---
title: "Vrijstelling, uitvoer · Hof van beroep te Brussel, 7 december 2006"
description: "Vrijstelling, uitvoer, geding, intracommunautaire handeling, bijzondere regeling, vervolging. Hof van beroep te Brussel (België), 7 december 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-geding-intracommunautaire-handeling-hof-van-beroep-brussel-2006-12-07-3db6"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, uitvoer, geding, intracommunautaire handeling, bijzondere regeling, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

7 december 2006

## Procesverloop

2 stappen · 5 maanden

1. [Bestreden beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Leuven 16.06.2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-rechtbank-leuven-2006-06-16-2a6d)
2. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Brussel 07.12.2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

86 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 07.12.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL -** ***Zesde fiscale kamer***

## Nr. van de zaak : 2006/AR/1726

**IN ZAKE VAN :**

De NV **P.**, met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,

appellante,

vertegenwoordigd door Meester **W. D.**, advocaat te …, …,

**TEGEN :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, controlecentrum Leuven, 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester **F. S.**, advocaat te …, …,

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

**EINDARREST - ongegrond**

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder :

• het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 16 juni 2006 (A.R. nrs. 04/931/A en 05/238/A), waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd en waartegen door appellante een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 22 juni 2006;

• het verzoekschrift op basis van art. 92, lid 3 W.BTW, zoals gewijzigd door de Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, neergelegd ter griffie van het hof op 3 oktober 2006.

De ontvankelijkheid van dit verzoekschrift wordt niet betwist.

## De feiten

Appellante is BTW-belastingplichtige voor de activiteit van aan- en verkoop van tweedehandswagens.

Op 18 december 2003 werd lastens appellante proces-verbaal opgesteld, waarin werd vermeld dat de SPRL **B. C. I.** (hierna afgekort : SPRL **BCI**) de voornaamste leverancier was van appellante. De SPRL **BCI** werd op 21 oktober 2003 failliet verklaard. Lastens de SPRL **BCI** werd op 6 augustus 2003 proces-verbaal opgesteld door de B.B.I. van Namen.

In voormeld proces-verbaal van 18 december 2003 werd een systeem van BTW-carrousel uitvoerig uiteengezet, waarna de volgende vaststellingen werden vermeld die zouden kaderen in het systeem van de BTW-carrousel :

\- appellante trad op als uiteindelijke uitvoerder van de tweedehandsvoertuigen (voor 95 % van de gerealiseerde omzet werd de vrijstelling van art. 39 of 39bis W.BTW ingeroepen;

\- appellante bouwde BTW-kredieten op, die periodiek werden teruggevraagd;

\- alle wagens die appellante bij de SPRL **BCI** aankocht, werden aan haar gefactureerd met toepassing van 21 % BTW; geen enkele wagen werd aangekocht met toepassing van winstmargeregeling voor tweedehandsvoertuigen zoals bedoeld in art. 58, § 4 W.BTW;

\- de verkoopprijs vermeld op de facturen uitgereikt door de SPRL **BCI** was in nagenoeg alle gevallen significant hoger dan de ovemamequoteringen zoals deze werden opgesteld door de VZW Federauto;

\- de door appellante gerealiseerde winstmarge was vaak miniem en in een beperkt aantal gevallen zelfs negatief;

\- voor de aankopen bij de SPRL **BCI** bestond er geen ander bewijs van betaling dan de firmastempel en een onleesbare handtekening op de facturen uitgaande van de SPRL **BCI**; alle aankopen bij de SPRL **BCI** werden via kas betaald.

Het proces-verbaal besloot dat de gegevens vermeld in de processen-verbaal ernstige vermoedens van fraude uitmaakten, zodat in afwachting van het onderzoek het belastingkrediet ten bedrage van … EUR in hoofde van appellante werd ingehouden op grond van [art. 8/1, § 3, lid 5 van het K.B. nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) van 29 december 1969.

Op 18 december 2003 werd door het BTW-ontvangkantoor te Leuven een akte van inhouding voor het bedrag van … EUR, saldo rekening-courant op 31 oktober 2003 in het voordeel van appellante, opgemaakt. Deze werd op 19 december 2003 ter kennis van appellante gebracht.

Op 23 juni 2004 werd een gelijkaardig proces-verbaal opgesteld voor de inhouding van het belastingkrediet ten bedrage van … EUR. Dit proces-verbaal werd opgemaakt in verband met een andere leverancier van appellante, de SPRL **A. P.**.

Op 8 maart 2004 werd door het BTW-ontvangkantoor te Leuven een akte van inhouding voor het bedrag van … EUR, saldo rekening-courant op 31 januari 2004 in het voordeel van appellante, opgemaakt. Deze werd op dezelfde dag ter kennis van appellante gebracht.

Op 26 november 2004 werd nogmaals een proces-verbaal opgesteld. In dit proces-verbaal werd verwezen naar de processen­verbaal op respectievelijk 6 augustus 2003 en op 24 oktober 2003 door de BBI Namen opgesteld lastens de SPRL **BCI** en de SPRL **A. P.**.

Het proces-verbaal nam een aantal inbreuken op de BTW­wetgeving aan en besloot dat de in de boekhouding van appellante opgenomen handelingen met de SPRL **BCI** en met de SPRL **A. P.** als fictief werden beschouwd zodat appellante geen recht had op aftrek van de belasting op grond van documenten die op naam van deze leveranciers werden opgemaakt. In het totaal werd een bedrag van … EUR aan BTW ten onrechte in aftrek gebracht.

Het proces-verbaal vermeldde nog dat wegens materiële vergissing een bedrag van … EUR van een andere leverancier teveel in aftrek werd gebracht. Zodoende werd de totale BTW-schuld in het proces-verbaal vastgesteld op … EUR. Verder werd een boete opgelegd van … EUR.

Op 9 december 2004 werd voor deze bedragen, vermeerderd met de interest, een dwangbevel uitgevaardigd dat op 10 december 2004 uitvoerbaar werd verklaard.

Op 27 december 2004 werd dit dwangbevel aan appellante betekend.

Op 22 april 2004 en op 28 januari 2005 legde appellante twee verzoekschriften op tegenspraak neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, waarin zij vorderde dat het dwangbevel van 9 december 2004 nietig en ongeldig zou worden verklaard.

Op 16 juni 2006 wees de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de vordering van appellante af als ongegrond.

Op 22 juni 2006 tekende appellante beroep aan tegen dit vonnis.

Op 17 augustus 2006 werd aan de maatschappelijke zetel van appellante, bij toepassing van art. 92 W.BTW, een aangetekende brief verstuurd waarbij de consignatie werd gevraagd van het openstaande bedrag aan BTW, boete en interesten ten belope van … EUR. Verzoekster beweert dit aangetekend schrijven nooit ontvangen te hebben.

Op 7 september 2006 werd aan het privé-adres van de afgevaardigde bestuurder van appellante een kopie verzonden van voormelde aangetekende brief van 17 augustus 2006.

Op 3 oktober 2006 legde appellante een verzoekschrift op basis van art. 92, lid 3 W.BTW neer ter griffie van het hof.

In haar verzoekschrift vraagt appellante het verzoek van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Leuven in datum van 17 augustus 2006, aangetekend verstuurd op 7 september 2006 aan haar afgevaardigde bestuurder, onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Dienvolgens te zeggen voor recht dat zij niet gehouden is tot consignatie van de gevorderde bedragen aan BTW, boete en interesten voor een bedrag van … EUR.

## Het voorwerp van het geding

Het geding is op dit ogenblik beperkt tot een uitspraak over de gegrondheid van het verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie op basis van art. 92 W.BTW, zoals gewijzigd door voormelde Wet van 15 maart 1999, alsook tot een nazicht of het verzoek tot consignatie van de fiscale administratie redelijk verantwoord is.

## Beoordeling

### a) Wat de gevraagde wering van de besluiten van geïntimeerde betreft

Appellante wijst erop dat, nu de beslissing waarbij de ontvanger om consignatie verzoekt een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking is, die uitgaat van een bestuur en beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden, het verzoek van de administratie tot consignatie in uitvoering van art. 92 W.BTW uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd.

Dit betekent volgens appellante dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen, die aan de beslissing ten grondslag liggen, moeten worden vermeld en dat deze bovendien afdoende moeten zijn. Dit impliceert dat de motivering uit het dossier moet blijken, zodat de verantwoording van de administratieve rechtshandeling moet worden geformuleerd en bekend gemaakt op het ogenblik dat de beslissing wordt verstuurd. Dit heeft voor gevolg dat het verzoek tot consignatie de concrete redenen moet vermelden die eigen zijn aan de zaak en die het verzoek wettigen, en dat achteraf geen andere verantwoording mag worden ingeroepen.

Nu zij thans nog besluiten ontvangt van geïntimeerde, dienen deze volgens appellante, gelet op het afdoende karakter van de motieven van het verzoek en de materiële motiveringsplicht ingevolge de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, uit de debatten te worden geweerd.

---

Het hof treedt terzake appellante bij om de door haar aangehaalde redenen en meent derhalve dat de besluiten van geïntimeerde uit de debatten dienen te worden geweerd in het kader van deze procedure.

#### b) Ten gronde

Het verzoek tot consignatie is gesteund op de overweging dat het beroep van appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 16 juni 2006 dilatoir zou zijn en dat appellante nooit de mogelijkheid zou hebben om tot effectieve betaling van de openstaande schuld over te gaan.

## b. 1. Wat de vrijwaring van de rechten van de Schatkist betreft

Het verzoek tot consignatie, in zoverre het strekt tot vrijwaring van de rechten van de Schatkist, wordt gemotiveerd door de volgende feiten en elementen :

\- de verplaatsing van de maatschappelijke zetel van appellante vanaf 1 oktober 2004 tot 27 april 2006 naar een postbusadres;

\- het feit dat een analyse van de gepubliceerde jaarrekeningen per 31 december 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004 van appellante niet toelaat om haar omzet te analyseren; dat de brutomarge negatief is; dat appellante haar producten en diensten commercialiseert onder de kostprijs; dat het resultaat voortdurend verslechtert, nu het verlies is gestegen met 239,34 %; dat de investeringen onregelmatig zijn en afnemen; dat de solvabiliteit van appellante zwak kan worden genoemd;

\- het feit dat appellante geen onroerende goederen bezit waarvoor een hypotheek kan worden genomen;

\- de omvang van de schuld, zijnde … EUR, terwijl de mogelijkheden van appellante tot effectieve betaling van de openstaande schuld beperkt zijn.

In haar verzoekschrift geeft appellante zelf toe dat zij het bedrag van de BTW-schuld niet kan betalen.

Het hof meent dat geïntimeerde in zijn verzoek tot consignatie wel degelijk de feitelijke elementen opgeeft die van aard zijn om de rechten van de Schatkist in gevaar te brengen. Derhalve is het verzoek tot consignatie voldoende gemotiveerd op dit punt.

## b. 2. Wat het beweerde dilatoir karakter van het hoger beroep betreft

Het verzoek tot consignatie, in zoverre het betrekking heeft op het dilatoir karakter van het hoger beroep, wordt gemotiveerd door het feit dat het beroepsverzoekschrift in grote lijnen de in eerste aanleg ontwikkelde argumentatie herhaalt.

Met reden doet appellante evenwel gelden dat de eerste rechter niet heeft geantwoord op al haar argumenten. Hij heeft er zich mee vergenoegd te stellen dat al haar handelingen i.v.m. de verkoop van tweedehandswagens fictief waren. Daarbij ging de eerste rechter voorbij aan :

\- het feit dat appellante zelf klacht heeft gedaan tegen haar leveranciers bij het parket van de procureur des Konings te Brussel;

\- het feit dat lastens appellante geen enkele strafrechtelijke vervolging werd ingesteld als dader, als mededader, als medeplichtige of enige andere verdenking van strafrechtelijke overtreding;

\- het feit dat de boekhouding van appellante nooit werd verworpen;

\- het feit dat de leverancier van appellante op de jaarlijkse BTW-listing de leveringen aan haar heeft aangegeven.

Het hof meent dat het dilatoir karakter van een voorziening in hoger beroep niet kan worden afgeleid uit het loutere feit dat in hoger beroep geen nieuwe grieven werden aangevoerd dan degene die al in eerste aanleg werden verdedigd, mits deze grieven tot een ernstige betwisting aanleiding kunnen geven (in dezelfde zin, zie : [Cass., 3 januari 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-hoger-beroep-cassatie-brussel-2003-01-03-7757), Pas., 2003, I, 26; T.F.R., 2003, 449), hetgeen in deze alleszins het geval is.

Derhalve kan het hoger beroep van appellante niet als dilatoir worden beschouwd.

Wel is het zo dat consignatie in het kader van art. 92 W.BTW ook kan indien enkel de rechten van de Schatkist door het hoger beroep in gevaar dreigen te raken (zie : Cass., 20 januari 2005, F.J.F., 2005, 629), hetgeen naar het oordeel van het hof in deze wel degelijk het geval is (zie onder b. 1., hiervoor).

Derhalve dient het verzoekschrift van appellante te worden afgewezen en het verzoek van geïntimeerde tot consignatie gegrond te worden verklaard.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik talen in gerechtszaken;

Weert de besluiten van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het hof op 2 november 2006, in het kader van onderhavige procedure uit de debatten;

Verklaart het verzoekschrift van appellante ontvankelijk, doch ongegrond;

Verklaart het verzoek van de rekenplichtige van het BTW­ontvangkantoor Leuven in datum van 17 augustus 2006, aangetekend verstuurd op 7 september 2006 aan de afgevaardigde bestuurder van appellante, ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding, begroot in graad van hoger beroep op … EUR voor appellante en op … EUR voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 07.12.2001.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**J. V.**, raadsheer

**C. D. N.**, griffier

**C. D. N.** **J. V.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 4 art. 8/1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Dwangbevel, Bijzondere rekening, Inhouding, inhouding van een Btw-belastingskrediet](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-bijzondere-rekening-inhouding-btw-cassatie-brussel-2021-04-30-284f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Hof van beroep te Brussel, 21 mei 2026, 2016/AF/48](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boot-hof-van-beroep-brussel-2026-05-21-0abb) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vordering tot teruggave, Verjaringstermijn, Aanvang, procedure](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vordering-teruggave-verjaringstermijn-aanvang-procedure-cassatie-brussel-2012-11-23-e1a4) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, BTW-schuld, Dwangbevel, Verplichtingen, aangifteplicht](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-btw-schuld-dwangbevel-cassatie-brussel-2006-03-09-61b4) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vordering tot teruggave, Verjaringstermijn, Aanvang](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vordering-teruggave-verjaringstermijn-aanvang-cassatie-brussel-2012-11-23-6504) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet betaling btw, bijzondere rekening, mededeling adreswijziging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/betaling-btw-bijzondere-rekening-mededeling-hof-van-beroep-antwerpen-2017-11-28-f615) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Levering van goederen, Localisatie, aankoopoptie, nalatigheidsinterest](https://juriel.be/nl/rechtspraak/levering-goederen-localisatie-aankoopoptie-hof-van-beroep-brussel-2026-05-21-36fa) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, andere vrijstelling, recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-recht-aftrek-belasting-hof-van-beroep-antwerpen-2010-05-18-0bce) 1 gemeenschappelijke bepalingen
