft kunnen kenbaar maken, de inlichtingen zouden voor waar zijn aangenomen zonder rekening te houden met de opmerkingen en stukken van de appellante.

Het proces-verbaal van 21 oktober 2004 zou om die reden met­ toepasbaar moeten worden verklaard.

Ten gronde betwist de appellante dat de hoeveelheidscontrole juist werd berekend In het bijzonder ontkent zij dat het waar zou zijn dat … uurwerken waarvoor in 2002 een factuur werd uitgereikt, al in 2001 zouden zijn geleverd aan de heer **S.** uit Duitsland. De geïntimeerde zou zich slechts steunen op de eenzijdige verklaring van die afnemer, zonder de appellante om haar standpunt te vragen.

De verklaring van de heer **S.** zou bovendien in strijd zijn met haar boekhouding, terwijl deze nooit in vraag zou zijn gesteld. Meer bepaald zouden de facturen zijn opgemaakt in 2002 en in het uitgaand factuurboek van de appellante zijn opgenomen en in de lijsten met intracommunautaire leveringen in 2002, ook de betalingen zouden alle in 2002 hebben plaatsgevonden. De appellante zou slechts om commerciële redenen en om de klant ter wille te zijn op negen facturen die In 2002 werden opgemaakt, vermeld hebben dat de goederen in 2001 werden afgehaald.

De appellante maakt ook een mathematische berekening aan de hand van de gegevens uit haar inventarisboek voor de jaren 2001, 2002 en 2003 waarmee zij zegt aan te tonen dat de … uurwerken waarover de discussie gaat, in 2002 moeten zijn geleverd en niet in 2001. Meer bepaald zou uit de cijfers blijken dat, mocht dat aantal uurwerken in 2001 zijn geleverd, er in dat jaar meer uurwerken werden verkocht dan er voorhanden waren.

Subsidiair biedt de appellante aan dat haar toenmalige accountant toelichting zou komen geven aan het Hof.

Met betrekking tot de betwisting over de intracommunautaire verwervingen, beroept de appellante zich op een verklaring van de betrokken afnemers waarin deze zouden bevestigen dat de aangekochte goederen effectief werden geleverd op de plaats van de facturatie.

3.2 *De stelling van de geïntimeerde*

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis, met dien verstande dat hij zich naar de wijsheid gedraagt met betrekking tot … euro BTW en … euro boete, bedragen die in mindering zouden mogen gebracht worden op de in het bestreden dwangbevel gevorderde bedragen.

Bovendien vraagt hij de veroordeling van de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde voert aan dat de omzetverhoging op basis van een hoeveelheidberekening gebaseerd is op de vermeldingen op de factuur zelf, namelijk dat … uurwerken in 2001 werden afgehaald door de afnemer. De geïntimeerde laat opmerken dat de appellante kopieën van die facturen voorlegt met schrapping van die vermeldingen door middel van een zwarte stift, maar op die manier niet het nodige bewijs kan leveren. Dat de goederen in 2001 geleverd werden zou op basis van de in Duitsland ingewonnen informatie bevestigd worden, namelijk dat de afnemer de goederen in Duitsland heeft verworven in 2001 en er de BTW op die verwervingen heeft gedaan.

Wat de inlichtingen uit Duitsland betreft, stelt de geïntimeerde dat de artikelen 5 en 19 van de verordening (EG) 1798/2003 werden toegepast. Het proces-verbaal zou wel degelijk melding maken van die inlichtingen. De rechten van de verdediging van de appellante zouden niet zijn geschonden omdat ze standpunt kon innemen en het nodige tegenbewijs kon leveren vanaf kennisname van het proces-verbaal tot en met de gerechtelijke procedure.

Met betrekking tot de mathematische berekening aan de hand waarvan de appellante haar stelling wil onderbouwen, laat de geïntimeerde gelden dat zij de cijfers die zij hanteert moet verantwoorden. Ook zou blijken dat de berekening van de appellante geen sluitende hoeveelheidscontrole vormt omdat er een duidelijk verschil zou zijn tussen de verkochte en de gefactureerde stuks, die verschillen zouden in tegenspraak zijn met de inventarissen en balansen van de appellante De berekening zou dus niet overeenstemmen met de boekhouding van de appellante.

Aangaande de intracommunautaire leveringen, stelt de geïntimeerde dat de appellante, behoudens enkele uitzonderingen, niet het afdoende bewijs voorlegt dat de goederen naar de betreffende EU-lidstaat buiten België werden overgebracht. Hij overloopt daartoe een voor een de bijkomende verklaringen die de appellante voor het Hof in het debat heeft gebracht. Over het algemeen stelt de geïntimeerde dat het om een verklaring gaat die door de appellante zelf is opgesteld en slechts door een onleesbare handtekening is gedekt of dat de band tussen de vermelde persoon en de klant niet is aangetoond. In enkele gevallen roept de geïntimeerde ook in dat het gaat om afnemers waarvan in een proces-verbaal (dat als bijlage bij het proces-verbaal van 21 oktober 2004 is gevoegd) is vastgesteld dat ze niet op een correcte manier aan de hand van een (geldig) BTW-registratienummer waren geïdentificeerd.

## 4 Beoordeling

4.1. De hoeveelheidscontrole

4.1.1. Ten onrechte roept de appellante in dat de geïntimeerde zich niet zou kunnen beroepen op de informatie die hij vanwege de belastingadministratie in Duitsland bekwam.

Het proces-verbaal van 21 oktober 2004 maakt uitdrukkelijk melding van het feit dat de controleagent in Duitsland inlichtingen heeft ingewonnen en wat de Duitse administratie heeft bevestigd. Dat het proces-verbaal geen melding maakt van het feit dat dit gebeurde met toepassing van verordening (EG) 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 218/92 (PB, L 264, 15 oktober 2003), maakt het proces-verbaal niet ongeldig, noch in zijn geheel, noch wat het onderdeel waarvoor de inlichtingen gebruikt worden. Niets belet immers dat een dwangbevel en/of het proces-verbaal waarop het gebaseerd is, naderhand worden aangevuld met andere gegevens, ook bewijselementen, ter ondersteuning van wat in die documenten is gesteld (vgl. [Cass. 20 maart 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gebrek-voldoening-belasting-dwangbevel-motivering-cassatie-brussel-2008-03-20-03c4), rolnr F07 0016.N, www cassonline be).

De appellante beroept zich ten onrechte op een schending van haar rechten van verdediging. Door kennis te krijgen van het proces-verbaal van 21 oktober 2004 heeft ze immers vernomen dat de controleagent zich baseerde op inlichtingen uit Duitsland, wat haar de mogelijkheid heeft geboden (en waarvan ze gebruik gemaakt heeft) om navraag te doen naar de wettelijkheid en meer concrete omstandigheden van die informatiewerving. Zoals de eerste rechter heeft aangenomen, heeft de gerechtelijke procedure zelfs nog de gelegenheid geboden aan de appellante om in dat verband haar rechten van de verdediging uit te putten. De geïntimeerde heeft trouwens op die manier verduidelijkt dat de informatiewerving gesteund is op verordening (EG) 1798/2003 en heeft de stukken voorgelegd waaruit blijkt op welke manier de inlichtingenaanvraag is gedaan, samen met het antwoord van de Duitse Administratie.

Uit de voorgelegde stukken blijkt afdoende dat het verzoek tot inlichtingen aan de Duitse Administratie werd gesteld door de Centrale BTW-Eenheid voor internationale administratieve samenwerking (CLO, wat staat voor Centra/Liaison Office), opgericht bij Ministerieel Besluit van 23 juli 1997 (B.S. 14 oktober 1997, p. 27013), zijnde de administratieve autoriteit binnen de Federale Overheidsdienst Financiën bedoeld in artikel 3 van de betreffende verordening en die dus bevoegd is om in dat verband op te treden namens de Minister van Financiën. Artikel 2 van het genoemde Ministerieel Besluit luidt immers als volgt :

*Het C.L.0. is belast met het praktisch beheer en de coördinatie van de internationale uitwisseling van inlichtingen op het vlak van de heffing en van de invordering van de BTW.*

*Het wordt inzonderheid belast met :*

*-* *het bevestigen van de geldigheid van een aan een bepaald persoon in een andere lidstaat van de Europese Unie toegekend BTW­identificatienummer, op verzoek van personen die betrokken zijn bij intracommunautaire handelingen, in uitvoering van artikel 6, paragraaf 4, van verordening (EEG) nr. 218/92.*

*-* *het praktische beheer van de uitwisseling van inlichtingen, hetzij spontaan, automatisch of op verzoek, zoals voorzien in de Europese reglementeringen en in de internationale overeenkomsten, inzake administratieve samenwerking op het vlak van de heffing of van de invordering van de BTW met uitsluiting van de gegevensuitwisseling zoals bedoeld in artikel 4 en artikel 6, paragrafen 2 en 3, van verordening (EEG) nr. 218/92*.

De geïntimeerde legt het stuk voor waarmee het verzoek werd gedaan, zijnde volgens het standaardformulier waarvan sprake in artikel 6 van de verordening (EG) 1798/2003.

Op die manier toont de geïntimeerde op afdoende wijze aan hoe de procedure werd gevoerd.

Dit middel is ongegrond.

4.1.2 Ten gronde heeft de controleagent zich niet zomaar gesteund op eenzijdige inlichtingen van de Duitse belastingadministratie. Ten eerste is de stelling dat … uurwerken die aan de heer **S.** gefactureerd werden in 2002, al in 2001 werden geleverd afgeleid uit de door de appellante zelf opgestelde facturen. Op die facturen stond immers letterlijk vermeld dat de goederen al in 2001 waren afgehaald, met vermelding van de maand van afhaling.

De inlichtingen van de Duitse belastingadministratie hebben die vermelding slechts bevestigd. Het onderzoek in Duitsland beperkt zich er trouwens niet toe om te bevestigen dat die vermelding ook op de facturen staat die aan de klant werden overgemaakt en de verklaring van klant **S.** te noteren. Daarnaast werd ook vastgesteld dat de BTW met betrekking tot die leveringen al in 2001 in de BTW-aangiften werd opgenomen en een deel van die leveringen al in 2001 werd betaald. Die laatste twee feitelijke gegevens sluiten uit dat zowel de facturatie als de levering van de betreffende goederen pas in 2002 zou hebben plaatsgevonden. Vermits niet betwist wordt dat de facturen van 2002 dateren, kan de heer **S.** slechts over de gegevens om tot BTW-aangifte en tot betaling in 2001 over te gaan beschikt hebben wanneer de goederen al geleverd waren (waardoor de prijs en dus de maatstaf van heffing al gekend was).

Verder ziet het Hof geen enkele fout in de hoeveelheidscontrole die de controleagent op de pagina's 3 en 4 van het proces-verbaal van 21 oktober 2004 heeft gemaakt. Het uitgangspunt is wat de beweging is van de voorraad tussen 31 december 2001 en 31 december 2002. De geïntimeerde aanvaardt hierbij de inventarisgegevens van de appellante en de appellante betwist dan ook niet dat er in 2002 volgens die voorraadbeweging … uurwerken het bedrijf van de appellante moeten hebben verlaten door middel van leveringen aan klanten. Om na te gaan of de appellante op al die verkopen haar BTW­verplichtingen is nagekomen, kan dat aantal vergeleken worden met het aantal gefactureerde uurwerken. Het valt al meteen op dat er iets niet klopt in de facturatie vermits in 2002 minder uurwerken gefactureerd zijn dan …, namelijk …. Zoals de controleagent terecht heeft gedaan, moeten de uurwerken die in 2003 gefactureerd zijn, maar in 2002 zijn geleverd, bij het cijfer van … worden opgeteld, zijnde … stuks die in 2002 werden geleverd (waarover geen betwisting bestaat), maar moeten ook de … stuks die al in 2001 werden geleverd en in 2002 werden gefactureerd worden afgetrokken (zie hoger). Op die manier kwam de controleagent terecht tot de vaststelling dat (… - (… + … - …) =) … meer uurwerken in de loop van 2002 het bedrijf van de appellante hebben verlaten dan wat zij gefactureerd en dus aan de BTW onderworpen heeft.

De appellante tracht vergeefs de benadering van de geïntimeerde te ondergraven door te beweren dat ze onmogelijk is, meer bepaald omdat de cijfers uit haar boekhouding niet zouden toelaten om … uurwerken extra aan 2001 toe te voegen als goederen die haar bedrijf verlaten hebben. De geïntimeerde laat in dat verband terecht opmerken dat ten eerste uit de eigen cijfers die de appellante vermeldt al zou moeten afgeleid worden dat haar boekhouding niet sluitend kan zijn; het aantal in 2001 gefactureerde goederen stemt immers niet overeen met het aantal dat volgens haar eigen hoeveelheidsberekening in 2001 haar bedrijf zou moeten hebben verlaten. Ten tweede toont de appellante op geen enkele manier aan dat de cijfers die ze in haar conclusie hanteert werkelijk de cijfers zijn die in haar boekhouddocumenten terug te vinden zijn, de appellante legt geen dergelijke stukken voor.

Tegen die achtergrond beroept de appellante zich er ook ten onrechte op dat de cijfers van de geïntimeerde slechts op eenzijdige informatie van de Duitse belastingadministratie zouden steunen. Daarvoor kan verwezen worden naar wat onder randnummer 4.1.1 hierboven staat. Bovendien, hoewel de appellante de kans krijgt om die informatie met eigen stukken te ontkrachten, doet zij dat niet.

In die omstandigheden heeft het ook geen enkele zin om de toenmalige accountant van de appellante met toepassing van artikel 728 § 2bis Ger.W. op te roepen; een dergelijke toelichting door de accountant zou immers slechts kunnen voor zover het Hof vragen zou hebben op feiten of rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht; dat is hier niet het geval.

De grief in verband met de hoeveelheidscontrole is terecht afgewezen door de eerste rechter.

4 2 De intracommunautaire leveringen

Deze betwisting heeft betrekking op het bewijs dat door de appellante moet geleverd om te kunnen genieten van de vrijstelling van BTW voorzien in [artikel 39bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) Meer bepaald gaat het om het bewijs dat de goederen waarvoor facturen met toepassing van die vrijstelling zijn uitgereikt aan een belastingplichtige in een andere EU-lidstaat dan België, daadwerkelijk, fysisch naar die lidstaat zijn overgebracht.

De vrijstelling voor intracommunautaire goederenleveringen voorzien in artikel 39bis W.BTW gaat terug op [artikel 28quater, A, sub a, eerste alinea, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28quater), waarvan de doelstelling erin bestaat de belastingopbrengst te doen toekomen aan de lidstaat waar het eindverbruik van de geleverde goederen plaatsvindt (arresten van 27 september 2007, Teleos e a., [C-409/04](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-04-arrest), punt 36, Collée, [C-146/05](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-146-05-arrest), punt 22, Twoh International, [C-184/05](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-184-05-arrest), punt 22, en 22 april 2010, X en fiscale eenheid Facet-Facet Trading, [C-536/08](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-536-08-arrest) en [C-539/08](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-536-08-arrest), punt 30) Die regeling voorziet in een mechanisme waarbij enerzijds de levering van intracommunautair te verzenden of te vervoeren goederen door de lidstaat van aanvang van deze verzending of dit vervoer vrijgesteld is en daarenboven recht op aftrek of teruggaaf van de in deze lidstaat voldane voorbelasting bestaat, en anderzijds de intracommunautaire verwerving door de lidstaat van aankomst belast wordt.

Het Hof van Justitie heeft het begrip 'intracommunautaire levering'. In die zin uitgelegd dat de intracommunautaire levering pas wordt vrijgesteld wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over het goed aan de afnemer is overgedragen en de leverancier aantoont dat dit goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd en het goed het grondgebied van de lidstaat van levering ingevolge deze verzending of dit vervoer fysiek heeft verlaten (arresten Teleos e.a , punt 42, en Twoh International, punt 23).

Het Hof van Justitie heeft verder vastgesteld dat het sinds de afschaffing van de controle aan de grenzen tussen de lidstaten voor de belastingautoriteiten moeilijk is om te verifiëren of de goederen het grondgebied van de betrokken lidstaat al dan niet fysiek hebben verlaten. Als gevolg daarvan controleren de nationale belastingautoriteiten hoofdzakelijk aan de hand van de door de belastingplichtigen verstrekte bewijzen en verklaringen (arresten Teleos e.a., punt 44, en Twoh International, punt 24).

Aangezien geen enkele bepaling van de Zesde richtlijn in concreto bepaalt welke bewijzen de belastingplichtigen moeten leveren om m aanmerking te komen voor BTW-vrijstelling, valt deze kwestie, zoals blijkt uit de eerste zinsnede van [artikel 28quater, A, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28quater), onder de bevoegdheid van de lidstaten (arrest Collée, punt 24). Overeenkomstig deze bepaling moeten de lidstaten de voorwaarden voor vrijstelling van intracommunautaire leveringen vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van die vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, belastingontwijking en misbruik te voorkomen.

Bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten de lidstaten evenwel de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, waaronder met name het rechtszekerheids-, het evenredigheids- en het vertrouwensbeginsel, naleven (zie arresten van 18 december 1997, Molenheide e.a., [C-286/94](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-94-arrest), [C-340/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-94-arrest), [C-401/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-94-arrest) en [C-47/96](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-94-arrest), punt 48; 11 mei 2006, Federation of Technological Industries e a., [C-384/04](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-384-04-arrest), punten 29 en 30, en 21 februari 2008, Netto Supermarkt, [C-271/06](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-271-06-arrest), punt 18) Wat in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de maatregelen die de lidstaten kunnen vaststellen, overeenkomstig dit beginsel niet verder mogen gaan dan wat nodig is ter bereiking van het doel om de juiste heffing van de belasting en de voorkoming van fraude te waarborgen (zie met name arrest van 29 juli 2010, Profaktor Kulesza, Frankowski, Józwiak, Ortowski, [C-188/09](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-188-09-arrest), punt 26).

Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat om in aanmerking te komen voor vrijstelling op grond van [artikel 28quater, A, sub a, eerste alinea, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28quater), de goederenleverancier het bewijs dient te leveren dat de voor de toepassing van deze bepaling geldende voorwaarden, daaronder begrepen de door de lidstaten vastgestelde voorwaarden om een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, belastingontwijking en misbruik te voorkomen, zijn vervuld (arrest Twoh International, punt 26).

Achterliggende gedachte bij dit alles moet steeds zijn dat de bestrijding van fraude, belastingontwijking en mogelijke misbruiken een doel is dat door de Zesde BTW-richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd (arresten van 29 april 2004, Gemeente Leusden en Holin Groep, [C-487/01](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-487-01-arrest) en C-7/02, punt 76, en 21 februari 2006, Halifax e a, [C-255/02](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-255-02-arrest), punt 71).

Tegen die achtergrond zijn de vereisten gesteld in de artikelen 1 en 3, 1e lid van KB nr 52 van 29 december 1992 pertinent. Die artikelen luiden als volgt :

*Art. 1 De in* [*artikel 39bis*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) *van het Wetboek bedoelde vrijstellingen zijn afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.*

*Art. 3. De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.*

De appellante heeft pas naderhand stukken voorgebracht waarmee zij meent het nodige bewijs te leveren, zelfs pas in graad van hoger beroep.

De geïntimeerde heeft de stukken van zijn kant beoordeeld en meent dat slechts in beperkte mate het nodige bewijs geleverd is. Het Hof sluit zich alvast aan bij de stelling dat met betrekking tot de klanten Vermaas, Prime Time - B H Boers en Contimex een afdoende bewijs van vervoer van de goederen naar die klanten in de betreffende lidstaat is geleverd, zodat de vrijstelling van BTW voor de betrokken facturen moet worden toegestaan. Het betreft … euro BTW die in aftrek moet komen van wat in het dwangbevel wordt gevorderd, samen met … euro boete.

Het Hof heeft ook de andere voorgelegde stukken één voor één onderzocht. Het Hof kan slechts vaststellen dat de opmerkingen die de geïntimeerde in zijn syntheseconclusie van 4 augustus 2010 formuleert pertinent en correct zijn zodat het Hof zich daar bij aansluit en ze tot de hare maakt.

De conclusie is dan ook dat het vereiste bewijs slechts in beperkte mate wordt geleverd en wel in die zin dat het bestreden dwangbevel met … euro BTW en … euro boete moet worden verminderd. Voor het overige is de vordering op dat punt ongegrond.

## 5 De gerechtskosten

De appellante wordt voor het overgrote deel in het ongelijk gesteld en moet daarom negentien twintigsten van de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger W, vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Wanneer, zoals hier, beide partijen deels gelijk hebben, hebben ze beiden recht op een rechtsplegingsvergoeding maar ondergaan zij de toegepaste verdeelsleutel.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger W , uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan· verzoek en redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger W zich in de schijf van … tot … euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op tegenspraak,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in beperkte mate gegrond, vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar het de vordering van de appellante ontvankelijk verklaart en het dwangbevel van 11 oktober 2004 vernietigt;

doet opnieuw recht over de overige vordering;

verklaart die overige vordering van de appellante gegrond in de zin dat de bedragen die in het bestreden dwangbevel van 8 november 2004 met RCIV-nummer …, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17 november 2004, gevorderd worden, verminderd moeten worden met enerzijds … euro en … cent (… EUR) belasting over de toegevoegde waarde en met anderzijds … euro (… EUR) proportionele boete; beveelt de terugbetaling wat eventueel al teveel betaald of geïnd werd op grond van dat dwangbevel, te vermeerderen met de moratoriuminterest.

veroordeelt de appellante tot het betalen van negentien twintigsten van de gerechtskosten van de beiden aanleggen en veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van een twintigste van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de appellante :

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde :

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer bis**, recht doende in fiscale zaken, op ACHT FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ELF

Aanwezig de Heren :

**D. V.**, Raadsheer, wn voorzitter, alleenrechtsprekend

**M. V.**, griffier

**M. V.** **D. V.**

## Aangehaalde teksten

16

[Zesde richtlijn 77/388 art. 28quater](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28quater) 3 voorkomens

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 2 voorkomens

verordening 218/92 art. 6 2 voorkomens

verordening 1798/2003 art. 19 2 voorkomens

verordening 1798/2003 art. 5 2 voorkomens

verordening 1798/2003 art. 6 1 voorkomen

[C-146/05, arrest van 27 september 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-146-05-arrest) 1 voorkomen

[C-184/05, arrest van 27 september 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-184-05-arrest) 1 voorkomen

[C-188/09, arrest van 29 juli 2010](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-188-09-arrest) 1 voorkomen

[C-255/02, arrest van 21 februari 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-255-02-arrest) 1 voorkomen

[C-271/06, arrest van 21 februari 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-271-06-arrest) 1 voorkomen

[C-286/94 e.a., arrest van 18 december 1997](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-94-arrest) 1 voorkomen

[C-384/04, arrest van 11 mei 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-384-04-arrest) 1 voorkomen

[C-409/04, arrest van 27 september 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-04-arrest) 1 voorkomen

[C-487/01, arrest van 29 april 2004](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-487-01-arrest) 1 voorkomen

[C-536/08 en C-539/08, arrest van 22 april 2010](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-536-08-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Bewijs, Ontvankelijkheid van het bewijs, Regelmatigheid van het bewijs](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-ontvankelijkheid-regelmatigheid-intracommunautaire-levering-cassatie-brussel-2015-05-22-bd5e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Overbrenging van goederen naar entrepots](https://juriel.be/nl/rechtspraak/overbrenging-goederen-entrepots-leveringen-gelijkgestelde-rechtbank-bergen-2025-07-10-fb37) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, strafbepaling, administratieve geldboete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-hof-van-beroep-antwerpen-2009-12-22-01ae) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Dwangbevel inzake Btw, Visum en uitvoering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-btw-visum-uitvoering-geldigheid-hof-van-beroep-brussel-2013-04-11-1007) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstellingen, Uitvoer, Invoer, Intracommunautaire leveringen en verwervingen, internationaal vervoer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-uitvoer-invoer-intracommunautaire-leveringen-cassatie-brussel-2009-06-04-5802) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstellingen, Intracommunautaire leveringen van goederen, Vrijstellingsvoorwaarden, Bewijsmiddelen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-intracommunautaire-leveringen-goederen-cassatie-brussel-2011-10-20-6631) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, dienst, plaats van de dienst, vrijstelling, uitvoer, invoer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-plaats-vrijstelling-uitvoer-rechtbank-brussel-2011-05-03-6a12) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire handeling, intracommunautaire levering, bewijs van de intracommunautaire levering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-handeling-levering-bewijs-cassatie-brussel-2009-09-25-6b60) 2 gemeenschappelijke bepalingen
