Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 13.10.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 OKTOBER 2009
AR nr. 06/2333/A
In de zaak van :
NV F. B., met zetel te …, … en met ondernemingsnummer ….
eiseres,
hebben de als raad Mter J. N., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burele gevestigd te zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke directeur, directie Antwerpen, met kantoren te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4,
verweerder,
hebbende als raad Mter Ph. V., advocaat te …, …
Vonnist de rechtbank als volgt :
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het gedinginleidend de dato 3 juli 2006.
De Rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 15 september 2009 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad genomen.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … voor de activiteit van marktonderzoekbureau. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Voor de periode 2000-2002 werd door I. V., eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor Antwerpen 12, een controle uitgevoerd in de boekhouding van eiseres. De vastgestelde inbreuken en overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 28 november 2003.
Op 5 december 2003 werd op basis van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Antwerpen 2.
Voormeld dwangbevel werd op 8 december 2003 door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor Antwerpen 12 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Het dwangbevel werd aan eiseres betekend op 23 augustus 2004.
Door de toerekening op 20 april 2004 van respectievelijk de betalingen op 14 september 2004 en 4 oktober 2004 van in totaal 144.713,75 EUR, nl. 114.298,89 EUR intresten, 532,93 EUR moratoire intresten en 166,41 EUR kosten werd de kwestieuze invorderingsorden inmiddels volledig betaald.
Op 3 juli 2006 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie neer.
2.2. Eiser vraagt dat : de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, de bestreden beslissing en het bestreden dwangbevel ongegrond verklaard worden en vernietigd worden en dat de akte van inhouding de dato 5 oktober 2004 ongegrond verklaard wordt en vernietigd wordt en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
2.3. Verweerder vraagt dat : de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten begroot in hoofde van verweerder op de rechtsplegingsvergoeding ad 1.200,00 EUR.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering zouden kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zouden moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Onderhavige betwisting betreft de verwerping van de aftrek van BTW aangerekend op de facturen uitgereikt door NV F. E. en CVA A..
Verweerder stelt dat de aftrek der BTW aangerekend op de kwestieuze facturen moet verworpen worden en steunt zich daarvoor op de antwoorden die M. P., werkneemster bij het accountantskantoor BVBA A. en externe boekhoudster van eiseres, tijdens de BTW-controle van 26 november 2002 gaf en waaruit volgens verweerder dient besloten te worden dat de kwestieuze facturen volledig in verband staan met de werking van de Stille Handelsvennootschap P. en haar projecten, zodat er geen recht op aftrek is.
Eiseres laat onder meer gelden dat de uitlatingen van M. P. een foutieve weergave van de realiteit geven, dat de participatie die zij heeft in de NV P. op zich irrelevant is bij de beoordeling van de aftrekbaarheid en dat geen enkele rechtsgrond toelaat de aftrekbaarheid te verwerpen.
3.2.2. Artikel 45, § 1 W.BTW bepaalt dat de belastingplichtige het recht heeft, van de BTW, verschuldigd over de door hem verrichte leveringen en diensten, af te trekken, de BTW die hij betaalde met betrekking tot de aan hem geleverde goederen en de. door hem gedane intracommunautaire verwervingen indien hij deze goederen en diensten gebruikt voor :
- het verrichten van belaste handelingen;
- het verrichten van handelingen vrijgesteld krachtens artikelen 39 tot 42 W.BTW;
- het verrichten van handeling en in het buitenland die recht op aftrek zouden gegeven hebben indien zij in het binnenland hadden plaatsgevonden;
- het verrichten van handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10° W.BTW telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;
- het verrichten van diensten als makelaar of lasthebber bij de in het voorgaande gedachtestreepje bedoelde handelingen.
3.2.3. In casu verklaarde M. P. op 26 november 2002 aan de controlerende agent V.;
- dat eiseres nauw samenwerkt met de NV P. die gronden koop en verkoopt;
- dat de activiteiten van de NV F. B. bestond uit het zoeken van en het onderhandelen met potentiële kopers en dat daarnaast onder andere een gebouw aan de luchthaven wordt verhuurd dat eigendom is van de NV F. B.;
- dat F. E. de werkzaamheden van de secretaresse van de zaakvoerder Mr. H. factureert en dat A. de werkzaamheden van mevrouw D., die o.a. de onderhandelingen met de GOM voert en de werven opvolgt, factureert.
Uit de stukken blijkt dat eiseres voor de periode 2000-2002 maandelijks facturen heeft ontvangen van de CVA A. en van de NV F. E.. De NV F. E. rekende maandelijks 4.957,87 EUR + 1.041,15 EUR BTW aan.
Voor de CVA A. bedroeg het maandelijks gefactureerde bedrag 7.436,81 EUR + 1.561,73 EUR BTW. In totaal bracht eiseres op grond van de door CVA A. en de NV F. E. uitgereikte facturen tijdens de kwestieuze periode een bedrag van 93.703,73 EUR in aftrek.
3.2.4. De door M. P. afgelegde kwestieuze verklaringen komen de Rechtbank waarheidsgetrouw over. M. P. was tijdens de kwestieuze periode externe boekhouder van eiseres en legde in die hoedanigheid tijdens de BTW-controle de kwestieuze verklaringen af. Er kan niet ernstig betwist worden dat zij, in haar hoedanigheid van boekhouder, geen juiste kijk op de gang van zaken zou gehad hebben. De verklaringen door M. P. gegeven, zijn bovendien gedetailleerd en worden door eiseres op geen gefundeerde manier weerlegd.
Eiseres beperkt er zich toe te stellen dat de verklaringen van M. P. foutief zijn, doch bewijst dit niet.
3.2.5. De stelling van eiseres, dat de participatie in de NV·P. een loutere financiële opbrengst uit een belegging betreft, kan niet gevolgd worden. De boekhoudkundige gegevens tonen aan dat de NV P. tijdens de betrokken periode 2000-2002 verantwoordelijk was voor het overgrote deel van de bedrijfsopbrengsten van eiseres bij wijze van de kwestieuze winstdeelname V.I.D. P. (respectievelijk 75 %, 69 % en 57 % in 2000, 2001 en 2002). De vergelijking gemaakt door verweerder tussen de bedrijfsopbrengsten exclusief "winstdeelname V.I.D. P." en de bedrijfskosten voor de periode 2000-2002 bevestigt dat de opbrengst uit participatie voor eiseres in de periode 2000-2002 een noodzakelijk bedrijfsopbrengst was.
3.2.6. Het terzake geredigeerd proces-verbaal de dato 28 november 2003 geeft de feitelijke omstandigheden waaruit besloten wordt tot verwerping van het recht op aftrek en duidt de toepasselijke wetsartikelen aan.
Het proces-verbaal en het dwangbevel werden voldoende gemotiveerd nu het eisers in staat stelt het voorwerp en de vordering van de Belgische Staat te laten kennen en de gegrondheid ervan na te gaan. De motiveringsplicht werd niet geschonden.
3.2.7. Het Hof van Cassatie heeft gestatueerd dat de beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn in fiscale zaken. Het vertrouwensbeginsel kan gedefinieerd worden als een beginsel van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk elke burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Dit impliceert dat de gerechtvaardigde verwachtingen welke door de overheid bij rechtsonderhorigen zijn gewekt, moeten worden gehonoreerd, op gevaar of het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden. Het rechtszekerheidsbeginsel is evenwel geen onbeperkt recht. In functie van de concrete omstandigheden dient een afweging plaats te vinden tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel.
De vroegere houding van bepaalde geledingen van het Ministerie van Financiën kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast.
Bovendien is het duidelijk op grond van voorliggende stukken dat de BTW-administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting heeft gegeven en geen interpretatie heeft gegeven die bij eiseres het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat er een (impliciet) feitelijk akkoord was nopens de aftrek van de BTW op de facturen van NV F. E. en CVA A..
Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet geschonden.
3.2.8. In casu werd conform de bepalingen van artikel 46, § 1 W.BTW voor de jaren 2000, 2001 en 2002 een algemeen verhoudingsgetal berekend op basis van de aangegeven omzet waarop BTW werd aangerekend enerzijds en de totale omzet zijn de omzet met BTW plus de omzet die van BTW is vrijgesteld (onroerende verhuur) anderzijds zodat dientengevolge de in aftrek gebrachte BTW werd gecorrigeerd. Het algemeen verhoudingsgetal werd correct toegepast.
Verweerder heeft terecht het recht op aftrek uitgesloten daar is komen vast te staan dat de kwestieuze facturen volledig in verband staan met de werking van de Stille Handelsvennootschap P. en haar projecten.
De vordering is niet gegrond.
3.3. nopens de kosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1e lid van het Gerechtelijk Wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.
Verweerder begroot de gerechtskosten op de basisrechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 EUR daar het een niet in geld waardeerbare vordering is, wat toegekend wordt.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk, doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten in haar hoofde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 1.200,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag dertien oktober tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :
mevrouw A. H., rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. A. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.