---
title: "Vrijstelling, invoer · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 19 maart 2013"
description: "Vrijstelling, invoer, uitvoer, intracommunautaire handeling. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 19 maart 2013."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-invoer-uitvoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-brussel-2013-03-19-7aac"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, invoer, uitvoer, intracommunautaire handeling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

19 maart 2013

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

227 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 19.03.2013

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 35****ste** **Kamer**

**AR 2011/5627/A**

*-* *BTW*

*-* *op tegenspraak*

*-* *eindvonnis*

In zake van :

**BVBA A. C.**, met zetel te …, …, ondernemingsnummer …

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **G.** loco Mr. **J. G.**, advocaat met kantoor te …, …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van het centraal BTW-ontvangkantoor voor buitenlandse belastingplichtigen met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan nr. 50/b3107

**verweerder,**

vertegenwoordigd door de heer **H. D. B.**, inspecteur.

In deze zaak, in beraad genomen op 19/02/2012, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

\- het gedinginleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 2/05/2011;

\- de beschikking houdende de bepaling van conclusietermijnen genomen in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. d.d. 2/09/2011;

\- de beschikking tot herziening van de regeling van conclusietermijnen d.d. 16/05/12;

\- de conclusies en conclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie op respectievelijk 9/12/11 en op 29/06/12;

\- de conclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 2/04/12;

\- het bundel met stavingstukken van eisende partij neergelegd ter griffie op 2/04/2012;

Gehoord de raadsman van eisende partij en de vertegenwoordiger van de verwerende partij ter openbare zitting van 19/02/2012 waarna, de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW.

Eiseres is douane-expediteur. Zij is geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE ….

N.a.v. een controle door de diensten van verweerder m.b.t. het jaar 2003 stelden deze laatsten een proces-verbaal (proces-verbaal d.d. 4/10/06) op aangaande de overtredingen van de BTW-wetgeving die ze vaststelden (inbreuken op art. 40, § 1, 1° W.BTW en op [art. 2 KB nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art2)).

Verweerder stelde meerbepaald vast dat eiseres in de intracommunautaire opgaven voor het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal van 2003 handelingen opnam met BTW-identificatienummers die foutief zouden zijn.

Volgens het proces-verbaal is eiseres volgende sommen aan BTW, boeten en interesten verschuldigd :

BTW : € 484.938,54

Boete : € 48.490

Interesten : pm

Vervolgingskosten : pm

Omdat betaling uitbleef werd op 8/12/06 een dwangbevel uitgevaardigd door de Fiscale Administratie dat op 12/12/06 uitvoerbaar werd verklaard en middels aangetekend schrijven op een niet medegedeelde datum aan eiseres werd betekend.

D.m.v. verzoekschrift neergelegd ter griffie op 2/05/2011 stelde eisende partij een vordering in rechte in en tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eisende partij strekt ertoe het dwangbevel uitgevaardigd op 8/12/06 en uitvoerbaar verklaard op 12/12/06 te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn.

Zij vordert tevens de veroordeling van verweerder tot de terugbetaling van alle op grond van voormeld dwangbevel reeds uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van BTW, boetes of interesten meer wettelijke en gerechtelijke interesten en tot de betaling van de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de gegrondheid van de vordering en vordert de veroordeling van eiseres tot de kosten van het geding.

## 3. BEOORDELING

### 3.I. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist door verweerder.

Nu er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk verklaard te worden.

### 3.II. Gegrondheid

Verweerder concludeert tot de gegrondheid van de vordering omdat eisende partij in het geding inleidend verzoekschrift voor alle zendingen het bewijs levert dat de leveringen geschiedden aan belastingplichtigen die voor de BTW waren geïdentificeerd in andere lidstaten.

Verweerder kan geen afstand van geding doen nu hij geen geding begon.

## 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 Ger. W. normalerwijze ten laste gelegd van eisende partij.

Eisende partij vordert de veroordeling van verweerder tot de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Verweerder argumenteert evenwel dat de kosten ten laste van eisende partij dienen te worden gelegd omdat hij gelet op de houding van verweerder verplicht was een dwangbevel uit te vaardigen om een verjaring van de belastingschuld te voorkomen. Het is ruim na het uitvaardigen, uitvoerbaar verklaren en betekenen van dat dwangbevel dat eisende partij uiteindelijk een verzoekschrift neerlegde en de gegevens en bewijzen (vgl. [art. 2 KB nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art2)) bijbrengt.

Nu eisende partij met geen enkel stuk aantoont dat zij eerder, met name voor het uitvaardigen en uitvoerbaar verklaren van het dwangbevel de juiste gegevens aan verweerder mededeelde ligt eisende partij zelf aan de basis van het uitvaardigen en uitvoerbaar verklaren van het dwangbevel.

Eisende partij moest dan wel een verzoekschrift neerleggen door middel waarvan het dwangbevel wordt aangevochten en de juiste informatie wordt medegedeeld.

Het begrip "de in het ongelijk gestelde partij" in art. 1017 Ger. W. is ruimer dan het begrip “partij die haar vordering ingewilligd ziet”. Een partij die in het proces zelf gelijk krijgt, is toch ook een in het ongelijk gestelde partij als haar houding aanleiding tot het geschil heeft gegeven (vgl. Rb. Antwerpen 15 mei 2009, *fiscoloog*, 1178, 10 : de rechtsplegingsvergoeding kan ook worden toegekend aan de in het ongelijk gestelde partij).

De rechtbank is van oordeel dat het inzake niet past om eisende partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen.

Nu verweerder niet door een advocaat werd vertegenwoordigd heeft hij evenwel geen recht op een rechtsplegingsvergoeding, zodat er hem dan ook geen kan worden toegekend.

Noch de waarde van het geschil, noch deze vergoeding (KB d.d. 26 oktober 2007) dienen zodoende te worden bepaald en begroot.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Rechtsprekend in eerste aanleg en op **tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond,

Verklaart het dwangbevel uitgevaardigd op 8/12/06 en uitvoerbaar verklaard op 12/112/06 nietig en zegt voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn,

Veroordeelt verweerder voor zoveel als nodig tot terugbetaling aan eisende partij van alle op grond van voormeld dwangbevel reeds uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van BTW, boetes of interesten meer wettelijke en gerechtelijke interesten en tot de betaling van de kosten van het geding.

Veroordeelt eisende partij tot betaling van de gedingkosten.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **35****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **19 maart 2013**

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **M. L.**, rechter,

Mevrouw **L. D.**, afgevaardigd griffier.

**L. D.** **M. L.**

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 35****ste** **Kamer**

Nr. 55

**AR 2011/7457/A**

*-* *Regionale belastingen - Vlaams Gewest - leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (Decr. VI. Parl. 19/04/1995)*

*-* *op tegenspraak*

*-* *eindvonnis*

In zake van :

**De heer C. V. B. OQ**, advocaat, met kantoor te …, … in de hoedanigheid van curator van NV **J.**, in faillissement, met zetel te …, … (KBO nr. …), daartoe aangesteld bij faillissementsvonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel d.d. 3/10/2000.

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **K. V. V.**, advocaat met kantoor te …, …

**tegen :**

**Het VLAAMSE GEWEST**, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, die zijn kabinet heeft te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **C. C.**, advocaat te …, …

In deze zaak, in beraad genomen op 12/02/2013, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende stukken :

\- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het gerechtelijk wetboek uitgaande van eisende partijen en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 9/06/2011,

\- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 2/09/11,

\- de conclusies en syntheseconclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 5/01/12 (fax) & 6/01/12 (origineel) en op 26/09/12 (fax) & 27/09/12 (origineel);

\- de conclusies voor eisende partij, neergelegd ter griffie op 23/05/12;

\- het bundel met stavingstukken voor verweerder, neergelegd ter zitting op 12/02/13;

\- het bundel met stukken van eisende partij, neergelegd ter zitting op 12/02/13

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 12/02/2013, waarna de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op de hierna volgende heffing ter bestrijding van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, lastens eisende partij, gevestigd op grond van het decreet van 19 april 1995 *houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten* (hierna : het decreet).

Bij vonnis van de rechtbank van Koophandel van Brussel 3/10/00 werd eisende partij failliet verklaard en werd Mr. **C. V. B.** als curator aangesteld.

Eisende partij was in de belastbare periode eigenaar van een bedrijfsruimte (een winkelcomplex/gaanderij) gelegen te …, … kadastraal gekend als ….

Op 21/04/06 nam de administratie van verweerder de bedrijfsruimte een eerste maal op *in de inventaris van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten* omdat leegstand (0 % benuttingspercentage op een totale vloeroppervlakte van 2100 m 2) werd vastgesteld.

Gelijkluidende inventarisaties gebeurden op 13/03/07 en 7/04/08. Registratieattesten werden verstuurd aan eisende partij (21/04/06, 26/03/07 en 18/04/08).

Tegen deze registratieattesten werd geen administratief beroep ingesteld bij de bevoegde Minister.

Op grond van (voormelde) opeenvolgende opnames van de bedrijfsruimte in de inventaris van leegstaande en of verwaarloosde bedrijfsruimten werd o.m. voor het heffingsjaar 2009 volgende heffing ingekohierd lastens eisers :

| Artikel | Heffingsjaar | Datum uitvoerbaarverklaring | Datum verzending aanslagbiljet | Heffing (totaal) |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| … | 2009 | 1/12/10 | 3/1/10 | € 68.577,00 |

Tegen deze heffing diende eisende partij bezwaar in middels aangetekend schrijven ontvangen op 4/01/11.

Bij beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 15/03/2011, d.m.v. aangetekend schrijven van dezelfde dag ter kennis gebracht aan eisende partij, werd voormeld bezwaar afgewezen als ongegrond.

D.m.v. verzoekschrift art. 1385decies Ger. W., neergelegd ter griffie van de rechtbank op 9/06/2011 betwist eisende partij voormelde beslissing en de onderliggende heffing voor het heffingsjaar 2009.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eisende partij beoogt de vernietiging van de bestreden beslissing d.d. 15/03/2011 evenals van de onderliggende heffing in hoofde van eisende partij gevestigd en gekend onder kohierartikel nr. … van het op 1/12/10 uitvoerbaar verklaarde kohier.

Eisende partij vorderen tevens de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

In ondergeschikte orde vordert eisende partij de zaak te verwijzen naar de rechtbank van koophandel teneinde uitspraak te horen doen over de al dan niet opname in het passief van het faillissement.

## 3. BEOORDELING

### 3.I. Ontvankelijkheid

Verweerder voert aan dat de vordering van eisende partij onontvankelijk zou zijn omdat de vernietiging van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar wordt gevorderd.

De vordering om het beroep tegen de beslissing van gemachtigde ambtenaar ontvankelijk en gegrond te verklaren zou door de rechtbank niet kunnen worden ingewilligd wegens een gebrek aan belang van eisende partij zoals vereist door art. 17 en 18 Ger. W.

### Beoordeling

Het procesrechtelijk belang is een belang dat vereist wordt voor de toelaatbaarheid van de eis, d.i. voor de uitoefening, van de bevoegdheid of het recht om een geding te voeren van een bepaalde aard en een bepaald soort uitspraak te horen doen door de aangesproken rechtsmacht, ongeacht de gegrondheid van de eis.

Het daarvoor vereiste belang kan dan ook alleen maar het belang zijn dat men heeft bij het voeren van een geding van een bepaalde aard en het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak van een bepaalde aard.

Men moet geen belang hebben bij het voorwerp van het gevorderde, maar wel bij het feit dat een bepaalde rechtsverhouding of situatie door de rechter wordt beoordeeld en vastgelegd.

Ontoelaatbaarheid wegens gebrek aan belang is de sanctie van het misbruik van de abstracte vorderingsbevoegdheid, van het misbruik van procesrecht.

De facto heeft men er omzeggens altijd belang bij dat de rechter beslist over een voor eigen rekening ingestelde eis tot het bekomen van een veroordeling waarop men beweert recht te hebben : ook wanneer men dat recht niet heeft, en de vordering dus ongegrond is, heeft men er normaal recht op dat te weten en daarover dus een rechterlijke uitspraak uit te lokken.

Het fiscaal verhaal is niet gericht tegen de beslissing van de belastingadministratie aangaande het bezwaar van de belastingplichtige, maar wel tegen de fiscale vordering van de belastingadministratie (BOEYNAEMS, De eigen aard van het rechtsgeding in fiscale geschillen - bedenkingen van een rechter in de eerste lijn, VERSTAPPEN, J., VANDERMOTTEN, P., VANDERKERKEN, C., Tien jaar nieuwe fiscale procedure, Larcier, 2009, 221; vgl. ook Rb. Mons 6 september 2001, *J.L.M.B.*, 2002, 205).

Inzake blijkt uit het dispositief van het geding inleidend verzoekschrift dat de administratieve beslissing en de onderliggende heffing worden aangevochten inzake.

Eisende partij heeft zodoende het vereiste belang voor wat betreft huidige procedure.

Deze exceptie van verweerder is ongegrond.

Nu verweerder geen andere middelen van niet-ontvankelijkheid opwerpt en de rechtbank ambtshalve geen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden ziet dient de vordering van eisende partij ontvankelijk te worden verklaard.

### 3.II Gegrondheid

Eisende partij voert aan dat :

\- de curator niet als belastingplichtige kan worden aanzien;

\- er overmacht voorhanden zou zijn inzake;

\- de zaak naar de rechtbank van koophandel dient te worden verzonden met het oog op opname in het passief van de gefailleerde.

*M.b.t. het argument dat het curator niet als belastingplichtige kan worden aanzien*

Eisende partij voert aan dat de curator **C. V. B.** niet als belastingplichtige zoals bepaald in art. 15, § 2 van het decreet kan worden aanzien.

Verweerder stelt dat een gefailleerde vennootschap door het faillissement niet ophoudt te bestaan, en dat de rechtspersoonlijkheid ervan pas na de sluiting van de vereffening zou verdwijnen.

### Beoordeling

De gefailleerde vennootschap houdt door het faillissement niet op te bestaan.

De rechtspersoonlijkheid ervan verdwijnt pas na de sluiting van de vereffening, en blijft zelfs dan nog passief gedurende een tijd voortbestaan.

Een faillissement ontneemt aan de gefailleerde dan ook niet de hoedanigheid van "heffingsplichtige" inzake het decreet leegstand bedrijfsruimten.

Nu inzake de vereffening van NV **J.** nog niet afgesloten was op het moment van het ontstaan van de belastingschuld en ook niet op de datum van inkohiering van de betwiste heffing was/is NV **J.** nog steeds heffingsplichtige en ontstond op grond van de wet (inzake : het decreet) de thans betwiste heffing in hoofde van NV **J.**.

Eisende partij q.q., mag in geen enkel opzicht als de 'heffingsplichtige' van de bestreden heffing worden aangeduid, en mag er dan ook niet mee worden vereenzelvigd. Artikel 15, § 2 van het decreet stelt immers uitdrukkelijk dat de heffing ten laste komt van de 'eigenaar' van de betreffende bedrijfsruimte (diegene die een geheel dan wel gedeeltelijk naakte eigendomsrecht kan laten gelden op het betrokken onroerend goed conform van artikel 2, 9° van het decreet), derhalve in casu de (gefailleerde) belastingplichtige.

*M.b.t. het argument dat er overmacht voorhanden zou zijn inzake*

Eisende partij voert aan dat er overmacht voorhanden zou zijn inzake.

Dit zou het geval zijn omdat het voor de curator moeilijk was het pand te verkopen. Het was een specifiek pand, er werd geen bod op gedaan gedurende lange tijd of biedingen die voor de hypothecaire schuldeiser te laag waren en ook een openbare verkoop leverde geen ernstige biedingen op.

Vandaar dat er lang werd afgewacht, hetgeen de juiste houding was daar het pand uiteindelijk voor € 1.950.000 werd verkocht.

Gelet op de pogingen tot verkoop van het pand werd er beslist niet te verhuren. Het komt de administratie niet toe de opportuniteit van beslissingen van de curatele te beoordelen.

Verweerder stelt dat de overmacht niet alleen in hoofde van de curator dient te worden beoordeeld maar ook in hoofde van de gefailleerde.

Faling op zich impliceert geen overmacht.

Ook de strikt juridische consequenties van een faling maken op zich geen grond voor overmacht uit.

Verweerder wijst erop dat het faillissement tussenkwam op 3/10/00 en dat op 1/01/09 nog altijd geen einde aan leegstand was gekomen.

Verder beklemtoont verweerder dat de curator geen stukken m.b.t. de falingsafwikkeling bijbrengt. Er wordt weinig of geen uitleg gegeven, zo is het o.a. niet duidelijk waarom het 4 jaar duurde vooraleer dat er een eerste schattingsverslag was, of waarom steeds de visie van hypothecaire schuldeiser KBC werd gevolgd. Er wordt nagenoeg niets aangetoond.

### Beoordeling

Alhoewel het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten niet voorziet in een uitdrukkelijke bepaling op grond waarvan een vrijstelling op basis van overmacht kan worden toegekend, kan het bezwaar van de heffingsplichtige worden ingewilligd indien het gesteund is op bewezen overmacht.

De Minister-president van de Vlaamse regering heeft in maart 2001 in het Parlement verklaard dat : *"het niet nodig (is) dat het decreet van 19 april 1995 zou voorzien in een algemene vrijstelling in geval van overmacht zoals het decreet van 22 december 1995 dat doet. Vrijstelling op basis van overmacht, zelfs zonder decretale bepaling is mogelijk. Immers, in administratieve zaken -dus ook in het kader van het decreet op de leegstand bedrijfsruimten- kan men zich steeds op een algemeen rechtsbeginsel zoals dat van "overmacht" beroepen."* (Vr. en Antw. Vl. Parl., 2000-2001, 16 maart 2001, nr. 9, 1232, vr. nr. 22 van 6 december 2000, Decaluwé).

Ook het Grondwettelijk Hof heeft herhaaldelijk bevestigd dat de strengheid van de wet kan worden gemilderd door de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van overmacht voor zover de desbetreffende wet niet van het beginsel afwijkt (Grondwettelijk Hof 32/95, 4 april 1995, B.5.3., Grondwettelijk Hof 27/97, 6 mei 1997, B.7.1., Grondwettelijk Hof 88/98, 15 juli 1998, B.6., Grondwettelijk Hof 121/99, 10 november 1999, B.4., Grondwettelijk Hof 136/2001, 30 oktober 2001, B.5.3.; zie ook op het vlak van leegstand en onroerende voorheffing : Grondwettelijk Hof 82/2003 van 11/06/2003, overweging B.3.4. en 155/2003 van 26/11/2003 overweging B.3.4.).

Het zou bovendien niet proportioneel met de doelstelling van de decreetgever zijn, met name het vermijden van leegstand en verloedering van bedrijfspanden, om vrijwillige en onvrijwillige leegstand op een gelijke wijze te belasten (zie Grondwettelijk Hof 75/2006, 10/05/2006 in verband met leegstand van woningen; toegepast door Brussel 07/06/2006, T.F.R. 2007, 162 op bedrijfsruimten).

Derhalve kan de heffingsplichtige zich van de heffing bevrijden wanneer hij aantoont dat de leegstand of de verwaarlozing het gevolg is van redenen onafhankelijk van zijn wil.

Om overmacht te bewijzen moet de belastingplichtige aantonen dat hij tevergeefs alle stappen heeft ondernomen die een goed huisvader in dezelfde omstandigheden zou getroffen hebben om die leegstand te vermijden. Daarbij dient de handelingsvrijheid van de belastingplichtige te worden gerespecteerd zolang deze handelt binnen de grenzen van een normaal en redelijk beheer van diens patrimonium (cfr. Brussel, 7 juni 2006, *T.F.R.*, 2007/20, met noot HUYGHE, S., De hoven en rechtbanken vernietigen de leegstandheffingen in geval leegstand om redenen onafhankelijk van de wil.).

De ingeroepen overmacht moet worden beoordeeld in hoofde van de belastingplichtige, niet in hoofde van de curator (vgl. inzake de voogd : Cassatie 26 september 2080).

De heffingsplichtige verloor ten gevolge van haar faillissement (sinds de dag van het vonnis van faillietverklaring) van rechtswege het beheer over al haar goederen (zie artikel 16 van de wet van 8 augustus 1997, de Faillissementswet). De heffingsplichtige was bijgevolg zelf niet langer in de mogelijkheid/handelsbekwaamheid om, in de betreffende belastbare periode, de bedrijfsruimte te verkopen, verhuren of om er een (nieuwe) economische activiteit uit te oefenen (met of in de goederen die behoren tot de faillissementsboedel). Een curator werd aangesteld.

De juridische positie van de curator dient echter (duidelijk) te worden onderscheiden van de juridische positie van de gefailleerde belastingplichtige. In het kader van de positie als curator van de failliete boedel is deze laatste inderdaad beperkt in zijn handelen t.o.v. de belaste bedrijfsruimte.

Dit betekent evenwel niet dat daarom automatisch sprake zou zijn van een overmachtssituatie in hoofde van de curator.

De curator oefent in het kader van zijn opdracht (evenwel) een gebonden bevoegdheid uit.

De curator werd (immers) geen eigenaar van het 'buiten het bezit van de belastingplichtige gestelde vermogen'. Hij beschikte als curator dan ook niet over dezelfde handelingsvrijheid betreffende de belaste bedrijfsruimte, als zou de belastingplichtige als eigenares (in het geval zij niet failliet zou zijn verklaard) hebben beschikt.

Op grond van artikel 75 van de Faillissementswet komt aan een curator bovendien de plicht toe om over te gaan tot de vereffening van het faillissement. In het kader van deze vereffening dient de curator o.a. over te gaan tot de verkoop van alle onroerende goederen, koopwaren en roerende goederen welke de gefailleerde toebehoorden.

De curator had/heeft dan ook geen andere keuze om al het mogelijke te doen om de desbetreffende bedrijfsruimte (welke deel uitmaakte/maakt van de faillissementsboedel zo snel mogelijk (ten einde het faillissement van de belastingplichtige te kunnen vereffenen) te verkopen.

De curator draagt (wel) een eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid in het kader van de uitoefening van zijn opdracht.

Met het oog op de uiteindelijke vereffening van het faillissement, welke ten aanzien van de schuldeisers (de openstaande passiva) het best zo vlug als mogelijk dient plaats te vinden, lijkt het de rechtbank onontbeerlijk dat een (kortlopende) verhuring en/of sloping van het onroerend goed zo goed als uitgesloten was.

De verkoop van de betreffende bedrijfsruimte was derhalve de beste (nagenoeg enige) mogelijkheid waarover eisers q.q. beschikten in het kader van een goed faillissementsbeheer.

De administratie mag zich overigens bij de beoordeling van de overmacht situatie niet mengen in de opportuniteit van de beslissingen van de heffingsplichtige (in casu de beslissingen van de curator). Zolang deze handelt binnen de grenzen van een normaal en redelijk beheer van diens patrimonium (in casu de faillissementsboedel), dient immers de handelingsvrijheid van de belastingplichtige te worden gerespecteerd (cfr. Brussel, 7 juni 2006, *T.F.R.*, 2007/20).

Opdat er sprake zou kunnen zijn van een overmachtssituatie (en eiseres q.q. op grond hiervan aanspraak zouden kunnen maken op een vrijstelling van de bestreden heffing), dient de overmachtssituatie wel op afdoende wijze (a.d.v. afdoende stavingstukken) te zijn bewezen.

De rechtbank stelt evenwel vast dat de door eiseres q.q. opgeworpen overmachtssituatie niet afdoende wordt gestaafd.

Uit het dossier blijkt dat de heffingsplichtige reeds lang voor de aanvang van de in casu relevante belastbare periode (met name het kalenderjaar 2009) bij vonnis van de rechtbank van koophandel failliet verklaard (3/10/2000).

Er wordt op geen enkele wijze aangetoond waarom het gerechtvaardigd was om de afhandeling van 2000 tot 2009 te laten aanslepen.

\- Er worden amper 2 relevante stukken neergelegd, met name 2 stukken die op de aan de orde zijnde belaste periode betrekking hebben;

\- De algemene opdracht van een curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het opgebrachte geld te verdelen (Cassatie 2 maart 1995, rolnr. C930094F);

\- Het pand werd weliswaar in april 2006 pas opgenomen in de inventaris, maar de curator had reeds sedert maart 2000 de opdracht de activa (waaronder het pand) te gelde te maken;

\- Bij de beoordeling van overmacht tijdens de aan de orde zijnde belaste periode mag/kan/moet desgevallend ook naar handelingen die eerder in de tijd gebeurden of niet gebeurden gekeken worden;

\- Er wordt met geen enkel stuk aangetoond waarom het 4 jaar en 4 maanden duurde om een schattingsverslag bekomen;

\- Uit stuk 9 is met moeilijk om relevante biedingen te distilleren : eigenlijk kan de rechtbank er geen enkel bod in terugvinden;

\- Logischerwijze zou men mogen verwachten dat er een tien à vijftiental makelaars zouden zijn gecontacteerd, quod non;

\- Logischerwijze zou men verwachten dat er publiciteit werd gevoerd m.b.t. het pand (er is enkel een geplande openbare verkoop in 2008);

\- Het afwachten en het niet laten doorgaan van een openbare verkoop vormen een eigen keuze en helemaal geen overmacht daarbij kiest men er inzake tegelijkertijd eigenlijk uitdrukkelijk voor om een leegstandsheffing opgelegd te krijgen : reeds op 21/04/06 had een curator handelend als een goed huisvader moeten weten dat het pand binnen het jaar of zeker binnen de twee jaar had dienen te worden verkocht. Met een openbare verkoop was dit perfect mogelijk; de markt is wat ze is.

De vermeende overmachtssituatie wordt dan ook niet aangetoond. Het middel is derhalve ongegrond

*M.b.t. het argument dat de zaak naar de rechtbank van koophandel dient te worden verzonden met het oog op opname in het passief van de gefailleerde*

In ondergeschikte orde verzoekt eisende partij de rechtbank te oordelen dat de heffing een schuld is in de boedel en geen schuld van de boedel.

Verweerder stelt dat het een schuld van de boedel betreft.

### Beoordeling

De kwalificatie van de schuld als een schuld van of in de boedel heeft o.m. gevolgen voor de opeisbaarheid van de belasting.

In geval het een schuld in de boedel betreft is de schuld niet onmiddellijk opeisbaar en dient verweerder te wachten op de vereffening/verdeling van de boedel.

Een boedelschuld wordt als volgt omschreven :

*"een schuld kan alleen dan een boedelschuld zijn, wanneer de curator of de vereffenaar qualitate qua verbintenissen heeft aangegaan voor het beheer van de boedel, onder meer door de handelsactiviteit van de vennootschap voort te zetten, de door haar gesloten overeenkomsten uit te voeren, of nog door gebruik te maken van de roerende of onroerende goederen van de vennootschap, om een behoorlijk beheer van de vereffening te waarborgen. Alleen in zodanige omstandigheden moet de boedel de verbintenissen die uit dat beheer voortkomen nakomen en de lasten ervan dragen" (Cassatie 16 juni 1998,Arr. Cass, 1997-98, 1357)*.

Fiscale schulden (uitgezonderd de onroerende voorheffing) worden in regel beschouwd als schulden in de massa; om die reden heeft de wetgever trouwens voorzien in wettelijke hypotheken en voorrechten ten voordele van de fiscus (zie VEROUGSTRAETE, "Manuel de la faillite et du concordat", Kluwer, 1988, 44).

Een leegstandsheffing kan evenwel aangemerkt worden als een boedelschuld aangezien dergelijke schuld het gevolg is van een norm die rust op de boedel, vertegenwoordigd door de curator qualitate qua, nl. een norm een onroerend goed niet te laten leegstaan of te verwaarlozen (zie DEWILDE, A., "Boedelschulden in het insolventierecht", Antwerpen, Intersentia, 2005 nr. 335).

Daarbij zal de belasting verschuldigd zijn omwille van de fiscale continuïteit na faillissement. De curator laat na het onroerend goed te gebruiken, terwijl er een verplichting bestaat tot gebruik.

Door het nalaten van de curator van het bedrijfsgebouw gebruik te maken, doet hij een boedelschuld ontstaan (DEWILDE, A., "Boedelschulden in het insolventierecht", Antwerpen, Intersentia, 2005 nr. 335).

Nu het faillissementsvonnis aangaande eisende partij dateert van 3/10/2000 en er een eerste keer een registratieattest werd afgeleverd in 2006 (het belaste pand werd een eerste keer in de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten opgenomen op 21/04/06) konden stappen ondernomen worden om volgende registraties te vermijden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de betwiste leegstandsheffing inzake een schuld van de boedel is.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

De vordering van eisende partij dient ongegrond te worden verklaard.

## 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partijen ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partijen.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert tussen € 60 000,01 en € 100 000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB d.d. 26 oktober 2007 begroot worden op € 3.300,00. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt eisende partij tot betaling van de gedingkosten, begroot op € 3.300,00 rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verwerende partij.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **35****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **19 maart 2013**

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **M. L.**; alleenzetelend rechter,

Mevrouw **L. D.**, afgevaardigd-griffier.

**L. D.** **M. L.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 52 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 2 voorkomens
