Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 04.11.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vier november tweeduizend en twee in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : A.R. Nr. 01/6258/A
B.V.B.A. O. V. H.,
ingeschreven in bet register van de BTW onder het nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, ….
EISENDE PARTIJ
- verschijnende bij meester P. S., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel op vervolging en benaarstiging van de Heer Gewestelijke Directeur der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige van het Eerste BTW-Ontvangkantoor van Antwerpen, wiens burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, 1° district, Italiëlei 4·bus 4.
VERWERENDE PARTIJ
- verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder J. D. M. te … op 3 oktober 2001,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 7 oktober 2002.
Gegevens en voorgaande
Door een bevoegd ambtenaar is er in hoofde van eiseres een correctieopgave inzake BTW opgemaakt over de periode 1987 tot 1990.
Deze gedetailleerde opgave werd op 22 oktober 1992 voor goedgekeurd ondertekend door eiseres.
Op 2 september 1996 tekende eiseres desbetreffend voor afstand van het toen verlopen gedeelte van de verjaring.
Op 7 juni 2001 werd door verweerder een dwangbevel met betrekking tot de vermelde belastingschuld uitgevaardigd, steeds ten laste van eiseres.
Eiseres dagvaardde op 3 oktober 2001 in verzet tegen het dwangbevel.
Het blijkt tenslotte uit de stukken van partijen dat eiseres in 1992 onder de toenmalige wetgeving een verzoekschrift tot de directeur van de BTW had gericht met het oog op het bekomen van vrijstelling van intrest en van de verminderde boete.
Op dit verzoek blijkt negatief te zijn beslist.
Huidig verzet is gericht tegen het geheel van de BTW-vordering, behalve wat betreft het onderdeel van verwerping van onrechtmatig verrichte aftrek van voorbelasting.
Onderzoek en beoordeling
Een opwerping door verweerder tot ontoelaatbaarverklaring van de vordering ligt niet voor, en de rechtbank onderkent geen van ambtswege aan te voeren oorzaak van ontoelaatbaarheid.
Verjaring van de fiscale vordering is gelet op de tijdige stuitingsdaden niet ingetreden, ook niet onder toepassing van de wet van 15 maart 1999 en haar overgangsbepalingen.
Uit de hogerop vermelde, door eiseres indertijd onderschreven, correctieopgave blijkt de feitelijke en becijferde opbouw van sommen die bestaan uit factuurbedragen en uit de daarop berekende BTW waarvoor zij de vrijstelling voor verkoop aan zeelui had toegepast, maar waarvan het bewijs tot vrijstelling niet bleek voor te liggen.
Het is eiseres die de bewijslast draagt van het voldaan zijn van de wettelijke vereisten tot BTW-vrijstelling op de leveringen waarop in beginsel BTW verschuldigd was.
Het dwangbevel verwijst met zoveel woorden naar een daarbij gevoegd voor eensluidend verklaard afschrift van de correctieopgave van 22 oktober 1992, en is noch aangetast door nietigheid noch door onwettigheid.
Eiseres staat zwak in haar bewijsvoering van vrijstelling, waar zij zelf indertijd door de onvoorwaardelijke goedkeuring en de dito ondertekening van de correctieopgave reeds schriftelijk heeft erkend dat de BTW verschuldigd is in toepassing van de algemene heffingsregels.
Zij voert weliswaar een wilsgebrek aan door te stellen dat het akkoord toentertijd zou zijn 'afgedwongen', maar omtrent zulk 'geweld' in de zin van de artikelen 1111 en 1112 van het Burgerlijk wetboek ligt niet de minste aanwijzing voor, laat staan enig bewijs.
Zij voert geen vergissing in feite aan waardoor haar toenmalige erkenning van de becijfering van de correctie zou zijn aangetast.
Zij voert wel een vergissing in rechte aan die door haar zou zijn begaan naar aanleiding van de ondertekening, om de door haar voorgehouden reden dat de vrijstelling ten onrechte zou zijn geweigerd, nu zij stelt dat de wetsvereisten tot de toepassing van vrijstelling wel degelijk vervuld waren wegens leveringen aan zeelui, zulks onder de artikelen 39/42 Wetboek BTW.
Deze bewijslast wordt echter door haar niet ingevuld met de verklaringen die zij voorlegt onder haar overtuigingsstuk nummer 4.
In tegendeel blijkt hooguit uit die stukken dat de afnemers van de leveringen zelf Belgische BTW-belastingplichtigen waren die ze op hun beurt doorrekenden aan buitenlandse BTW-plichtigen en bovendien dat de facturen - voor zover die voorliggen·- hoe dan ook geen vermelding bevatten dat de leveringen een vrijstellingsoogmerk onder de artikelen 39/42 tot voorwerp hadden.
Nu niet bewezen is dat de wettelijke vereisten tot het bekomen van vrijstelling voldaan zijn, zijn de betrokken leveringen belastbaar met BTW, zodat het verzet van eiseres geen stand houdt.
Afzonderlijk wordt er geen betwisting opgeworpen over de toegepaste herleide boete.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige middelen verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, deze aan de zijde van beide partijen in conclusie begroot, doch door de rechtbank ambtshalve in hoofde van verweerder vereffend op … EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.
N. D. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.