---
title: "Vrijstelling, uitvoer · Hof van beroep te Antwerpen, 25 april 2006"
description: "Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, strafbepaling, administratieve geldboete. Hof van beroep te Antwerpen (België), 25 april 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-hof-van-beroep-antwerpen-2006-04-25-9971"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, strafbepaling, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

25 april 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

80 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 25.04.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

Zitting van : **25/4/2006**

## TUSSENARREST

In zake : **2004/AR/2685**

**BVBA JM T.**, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …, met ondernemingsnummer …, HR te Mechelen Nr. …;

**appellante,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 16 juni 2004;

vertegenwoordigd door Meester **E. D. B.** loco Meester **F. V.**, advocaat te …, …;

**de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **S. D.** loco Meester **P. S.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 16 juni 2004 door de Tweede F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 oktober 2004;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep

**1.1.** De BVBA JM **T.**, appellante, is uit hoofde van haar economische activiteit van groothandel, import en export van diverse goederen onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Zij is als dusdanig geregistreerd onder nummer BE ….

**1.2.** Op 29 augustus 2001 werd door de heer **R. I.**, eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de BTW, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit en verbonden aan het Controlecentrum Mechelen-Lier, een controle uitgevoerd over de juiste toepassing van de BTW-wetgeving ingevolge het ontstane BTW-tegoed na het indienen van de BTW-aangifte van de maand juni 2001. De controle had betrekking op de periode van 1 april 2001 tot 30 juni 2001 en werd ter plaatse uitgebreid tot 29 augustus 2001, de dag van de controle.

Aan de hand van de voorgelegde boeken en stukken welke ter inzage werden voorgelegd en van de stukken voorhanden in het BTW­dossier op het BTW-controlekantoor werd alsdan vastgesteld dat er intracommunautaire leveringen, te weten van GSM-toestellen voor een bedrag van 719.981,95 EUR (29.044.000 BEF), met vrijstelling van BTW aan de SA **S.** te Luxemburg en de Gmbh **S.** in Duitsland, zijn aangegeven waarvoor er geen afdoende en onweerlegbare bewijzen voorhanden zijn dat de ingeroepen vrijstelling krachtens [artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW­Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) rechtmatig is ingeroepen en dat er bewijzen en/of ernstige vermoedens bestaan dat de door appellante voor de maand september 2001 ingediende BTW-aangifte of de aangiften voor daaraan voorafgaande perioden, gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen. Om die reden werd beslist de uitbetaling van het belastingkrediet ten bedrage van 2.561.639 BEF, als gevolg van het indienen van de periodieke BTW-aangifte van de maand september 2001, voorlopig op te schorten krachtens [artikel 81, § 3, vijfde lid, van het Koninklijk Besluit nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art81) van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Van zijn vaststellingen stelde de heer **R. I.** op 11 december 2001 een proces-verbaal op grond van vermoedens op.

Een tweede proces-verbaal werd op 22 augustus 2002 opgesteld en aan appellante toegezonden bij aangetekende brief van 26 augustus 2002. Hierin kwam eerstaanwezend inspecteur **R. I.** tot het besluit dat er bij appellante een systeem werd toegepast erin bestaande goederen op factuur één of verschillende malen voort te verkopen met in de keten telkens één of meerdere niet­ indieners van de BTW-aangiften, hetzij niet-betalers van BTW, hetzij aan kopers over de Belgische grenzen heen waaraan ten onrechte met vrijstelling van BTW werd gefactureerd, en de goederen uiteindelijk terug aan Belgische kopers werden gefactureerd. Door het ten onrechte inroepen van vrijstelling van BTW bij de verkoop aan haar klanten en het in aftrek brengen van de BTW die haar door de leveranciers in opgaande volgorde werd gefactureerd wist appellante zich op frauduleuze wijze een BTW-voordeel te verschaffen. Door eerstaanwezend inspecteur **R. I.** werd dan ook gesteld dat verscheidene leveranciers in opgaande volgorde de door hen verschuldigde BTW niet aan de Staat hebben betaald e, dat het hier gaat om een systeem van carrouselfraude. Appellante zou bijgevolg met bedrieglijk opzet en met het oogmerk te schaden de bepalingen van het BTW-Wetboek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten hebben overtreden.

**1.3.** Op grond van het proces-verbaal van 22 augustus 2002 werd op 4 september 2002 door de heer **L. V. D. B.**, waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor te Mechelen een dwangbevel uitgevaardigd dat op 6 september 2002 door de heer **D. V.**, waarnemend eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Mechelen I, geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard.

Dit dwangbevel werd op 16 september 2002 aan appellante betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder **F. B.**, met standplaats te Mechelen. Hieruit blijkt dat volgende bedragen van appellante worden gevorderd :

\- 151.196,21 EUR als belasting over de toegevoegde waarde;

\- 302.392,42 EUR als geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW;

\- de wettelijke intresten overeenkomstig artikel 91, § 1, W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 2000 over de som van 17.179,02 EUR (693.000 BEF);

\- 0,8 % per maand vanaf 21 januari 2002 te berekenen over 151.190,00 EUR als interesten op grond van artikel 91, § 1 W.BTW;

\- de vervolgingskosten.

**1.4.** Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank, van Eerste Aanleg te Antwerpen op 11 oktober 2002 tekende appellante verzet aan tegen voormeld dwangbevel en vordert zij hierbij de vernietiging van het dwangbevel en dat dit dwangbevel van nul en generlei waarde wordt verklaard en dienvolgens de teruggave van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de datum van betaling of inhouding, alsook de kosten van het geding.

**1.5.** Het bestreden vonnis uitgesproken door de Tweede F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 16 juni 2004 oordeelt vooreerst dat het uit het uitvoerig gemotiveerd dwangbevel duidelijk blijkt wat het voorwerp en de eis van de BTW­administratie omvat alsook waarop de BELGISCHE STAAT, geïntimeerde, zich steunt teneinde zijn eis te staven.

De zeven facturen waarover de BTW wordt nagevorderd werd bij het proces-verbaal gevoegd. Ook voor appellant was dit duidelijk gelet op het gemotiveerd niet akkoord dat haar raadsman op 9 september 2002 overmaakte. Er is bijgevolg geen enkele reden om het dwangbevel nietig te verklaren. De eerste rechter stelt verder dat uit geen enkel van de door appellante voorgelegde documenten blijkt dat de goederen effectief werden vervoerd naar hun bestemmeling, zodat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 39bis, 1°, W.BTW en de leveringen niet vrijgesteld zijn van de Belgische BTW. Met betrekking tot het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, stelt de eerste rechter vast dat de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten door de onjuiste vermelding van de BTW-nummers van de afnemers belemmerd en vertraagd werd, dat er geen enkel bewijs van vervoer naar de klanten wordt voorgelegd, dat de goederen onmiddellijk aan een Belgische belastingplichtige klant werden doorverkocht, hetgeen aan appellante bekend was zodat geen bijkomende stukken in dat verband dienen te worden overgelegd, dat de gedelegeerd bestuurder van **S.** Germany en van de Luxemburgse **S.** dezelfde persoon is, hetgeen eveneens gekend is van appellante, dat de gegevens van de Duitse en van de Luxemburgse klant door elkaar worden gebruikt, dat een aantal van de leveranciers geen BTW-aangiften indienden en geen BTW afdroegen terwijl appellante deze BTW wel in aftrek bracht, en dat appellante reeds in 1997 in een BTW fraudezaak betrokken was. Hieruit besluit het bestreden vonnis dat het bewijs is geleverd van het feit dat er in hoofde van appellante het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken aanwezig was. Betreffende de omvang van de geldboete oordeelt de eerste rechter dat de fiscaal administratieve geldboetes naast een vergoedende aard ook een bestraffende en afschrikkende aard en oogmerk hebben en dat de toegepaste boete aangepast is aan de aard van de feiten. De vordering in verzet tegen het dwangbevel van appellante wordt derhalve ongegrond verklaard.

**1.6.** Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 oktober 2004.

**1.7.** In dit verzoekschrift en in de op 12 juli 2005 neergelegde syntheseconclusie voert appellante vooreerst aan dat het dwangbevel van 4 september 2002 nietig is en dat de inhoud van het proces­verbaal van 22 augustus 2002 geen voldoende draagkrachtige motivering van de vermeende BTW-vordering in het dwangbevel vormt. De door de administraties van andere lidstaten gedane vaststellingen werden meer bepaald niet aan het proces-verbaal toegevoegd, noch werd de identiteit van de niet geïdentificeerde klanten en leveranciers bekendgemaakt. Er kan dan ook geen sprake zijn van precieze en concrete vaststellingen. De bijzondere wettelijke bewijswaarde is beperkt tot de door de verbalisanten persoonlijk en binnen de perken van hun opdracht regelmatig gedane materiële vaststellingen. De bewijswaarde met betrekking tot de vaststellingen van andere administraties is dan ook beperkt tot het bestaan ervan en strekt zich niet uit tot de inhoud ervan. Dat appellante de vordering gemotiveerd betwistte en dat de facturen in kwestie aan het dwangbevel zouden zijn gehecht, kan geen afbreuk doen aan de gebrekkige motivering van het dwangbevel, dat nietig moet worden verklaard. Geïntimeerde kan zich ook niet verschuilen achter haar beroepsgeheim om zich aan haar verplichting tot motivering van het dwangbevel te onttrekken. De motivering van het dwangbevel kan ook niet worden aangevuld met nieuwe bewijselementen. Appellante stelt verder dat de vergissing in de vermelding van de BTW-nummers van de afnemers een loutere schrijffout is, waaruit niet kan worden afgeleid dat de BTW-vrijstelling ten onrechte zou zijn toegepast. Vergissingen begaan door de afnemers op hun bestelbon kan aan appellante niet ten kwade worden geduid. Dit doet immers geen afbreuk aan het feit dat deze afnemer tijdens de gecontroleerde periode voor BTW-doeleinden voldoende geïdentificeerd was. De beweringen van de Duitse administratie, die eraan twijfelt dat de goederen ooit het Belgisch grondgebied zouden hebben verlaten, kunnen niet op hun waarachtigheid worden gecontroleerd, terwijl uit niets blijkt dat de Duitse vennootschap niet zou hebben voldaan aan haar BTW-verplichtingen. De vermoedens van de Luxemburgse administratie, dat de SA **S.** Luxemburg bij een BTW­carrousel betrokken zou zijn, worden evenmin gestaafd. De klanten van deze vennootschap worden ook niet nader geïdentificeerd.

Appellante kan bijgevolg de beweringen van de Belgische BTW­administratie niet op hun juistheid controleren noch weerleggen, terwijl blijkt dat de Duitse en Luxemburgse administraties niet betwisten dat de goederen in Luxemburg en in Duitsland in ontvangst werden genomen. Appellante stelt anderzijds dat de echtheid van het vervoer van de door haar gefactureerde goederen naar Luxemburg en Duitsland op afdoende wijze bewezen wordt aan de hand van de voorgelegde bestelbons, leveringsbons ondertekend voor ontvangst van de goederen, betalingsbewijzen e.d.m., waaruit telkens blijkt op welke factuur en/of welke goederen deze betrekking hebben. Er wordt geen bewijs geleverd dat deze documenten vals zouden zijn, zodat zij ten bewijze van de echtheid van de intracommunautaire leveringen dienen te worden aanvaard. De vervoeren werden met eigen middelen uitgevoerd, zodat geen vervoersdocumenten kunnen worden voorgelegd, doch dit kan geen beletsel vormen voor de toepassing van de BTW-vrijstelling. Appellante wijst er overigens op dat de Luxemburgse en Duitse fiscale administraties de echtheid van het vervoer van de betrokken goederen niet lijken te betwisten en dat zij verklaringen bijbrengt van de gevolmachtigde boekhouders van SA **S.** en **S.** Gmbh waarin geattesteerd wordt dat de intracommunautaire leveringen in de boekhouding van hun mandatarissen zijn opgenomen en werden aangegeven als intracommunautaire verwervingen. Beide afnemers van appellante hebben derhalve in hun lidstaat hun BTW-verplichtingen nageleefd, wat door de Duitse en Luxemburgse fiscale administraties niet wordt tegengesproken en evenmin door geïntimeerde wordt betwist. Appellante, voert tenslotte aan dat een boete van tweemaal de gevorderde BTW, of 302.392,41 EUR, geenszins evenredig is wanneer slechts beweerde overtredingen van derden de oorzaak zijn van de BTW-vordering. Appellante vraagt dan ook dat de opgelegde boete van 200 % wegens schending van het evenredigheidsbeginsel kwijt te schelden, minstens te milderen. Appellante besluit derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis en de toewijzing van haar oorspronkelijke vordering.

**1.8.** Geïntimeerde preciseert zijnerzijds in zijn op 15 september 2005 neergelegde besluiten dat de administratie van oordeel is dat het hier gaat om een BTW-fraudecarrousel. Het systeem van een carrousel bestaat er in het bijzonder in goederen op factuur één of meerdere malen voort te verkopen, met in de ketting telkens één of meerdere belastingplichtigen die hun verplichtingen inzake BTW qua aangiften en betalingen niet nakomen. Het opzetten van fictieve intracommunautaire leveringen is een terugkerend fenomeen bij fraudecarrousels. Hierdoor creëert men immers ten onrechte tegoeden : men kan de BTW van de aankoop in aftrek brengen en er is zogezegd geen BTW verschuldigd op de uitgaande handeling. Het ontbreken van bewijskrachtig intracommunautair vervoer is een alarmsignaal voor de aanwezigheid van een BTW-fraudecarrousel. In casu kan appellante het intracommunautaire vervoer van de GSM-toestellen van België naar Luxemburg en Duistland niet afdoend bewijzen. Bovendien, worden de vermeende intracommunautaire leveringen richting Luxemburg en Duitsland vaak gevolgd door een "nieuwe levering" richting België. Volgende feiten zijn kenmerkend voor deze zaak :

\- leveranciers of vorige leveranciers :

\- hun economische activiteit heeft niets te maken met de verhandeling van GSM-toestellen;

\- zij komen hun BTW-verplichtingen niet na : ofwel dienen zij geen aangiftes in ofwel voldoen zij de verschuldigde BTW niet;

\- de factuurdatums volgen mekaar niet altijd op;

\- de goederen worden integraal doorgefactureerd;

\- volgende klanten :

\- zijn in België gevestigd en komen hun BTW­verplichtingen niet na;

\- de factuur voor verkoop aan België is vroeger gedateerd dan de aankoopfactuur;

\- hun economische activiteit is niet in overeenstemming met de kwestieuze handelingen.

Appellante heeft aldus een BTW-tegoed gecreëerd door de BTW bij aankoop in aftrek te brengen, en de goederen te leveren met vrijstelling. Een vorige leverancier heeft de BTW niet voldaan, en een volgende klant (vaak terug in België) heeft de BTW bij intracommunautaire verwerving niet voldaan. Geïntimeerde beaamt voor het overige de redengeving van het bestreden vonnis en besluit dan ook tot de ongegrondheid van het verzet.

## 2. Beoordeling

### 2.1. Over de regelmatigheid van het dwangbevel resp. van het hieraan gehecht proces-verbaal van vaststelling

Krachtens [artikel 85, § 1, eerste lid, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85), wordt bij gebreke aan voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, door de met de invordering belastbare ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd.

Het dwangbevel is enerzijds een taxatietitel waarbij de belastingschuld materieel geconcretiseerd wordt, en anderzijds een akte bestemd om een uitvoerbare titel te leveren voor het uitvoerend beslag (E. DIRIX en K. BROECKX, *Beslag*, in *A.P.R.*, Antwerpen, E. Story-Scientia, 1992, nr. 268, p. 147).

Bedoeld dwangbevel heeft aldus een dubbele functie : enerzijds komt de schuld vast te staan en wordt de BTW-plichtige in kennis gesteld van de verschuldigde bedragen en de reden van verschuldigdheid, en anderzijds is het een eerste daad van vervolging met het oog op de invordering van de verschuldigde bedragen welke niet spontaan werden betaald.

Het dwangbevel zelf is niet onderworpen aan substantiële vormvereisten. Niettemin wordt aangenomen dat om geldig te zijn de schuldenaar nauwkeurig wordt aangeduid, dat de identiteit, de hoedanigheid en de handtekening van degene die het uitvaardigt, erop voorkomen, en het voorwerp en de oorzaak van de eis op voldoende wijze aan de belastingplichtige de mogelijkheid geven de gegrondheid van de vordering te beoordelen.

Daarnaast is een dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde een bestuurshandeling waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (verder genoemd : Wet Motivering Bestuurshandelingen) van toepassing is (Cass., A.R. [C.03.0354.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-dwangbevel-bestuurshandeling-betaling-cassatie-brussel-2005-12-01-11ea), 1 december 2005, www.cass.be ). Krachtens artikel 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen, moet het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd. Sinds voormelde wet van 1991 dient het dwangbevel dus naast een feitelijke motivering ook duidelijk te maken op welke wetsartikelen of juridische overwegingen de Administratie van oordeel is haar vordering te kunnen staven.

Het beschikkend gedeelte van een dwangbevel inzake BTW, waarbij het voorwerp van het dwangbevel wordt aangeduid, mag evenwel niet geïsoleerd worden van zijn context, met name van de motiveringen van de bijlagen die tot dit beschikkend gedeelte hebben geleid. De facto vormt het proces-verbaal dat met het dwangbevel wordt betekend, de enige wettelijke basis van de door de Administratie ingestelde vervolgingen.

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat het op 6 september 2002 uitvoerbaar verklaard dwangbevel het bedrag van de fiscale schuld op gedetailleerde wijze vermeldt en tevens de wetsartikelen op grond waarvan geldboetes en interesten worden gevorderd. Dit dwangbevel werd op 16 september 2002 aan appellante betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder **F. B.**, met standplaats te Mechelen. Met dit dwangbevel werd een proces-verbaal opgesteld op 22.08.2002 door de heer **R. I.**, e.a. Inspecteur bij de BTW, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Mechelen­Lier, Afdeling Mechelen, mede betekend. Dit proces-verbaal bevat de vermelding van de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en reglementen en inzonderheid van [artikel 39bis, eerste lid, 1° van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) en [artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art1) van 29 december 1992, alsook van de feiten die geleid hebben tot de vaststelling van de schuld, te weten diverse leveringen van GSM-toestellen die met vrijstelling van de belasting over de toegevoerde waarde werden gefactureerd. De kwestieuze zeven facturen werden tevens in kopie bij dit proces-verbaal gevoegd. Het voorwerp en de oorzaak van de belastingschuld zijn dan ook op omstandige wijze beschreven in het dwangbevel en het daaraan gehecht proces-verbaal.

Appellante bewijst geenszins dat haar rechten van verdediging in enige mate geschaad zouden zijn geweest. Zij is in iedere stand van deze zaak, en alleszins vanaf de kennisname van het dwangbevel met aangehecht proces-verbaal, in staat geweest om de grondslag van de fiscale vordering te bepalen en om zich hierop te verweren. Het omstandig gemotiveerd niet-akkoord van 9 september 2002 bewijst ten overvloede dat appellante van in den beginne het voorwerp en de oorzaak van de fiscale vordering kende en zich hierop heeft kunnen verdedigen.

De geldigheid van een dwangbevel komt tenslotte niet in het gedrang door het enkele feit dat een proces-verbaal dat gehecht is aan dit dwangbevel, niet zelf alle feitelijke gegevens bevat die het verschuldigd zijn van de belasting aantonen, maar hiervoor verwijst naar andere stukken waaruit die gegevens blijken en die niet mee werden betekend. Geen wettelijke bepaling voorziet in de nietigheid van het, krachtens [artikel 59 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) opgemaakt proces-verbaal om de enkele reden dat bij de betekening ervan aan de belastingplichtige geen afschriften zijn gevoegd van stukken waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen (Cass., 17 september 1998, *Arr. Cass.*, 1998, 405, *Pas.*, 1998, I, 405). De Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wettelijke bepaling staan eraan in de weg dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert. Die argumenten en gegevens kunnen echter enkel worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (Cass., AR. [C.03.0354.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-dwangbevel-bestuurshandeling-betaling-cassatie-brussel-2005-12-01-11ea), 1 december 2005, www.cass.be ).

### 2.2. Ten gronde

**2.2.1.** De fiscale schuld ontstaat uit kracht van de wet, en gaat teniet op de wijze in de wet omschreven. Dit kan zijn, ofwel door betaling, ofwel door verjaring. Van verjaring is er in casu geen sprake. In onderhavige zaak wordt in het proces-verbaal van 22 augustus 2002 een fiscale schuld vastgesteld. Daarvan werd aan appellante kennisgegeven. De belastingplichtige heeft het recht, deze schuld te betwisten. Het is tevens de plicht van de administratie, de nodige maatregelen voor de invordering van deze schuld te treffen, zolang geen rechterlijke beslissing het niet-bestaan van deze schuld heeft vastgesteld. Dit gebeurt, overeenkomstig [artikel 85 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85), door het uitvaardigen van een dwangbevel.

**2.2.2.** Op grond van [artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW­Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) zijn van de belasting vrijgesteld de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan aan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen.

Krachtens [artikel 1, van het Koninklijk Besluit nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art1) van 29 december 1992 worden die vrijstellingen onder meer afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de leverancier in het bezit is van de in [artikel 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art3) van hetzelfde koninklijk besluit bedoelde stukken waaruit de echtheid van de verzending of van het vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap blijkt. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken. Krachtens artikel 2 van hetzelfde Koninklijk Besluit is de in [artikel 39bis, eerste lid, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis), van het Wetboek bedoelde vrijstelling bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet­ belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lidstaat.

Het feit dat de kopers van de door appellante gefactureerde goederen hun fiscale verplichtingen tegenover de Luxemburgse resp. Duitse fiscale administraties gebeurlijk zijn nagekomen is derhalve niet voldoende om ertoe te besluiten dat appellante van de vrijstelling voorzien in [artikel 39bis, eerste lid, 1°, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) kan genieten.

Het bewijs van het bestaan van het vervoer of de verzending vanuit België naar de andere Lidstaat moet aldus door de leverancier worden geleverd, via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken die aantonen dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. Het is echter zonder meer duidelijk dat het niet de taak van de administratie kan zijn het bewijs van het recht op vrijstelling van de BTW systematisch zelf te gaan leveren. Zij heeft dienaangaande immers vooral een controlerende taak.

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat door appellante ten bewijze van het vervoer vanuit België naar Luxemburg en Duitsland facturen, leveringsbons, betalingsbewijzen, bestellingen per telefaxbericht, berichten van ontvangst van de goederen, enz ... worden voorgelegd. Door geïntimeerde wordt evenwel tegengeworpen dat deze stukken geen samenhangend geheel uitmaken, nu hun bewijswaarde in het gedrang wordt gebracht door inlichtingen verkregen van en over de leveranciers van appellante enerzijds en informatie verkregen van buitenlandse administraties anderzijds. Uit deze inlichtingen zou o.a. moeten komen te blijken dat de goederen door de Luxemburgse en Duitse afnemers werden doorverkocht, zelfs nog vóór de facturatie door appellante, aan Belgische eindafnemers. Doordat bepaalde leveranciers van appellante zelf hun BTW-verplichtingen niet zouden zijn nagekomen en de Duitse en Luxemburgse afnemers zelf vrijgestelde uitvoeren hebben verricht met dezelfde goederen zou hierdoor op kunstmatige wijze BTW-tegoeden zijn gecreëerd. Het standpunt van geïntimeerde getoetst aan de voorliggende stukken en gegevens komt niet ongeloofwaardig voor en de in haar bezit zijnde inlichtingen zouden in voorkomend geval het bewijs kunnen inhouden van de onsamenhangendheid van de door appellante voorgelegde stukken en gegevens ten bewijze van de door haar aangevoerde intracommunautaire vervoeren en leveringen.

Het behoort dan ook aan geïntimeerde bij toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek te bevelen zowel de stukken en inlichtingen van en over de leveranciers van appellante als de vanwege de Luxemburgse en Duitse administraties bekomen informatie, voorzien van een Nederlandse vertaling, bij het dossier van de rechtspleging te voegen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk;

En alvorens nader recht te doen, beveelt aan geïntimeerde, bij toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijke Wetboek, om zowel de stukken en inlichtingen van en over de leveranciers van appellante als de vanwege de Luxemburgse en Duitse administraties bekomen informatie, voorzien van een Nederlandse vertaling, bij het dossier van de rechtspleging te voegen;

Stelt vast dat de zaak niet in staat van wijzen is en verzendt ze naar de bijzondere rol;

Houdt de beslissing omtrent de kosten aan;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **VIJFENTWINTIG APRIL TWEEDUIZENDENZES**,

waar aanwezig waren :

**R. T.**, Voorzitter;

**S. B.** en **M. V. d. B.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **M. V. D. B.** **S. B.** **R. T.**

## Aangehaalde teksten

6

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 5 voorkomens

[KB nr. 52 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 2 voorkomens

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 2 voorkomens

[KB nr. 4 art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Fiscaal misdrijf, Belastingschuld](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscaal-misdrijf-belastingschuld-recht-betwisting-cassatie-brussel-2011-03-01-2161) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Procedure, Dwangbevel, Handtekeningsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/procedure-dwangbevel-handtekeningsbevoegdheid-artikel-85-cassatie-brussel-2020-12-04-34b9) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Intracommunautaire handeling, Intracommunautaire levering van vervoermiddelen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-handeling-vervoermiddelen-bewijs-rechtbank-luik-2022-04-25-6c7e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Uitvoer, Bewijs, Geldigheid van het dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-uitvoer-omzet-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-2020-12-15-9f0f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Huisvisitatie, Domiciliefraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/huisvisitatie-domiciliefraude-visitatie-hof-van-beroep-gent-2025-02-04-030a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingschuld, Inning, Opneming in een innings- en invorderingsregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingschuld-inning-opneming-in-innings-grondwettelijk-hof-brussel-2024-11-28-0d4d) 2 gemeenschappelijke bepalingen
