Vrijstelling, intracommunautaire levering, bewijs · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 13 december 1999

Zoeken

Vrijstelling, intracommunautaire levering, bewijsvrijstelling - intracommunautaire levering - bewijs

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-intracommunautaire-levering-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-1999-12-13-cd46

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
13 december 1999

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

36 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 13.12.1999

Vrijstelling

Intracommunautaire levering

Bewijs

Samenvatting

Het is volstrekt onjuist dat het Gemeenschapsrecht niet zou toelaten dat van de verkoper van goederen een bewijs van intracommunautaire levering wordt gevraagd, doch hooguit van de verkoper kan worden verwacht dat de koper de intentie heeft de goederen naar een plaats buiten België, maar binnen de Gemeenschap te brengen. De verkoper moet het recht op vrijstelling immers bewijzen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende documenten. Het is niet onredelijk dat de fiscus bij de beoordeling van die bewijzen enige gestrengheid betoont, nu sinds 1 januari 1993 alle grenscontroles op het goederenverkeer tussen de lidstaten werd afgeschaft en dit aanleiding heeft gegeven tot een grootschalige fraude die gepleegd wordt door malafide leveranciers en/of afnemers.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vijfde bis Kamer

Raadsheer:: Dhr. E. Lemmens

Griffier: : Dhr. L. Possemiers

Partij: : n.v. Limauto t. De Belgische Staat

Het voorwerp van de vordering en de eraan ten grondslag liggende feiten blijken uit het bestreden dwangbevel d.d. 3.5.1995 met bijgevoegd proces-verbaal d.d. 17.3.1995 en uit het bestreden vonnis (dat het door appellante tegen dit dwangbevel ingesteld verzet ongegrond verklaarde) en het hof verwijst daarnaar.

Appellante besluit tot de gegrondheid van het ingesteld verzet en geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het ingesteld beroep.


Appellante gaat er bij haar theoretische beschouwingen over de verzoenbaarheid van art. 39 bis W.B.T.W. en het K.B. nr. 52 van 29.12.1992 (met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de daarmee gelijkgestelde handelingen... op het stuk van de B.T.W.) met «de fundamentele beginselen van onze rechtsstaat, het Gemeenschapsrecht» aan voorbij dat zulke beschouwingen (en de daaruit volgens appellante voortspruitende noodzaak om bepaalde - zie p. 22 en 23 van haar conclusie in hoger beroep - prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie te stellen) enkel relevant kunnen zijn voor de oplossing van huidig geschil in zoverre de concrete feiten die aan de betwisting ten grondslag liggen daartoe aanleiding kunnen geven.

Het gaat er m.a.w. niet om het vanaf 1.1.1993 inzake B.T.W. in werking getreden van intracommunautaire leveringen theoretisch in het algemeen te analyseren, maar wel in functie van de concrete gegevens der zaak.

Zelfs in de theoretische analyse vermeldt appellante volstrekt onjuiste standpunten (die voor de verdere opbouw van haar redenering nochtans noodzakelijk zijn), met name dat het Gemeenschapsrecht niet zou toelaten dat van de verkoper een bewijs van intracommunautaire levering gevraagd wordt hooguit «... van de verkoper kan verwacht worden dat de koper doch intentie heeft de goederen naar een plaats buiten België, maar binnen de Gemeenschap te brengen.».

Ook in de wetgeving die van toepassing was vóór 1993, gold het principe dat de verkoper die zich op een vrijstelling van B.T.W. beroept het bewijs dient te leveren dat aan de voorwaarden van vrijstelling voldaan is.

De verkoper moet het recht op vrijstelling bewijzen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende documenten. De documenten aangehaald in het K.B. nr. 52 zijn ondermeer bestelbonnen, vervoerdocumenten, betalingsdocumenten, contracten, verklaringen van de afnemer. Dit is geen limitatieve opsomming, waarbij geen enkel specifiek document op zichzelf voldoende of onontbeerlijk is. Het bestaan van een intracommunautair vervoer kan dan ook bewezen worden door alle middelen van recht, uitgezonderd de eed.

Het is niet onredelijk dat de fiscus bij de beoordeling van de bewijzen enige gestrengheid betoont, nu sinds 1.1.1993 tevens alle grenscontroles op het goederenverkeer tussen de lidstaten werd afgeschaft en dit aanleiding heeft gegeven tot een grootschalige fraude die gepleegd wordt door malafide leveranciers en/of afnemers.

In casu dient met de eerste rechter vastgesteld te worden dat voor de litigieuze 26 verkopen van voertuigen (tussen 18.3.1993 en 26.4.1993 voor een bedrag ad 11.460.530 fr.) slechts een «exportverklaring» van de Luxemburgse afnemer bestaat, terwijl uit de beschikbare vervoerdocumenten - die door appellante als afzender ondertekend werden - blijkt dat de goederen bestemd waren voor «Citroën Namur Est» en als plaats van levering «Namur» vermeld werd.

Aldus heeft geïntimeerde terecht besloten dat appellante de ingeroepen intracommunautaire leveringen niet bewees en derhalve niet kon genieten van de ingeroepen vrijstelling van B.T.W.

De navordering van 2.234.000 fr. B.T.W., vermeerderd met de in het dwangbevel vermelde rente, blijft na hernieuwd onderzoek door dit hof dan ook gegrond bevonden.

Art. 70 en art. 84, tweede lid B.T.W.-wetboek staan er niet aan in de weg dat de door een administratieve geldboete, met repressief karakter, getroffen B.T.W.-plichtige een beroep instelt dat hem ertoe in staat stelt door een rechter te laten toetsen of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie moet in acht nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt.

In casu stelt appellante «dat zij er onwetend van was dat de door haar aan een firma in het G.H. Luxemburgse verkochte wagens in werkelijkheid België niet verlieten, nu zij schriftelijke verklaringen van de Luxemburgse afnemer in haar bezit had waarin gesteld werd dat de wagens door toedoen van deze afnemer naar het G.H. Luxemburg zullen gebracht worden, zodat Namen enkel een tussenstop zou zijn».

Geïntimeerde heeft geen verdere gegevens verstrekt m.b.t. de door de firma Citroën Namur Est aan de litigieuze wagens gegeven bestemming of m.b.t. de afnemer «Lamy».

In die omstandigheden is het niet bewezen dat de door appellante begane overtredingen begaan werden met het oogmerk belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, zodat geïntimeerde wel toepassing mag vorderen van de bij K.B. nr. 41 van 30.1.1987 bepaalde schaal van vermindering van de proportionele fiscale geldboete.

Het wordt door geïntimeerde niet betwist dat in casu deze verminderde proportionele geldboete 10% van de verschuldigde B.T.W. bedraagt, zodat de in het dwangbevel gevorderde boete ad 4.469.000 fr. herleid wordt tot 223.480 fr.

Gelet op het gelijk en ongelijk van beide partijen, blijven de gerechtskosten in beide aanleggen ten laste van de partij die ze gemaakt en/of begroot heeft.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de w et van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ten dele gegrond als volgt;

Wijzigt het bestreden vonnis en verklaart het door appellante tegen het dwangbevel d.d. 3.5.1995 ingestelde verzet enkel gegrond in zover dit een administratieve geldboete ad 4.469.000 fr. (in hoofdsom) oplegde en vermindert deze administratieve geldboete in hoofdsom tot tweehonderd drieëntwintig duizend vierhonderd tachtig frank (223.480 fr.);

Verklaart het verzet voor het overige ongegrond;

Laat de gerechtskosten in beide aanleggen ten laste van de partij die ze gemaakt en/of begroot heeft.