---
title: "Vrijstelling, uitvoer · Hof van beroep te Gent, 24 januari 2012"
description: "Vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling. Hof van beroep te Gent (België), 24 januari 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-intracommunautaire-handeling-hof-van-beroep-gent-2012-01-24-047d"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

24 januari 2012

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

107 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 24.01.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent 5****e** **kamer - terechtzitting van 24-01-2012**

Nr. **2010/AR/1366**

in de zaak van :

**V. V. T. BVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

**appellante,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. A.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de e.a. inspecteur van het 2de BTW-ontvangkantoor te Gent, wiens kantoren gevestigd zijn te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6/108,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. G.** loco mr. **V. P.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. De procedure

Bij verzoekschrift van 20 mei 2010 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, op 3 februari 2010 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellante ontvankelijk maar ongegrond verklaard met verwijzing van de appellante in de kosten.

De appellante vraagt in hoger beroep van het hof :

*Te zeggen voor recht dat de vordering van de BTW-administratie omschreven in het dwangbevel dat op 24 november 2006 werd uitgevaardigd door mevrouw* ***P. R.****, e.a. Inspecteur a.i., ontvanger van het 2de BTW-ontvangkantoor te 9050 Gent, vervolgens op 27 november 2006 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door* ***J. D. S.****, e.a. Inspecteur a.i. van de BTW-controle te Eeklo, en vervolgens door mevrouw* ***P. R.*** *eensluidend werd verklaard en op haar verzoek werd betekend aan appellante op 30 november 2006 ongegrond is zowel wegens A) de ten onrechte verwerping van de aftrek van de voorbelasting (… EUR) en B) de ten onrechte weigering van de vrijstelling van BTW voor uitvoer (… EUR).*

*Vervolgens,*

*Het bedoelde dwangbevel volledig te vernietigen, met inbegrip van de aangerekende interesten en geldboete.*

*Voor zover als nodig, de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW, boete en de interesten, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf datum van betaling.*

*Tenslotte geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten belope van het basisbedrag van … EUR berekend op de waarde van het geschil in de schijf van … tot … EUR, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, en voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan appellante aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten.*

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

## 2. De feitelijke gegevens

De appellante drijft handel in tweedehandse goederen en is voor die activiteit geregistreerd als BTW-belastingplichtige.

De administratie van de AOIF heeft op 31 januari 2006 bij de appellante een controle gestart inzake BTW voor de jaren 2003 en 2004.

Op 20 oktober 2006 heeft de taxatieambtenaar van zijn vaststellingen en conclusies een proces-verbaal opgesteld. Daarin neemt de taxatieambtenaar aan dat er sprake is van twee soorten onregelmatigheden met betrekking tot de BTW :

• voor 8 inkomende facturen wordt vastgesteld dat er vormgebreken waren, met name omdat enerzijds het handelsregisternummer van de leveranciers niet vermeld stond en anderzijds de datum van levering van de goederen ontbrak.

Het gaat meer bepaald om de volgende aankoopfacturen :

\- uitgaande van de SCRL **l.** :

► …/14.01 .2003;

► …/10.03.2003

► …/26.05.2003

► …/05/05/2003

\- uitgaande van de SPRL **A.** :

► …/03.07.2003

► …/25/08/2003

\- uitgaande van de SPRL I.D.T.C.:

► …/20.08.2003

\- uitgaande van **P-C. I. T.** c°

► …/16/12/2004

voor die laatste factuur werd bovendien vastgesteld dat er twee (op diverse punten) verschillende versies voorhanden waren;

• voor 1 verkoopfactuur (… van 4 april 2003) zou ten onrechte de vrijstelling van BTW wegens invoer zijn toegepast.

De taxatieambtenaar besloot de volgende bedragen verschuldigd te verklaren :

\- … euro BTW;

\- … euro verminderde proportionele geldboete (10 %) en

\- de wettelijke interest op de BTW te rekenen vanaf 21 januari 2005.

Op 30 oktober 2006 verstuurde de taxatieambtenaar een betalingsbericht.

Bij gebrek aan betaling werd op 24 november 2006 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal en vermeerderd met de moratoire interest op de verschuldigd verklaarde BTW en de geldboete en met de vervolgingskosten.

Het dwangbevel werd op 27 november 2006 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 30 november 2006 per aangetekende brief aan de appellante betekend.

Met een verzoekschrift van 5 november 2008 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

De zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 3 februari 2010, zoals vermeld, de vordering van de appellante ongegrond verklaard.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De betwistingen tussen de partijen

Het voorwerp van het geschil valt samen met de grieven die de appellante tegen het bestreden vonnis en het standpunt van de geïntimeerde aanvoert.

De appellante voert in het algemeen aan dat de verwerping van de aftrek van de BTW uitsluitend gebaseerd werd op een aantal formele onregelmatigheden in de facturen van enkele van haar leveranciers, terwijl het werkelijke karakter van de levering niet het voorwerp van het geschil uitmaakte. De opmerking van de eerste rechter dat er aanwijzingen zouden zijn omtrent het fictief karakter van de facturen, zou niet pertinent zijn. De appellante stelt dat zij heeft kunnen aantonen dat de leveringen werkelijk zijn gebeurd. Een factuur zou maar fictief zijn wanneer zij niet overeenstemt met werkelijke verrichtingen. Dat bepaalde facturen qua lay-out met elkaar gelijkenissen vertonen of dat bepaalde zaken niet worden vermeld op diezelfde facturen zou er enkel op wijzen dat de formele tekortkomingen afkomstig zijn van dezelfde leverancier. De facturen zagen er volgens de appellante regelmatig uit, beantwoordden aan werkelijke leveringen en ook het BTW-nummer klopte, zodat de appellante geen reden zou hebben gehad om te twijfelen aan de oprechtheid van haar leverancier. De appellante stelt ook dat zij geen verdere onderzoeksmogelijkheid had en dat zij, van zodra zij in kennis werd gesteld van de fraude, niet meer met deze firma's gewerkt heeft. Er zou daarom geen sprake zijn van een fictieve facturatie.

Meer concreet stelt de appellante dat de afwezigheid van de vermelding van de inschrijving in het handelsregister hier geen belemmering vormde voor de uitoefening van het recht op aftrek in hoofde van de appellante, aangezien deze onregelmatigheid de controle en de inning van de belasting niet zou hebben verhinderd, vermits wel melding wordt gemaakt van een geldig BTW­identificatienummer / KBO-nummer en de adresgegevens waardoor de leverancier op grond van deze andere vermeldingen gemakkelijk te identificeren was.

Ook de afzonderlijke vermelding van een leveringsdatum is volgens de appellante niet verplicht wanneer die datum dezelfde is als de uitreikingdatum van de factuur. De data van de leveringen zouden zelfs wel vermeld zijn, met name omdat ze samenvielen met de factuurdata. Dat deze data juist zijn, zou blijken uit de door de appellante voorgelegde stukken in verband met de verdere verkopen van de goederen door en de betalingen aan haar. Dat de betalingen aan de leverancier soms pas later gebeurden, zou hierbij niet relevant zijn. Bovendien zou, zelfs wanneer de leveringsdatum niet zou samenvallen met de factuurdatum, het ontbreken van de leveringsdatum nog niet noodzakelijk het verlies van het recht op aftrek voor die factuur tot gevolg mogen hebben omdat ook hier de inning van de BTW niet in het gedrang kwam. Aangezien de BTW slechts ten laatste opeisbaar werd op het ogenblik van het uitreiken van de facturen, ervan uitgaande dat er geen enkel ander belastbaar feit vóór die datum heeft plaatsgevonden, zou de vermelding van de leveringsdatum op de factuur niet noodzakelijk zijn voor de inning van de BTW.

De appellante zet verder meer in detail, per factuur, uiteen hoe zij meent te kunnen bewijzen dat de goederen vermeld op de betrokken aankoopfacturen wel degelijk aan haar geleverd zijn, meer bepaald door te verwijzen naar de erop volgende verkoop of verkopen en/of op de aanwezigheid van de (resterende) goederen in de inventaris op het einde van het boekjaar.

Dat door **P-C. I. T. C.** twee verschillende versies van eenzelfde factuur naar de afnemer werden opgestuurd, zou nog niet betekenen dat de appellante geen recht op BTW-aftrek zou hebben. Zelfs het feit dat de leverancier de factuur zou geantidateerd hebben - wat de appellante ontkent -, betekent volgens haar nog niet dat haar het recht op aftrek zou moeten worden ontzegd. Er zou geen enkele wettelijke bepaling zijn die deze specifieke onregelmatigheden sanctioneert met het verlies van een recht op aftrek in hoofde van de afnemer. Bovendien zou het bewijs van de leveringen met betrekking tot de aankoopfactuur uitgereikt door **P-C. I. T. C.** voldoende naar recht bewezen zijn.

## 4. De beoordeling

*4.1. Met betrekking tot de 8 aankoopfacturen*

Terecht stelt de appellante dat het enkele feit dat op die facturen de vermelding van het handelsregisternummer van de leverancier niet vermeld stond, in de gegeven omstandigheden niet belette om die leverancier te identificeren. De handelsbenaming, de vennootschapsvorm, het adres en het BTW-nummer staan telkens vermeld. Het hof ziet niet in op welke manier de vermelding van het handelsregisternummer op die facturen de taxatieambtenaar op een betere of andere manier in staat zou hebben gesteld om de appellante op haar verplichtingen te controleren dan nu het geval was. In elk geval was die vermelding niet nodig, noch bijkomend nuttig om tot inning van de BTW met betrekking tot die facturen te kunnen overgaan. Het kan de appellante niet kwalijk genomen worden dat ze een factuur waarop geen vermelding van het handelsregisternummer stond, niet met argwaan heeft behandeld, maar gewoon heeft aanvaard en in haar boekhouding heeft opgenomen.

Ook het ontbreken van de leveringsdatum heeft de taxatiedienst niet kunnen beletten de appellante behoorlijk te controleren en ten aanzien van haar tot inning van de BTW te kunnen overgaan. Er wordt beweerd en in enkele gevallen ook aangetoond dat de levering na de factuurdatum moet hebben plaats gevonden. De geïntimeerde stelt niet dat er leveringen vóór de uitreiking van de factuur zouden gebeurd zijn. Zoals de appellante met reden aanvoert, wordt in dat geval de BTW ten vroegste opeisbaar op het moment van de factuurdatum. De geïntimeerde kan zich dus voor het invorderen van de BTW op die factuurdatum beroepen zonder dat de opeisbaarheid kan betwist worden op grond van een eventuele bewering door de appellante dat de levering op een ander moment gebeurde.

Waar de datum van levering niet vermeld is, mag in de regel trouwens vermoed worden dat hij samenvalt met de datum van uitreiking van de factuur. Concreet waar de geïntimeerde inroept dat de datum van levering een element is om de waarachtigheid van de leveringen na te trekken, wordt de opdracht van de controleambtenaar nochtans niet bemoeilijkt nu hij kan aannemen dat de goederen al op datum van de facturatie geleverd werden en het aan de belastingplichtige is om aan te tonen dat de geldstroom en de goederenstroom met die datum in overeenstemming kunnen gebracht worden. Het zal eerder een moeilijkheid voor de belastingplichtige opleveren om de waarachtigheid van de levering te bewijzen wanneer hij moet inroepen dat hij de goederen niet ontving op het moment van de facturatie.

De geïntimeerde voert aan dat het niet volstaat dat er gefactureerd wordt omdat het om 'waardeloos spul' kan gaan. Het hof kan bezwaarlijk genoegen nemen met een dergelijke bedenking; er mag immers vermoed worden dat de taxatieambtenaar bij zijn controle nazicht doet naar de aanwezige voorraad en op die manier had kunnen vaststellen dat de voorgelegde inventarissen niet waarheidsgetrouw waren, wat evenwel niet het geval blijkt te zijn.

Het hof stelt vast dat voor zes van de acht facturen door de appellante voldoende met haar overtuigingsstukken wordt aangetoond dat het om waarachtige leveringen gaat (nl. de vier facturen uitgaande van de SCRL **l.** : …/14.01.2003, …/10.03.2003, …/26.05.2003 en …/05.05.2003; de factuur uitgaande van de SPRL **A.** : …/25.08.2003 en de factuur uitgaande van de SPRL I.D.T.C.: …/20.08.2003).

Voor de factuur …/03.07.2003 uitgaande van de SPRL **A.** wordt de appellante door de geïntimeerde niet tegengesproken in haar verklaring dat de twee bobcats - die op de factuur trouwens met merk, type en chassisnummer geïdentificeerd worden - tijdens de controle aangetroffen werden en dat ze als investeringsgoederen (om te verhuren) werden aangekocht, en dat de kredietovereenkomst die voor de financiering ervan werd afgesloten, werd voorgelegd. Het hof neemt ook aan dat het om een werkelijke aankoop gaat.

Alleen voor de factuur 951 van 16 december 2004 uitgaande van **P­ C. I. T. C.** kan het hof slechts vaststellen dat de appellante niet aannemelijk maakt dat de factuur op een werkelijke levering slaat. Ten eerste is het bedenkelijk dat er twee facturen zouden zijn uitgereikt voor dezelfde levering. De verschillen tussen de twee versies zijn niet erg groot, maar de vraag is toch waarom er op de ene versie staat dat ze in … werd opgemaakt, terwijl op de andere versie staat dat ze in … werd opgemaakt. Hoogst eigenaardig is ook dat de twee facturen een verschillende lay-out hebben. Hoe dan ook kan de appellante kennelijk op geen enkele manier aantonen dat de goederen die op de factuur vermeld staan, door haar ooit verhandeld werden (geen bewijs van doorverkoop, noch van opname in inventaris).

Het volstaat niet vast te stellen dat er daadwerkelijk voor het bedrag van de factuur een cheque werd geïnd door de appellante op de datum die op de factuur als datum van betaling met cheque vermeld wordt; daarmee toont de appellante alleen aan dat ze een document boekte dat in overeenstemming was met de geldstroom, terwijl ze de vermeende goederenstroom niet kan aannemelijk maken.

Voor de BTW op die factuur, namelijk … euro is het bestreden dwangbevel terecht uitgevaardigd.

Voor het overige (met betrekking tot de 7 andere aankoopfacturen - zie hoger) kan de geïntimeerde niet overtuigen.

De geïntimeerde tracht de vormgebreken als een reden om het recht van aftrek van de voorbelasting te weigeren te onderbouwen door aan te voeren dat de appellante wist dat de betrokken leveranciers hun BTW-verplichtingen niet nakwamen. De geïntimeerde voert immers aan dat alle betrokken leveranciers BTW-belastingplichtigen waren die geen BTW-aangiften indienen en ook geen BTW afdroegen aan de Schatkist. De SCRL **l.**, de SPRL **A.** hebben volgens de geïntimeerde dezelfde zaakvoerder als de SPRL **G.**, een dubieuze vennootschap zoals blijkt uit een eerder proces-verbaal van 23 februari 2004 ten nadele van de appellante. Alle betrokken facturen zouden een gelijkaardige lay-out hebben.

Het hof stelt wel vast dat de geïntimeerde niet betwist dat de betrokken leveranciers geen aangiften deden en geen BTW betaalden. Er zijn evenwel geen voldoende objectieve aanwijzingen, zelfs geen vermoedens dat de appellante in de laakbare handelswijze van die leveranciers enig aandeel had of dat zij er zelfs van op de hoogte was ten tijde van de facturatie.

De appellante erkent ook dat de SCRL **I.** en de SPRL **A.** dezelfde zaakvoerder hebben als de SPRL **G.**, maar het proces-verbaal van 23 februari 2004 dateert van na het uitreiken van de facturen door de SCRL **I.** en de SPRL **A.**, nu deze alle van 2003 zijn. Ook hier zijn geen gegevens voorhanden waaruit zou blijken dat de appellante moest vermoeden dat die vennootschappen niet in orde waren met hun BTW-verplichtingen. Dat het opvallend zou zijn dat de appellante plots geen zaken meer deed met die vennootschappen nadat hij op 22 september 2003 per brief door de BBI gevraagd was om zijn boekhouding voor te leggen in het kader van een BTW-controle (laatste factuur van 25/08/2003) kan het hof niet bijtreden : uit het feitenrelaas blijkt immers niet dat de appellante elke maand aankopen deed bij die vennootschappen; er is geen regelmaat vast te stellen en er komt ook een tussentijd van meer dan 2 maanden voor; tegen die achtergrond kan uit het feit dat tussen 25 augustus 2003 en het controlebezoek van 8 oktober 2003 geen aankopen werden gedaan door de appellante aan de SCRL **I.** en de SPRL **A.**, niets bijzonder worden afgeleid.

Het valt het hof niet speciaal op dat er iets verkeerd is met de lay-out van de (nog betrokken 7) facturen. Het blijkt niet dat ze allemaal gelijk zijn. Ook stelt de geïntimeerde al te gemakkelijk dat het maar om 'computerprints' zou gaan. Er bestaat geen verplichting om facturen op drukwerk te maken.

Het is verder niet noodzakelijk tegenstrijdig dat de appellante stelt dat er in de handelswereld niet meer op basis van vertrouwen kan worden gewerkt, terwijl de appellante aan de andere kant inroept dat bepaalde aankopen gepaard gaan met het uitgeven van een gewone cheque bij wijze van waarborg en dus zonder dat onmiddellijke betaling plaatsvindt. De geïntimeerde stelt dat een niet-gecertificeerde cheque immers geen enkele garantie op betaling biedt en het dus bijzonder riskant is om de goederen over te dragen aan een koper waarin men geen vertrouwen kan hebben. De geïntimeerde gaat er evenwel aan voorbij dat uit niets blijkt dat bij het uitreiken van de factuur steeds een overdracht van de goederen heeft plaats gehad. Concreet is er van de betrokken 7 facturen slechts de factuur 211/03 uitgaande van de SCRL **I.** van 26 mei 2003 die melding maakt van betaling met een cheque, namelijk op 16 juni 2003. Het hof neemt aan dat de levering gewoon pas kan gebeurd zijn op het moment van de betaling; dat de datum van de levering niet vermeld staat, is hier - zoals hoger al vermeld - geen reden tot wantrouwen.

Met betrekking tot diezelfde factuur merkt de geïntimeerde op dat er wat eigenaardigheden zijn. De stukken die de appellante zelf voorlegt, kunnen inderdaad verwarrend overkomen omdat er twee facturen van verkoop van de betreffende Palfingerkraan en vorkheftruck Komatsu 2,5 ton blijken te bestaan, namelijk een eerste aan de BVBA **C. R.** (met vermelding dat het BTW-nummer nog in aanvraag was) en een tweede aan de BVBA **P. S.**. Die facturen hebben dezelfde omschrijving van de geleverde goederen, voor dezelfde bedragen en de beide afnemers zijn op hetzelfde adres gevestigd. De partijen zijn het er over eens dat de BVBA **C. R.** uiteindelijk nooit definitief werd opgericht. Het hof neemt aan dat de tweede factuur in wezen een vervanging van de eerste betreft. Hoewel de appellante een kredietnota voorlegt aan de (nooit opgerichte) BVBA **C. R.**, blijkt dat deze geen betrekking heeft op de betrokken goederen en aanvankelijke factuur : op die kredietnota staat immers vermeld dat hij betrekking heeft op een andere factuur (nl. …, terwijl de factuur voor de betreffende kraan en vorkheftruck het nummer … draagt). Het hof kan daaruit slechts concluderen dat de appellante nagelaten heeft om de eerste factuur (aan **C. R.**) te crediteren en die factuur gewoon vervangen heeft door een tweede factuur (aan **P. S.**). Dat dit niet helemaal regelmatig is, kan niet worden ontkend, maar die onregelmatigheid is wel in het nadeel van de appellante zelf die immers de gedane omzet tweemaal boekt en ook tweemaal de BTW verschuldigd is. Die vaststelling doet hier evenwel niets ter zake omdat hier slechts de vraag aan de orde is of de appellante recht op aftrek heeft voor de BTW die ze volgens factuur … van 26 mei 2003 bij haar aankoop van de goederen gedragen heeft. Rekening houdend met wat hoger al is vermeld en gelet op het feit dat de appellante, ondanks de dubbele facturatie, het bewijs levert dat de aankoop aan een werkelijke goederenstroom beantwoordt, heeft de geïntimeerde ook hier ten onrechte de aftrek van de voorbelasting geweigerd.

*4.2. Met betrekking tot de verkoop voor uitvoer - factuur …*

Met betrekking tot de verkoop aan een zekere **S. O.** uit … kan de appellante niet meer dan de factuur voorleggen en een rekeninguittreksel waaruit blijkt dat de appellante op 4 april 2003 eerst een bedrag van … euro (het bedrag van de verkoopprijs - zonder BTW) op haar rekening heeft gezet om er vervolgens meteen het bedrag van … euro (de aankoopprijs - met BTW) weer van af te halen.

De vrijstelling van BTW voor uitvoer, voorzien in artikel 39, § 1, 1° W.BTW kan nochtans slechts worden toegestaan op voorwaarde dat aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens gecontroleerd kan worden of er een daadwerkelijke levering buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap heeft plaatsgevonden. Dat is de achtergrond van de voorwaarden gesteld in KB nr. 18 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde. In het bijzonder voorziet [artikel 3 van KB nr. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-18-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-4882#ar18-art3) dat de verkoper - hier de appellante - te allen tijde in het bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt en die stukken op ieder verzoek moet kunnen voorleggen aan de met de controle belaste ambtenaren. Bij wijze van voorbeeld worden vernoemd: de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken en de aangifte ten uitvoer. Afgezien van de vraag waarom het nodig was om het bedrag dat pas zou zijn ontvangen eerst op de rekening te zetten en het meteen er weer af te halen om cash de oorspronkelijke leverancier te betalen, staat hoe dan ook vast dat de voorgelegde stukken niet toelaten na te gaan of de betrokken kraan daadwerkelijk werd uitgevoerd. Bijgevolg is niet afdoende bewezen dat geen BTW verschuldigd was.

Op dat punt (m.b.t. … euro BTW) is het dwangbevel ook terecht uitgevaardigd en blijft de vordering van de appellante ongegrond.

*4.3. Recapitulatie*

Uit het bovenstaande blijkt dat de vordering van de appellante en haar hoger beroep gedeeltelijk gegrond zijn.

Het dwangbevel kan slechts voor de volgende bedragen worden gehandhaafd :

\- m.b.t. de aankoopfacturen : … euro

\- m.b.t. de verkoopfactuur : … euro

Totaal in hoofdsom (BTW) : **… euro**

te vermeerderen met de verminderde proportionele boete van 10 %, alle wettelijke interest en de vervolgingskosten.

## 5. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de beide partijen, moeten zij elk in gelijke mate bijdragen in de gerechtskosten van de beide aanleggen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Indien de partijen elk voor een deel in het ongelijk gesteld worden, wordt in principe aan elk van hen een rechtsplegingsvergoeding toegekend en wordt deze onderling tussen hen verdeeld volgens de vastgestelde verhouding. Wanneer - zoals hier - de verdeling bij helften gebeurt, worden de rechtsplegingsvergoedingen wederzijds gecompenseerd. In die omstandigheden komen de rechtsplegingsvergoedingen te vervallen.

Er zijn geen andere gerechtskosten.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op **tegenspraak**;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar het de vorderingen van de appellante ontvankelijk verklaart;

doet opnieuw recht en zegt voor recht dat het dwangbevel dat ten aanzien van de appellante onder RCIV-nummer … op 24 november 2006 werd opgemaakt en op 27 november 2006 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, slechts gegrond is voor zover het strekt tot betaling van een bedrag aan BTW van **… euro (… EUR) meer de verminderde proportionele boete van 10 %, meer de wettelijke interesten en de vervolgingskosten**;

veroordeelt elk van de partijen tot het dragen van hun eigen gerechtskosten van de beide aanleggen, compenseert de rechtsplegingsvergoedingen en stelt vast dat er geen andere gerechtskosten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **VIERENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN TWAALF**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 18 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-18-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-4882) 1 voorkomen
