---
title: "Vrijstelling van belasting, uitvoer · Rechtbank van eerste aanleg, 4 december 2000"
description: "Vrijstelling van belasting, uitvoer, tweedehandswagens, bewijs, tweedehands auto. Rechtbank van eerste aanleg (België), 4 december 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-belasting-uitvoer-tweedehandswagens-bewijs-rechtbank-kortrijk-2000-12-04-5cc2"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling van belasting, uitvoer, tweedehandswagens, bewijs, tweedehands auto · vrijstelling van belasting - uitvoer - tweedehandswagens - bewijs

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Datum**

4 december 2000

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

220 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk dd. 04.12.2000**

*Vrijstelling van belasting*

*Uitvoer*

*Tweedehandswagens*

*Bewijs*

## Samenvatting

Uit het W.B.T.W. en de uitvoeringsbesluiten blijkt dat een belastingplichtige de realiteit van uitvoerverrichtingen op velerlei wijze kan aantonen. De bewijsmiddelen die in de B.T.W.-wetgeving zijn voorzien, zijn niet limitatief. Er is geenszins vereist dat de bewijsstukken die in de wet werden opgesomd, cumulatief moeten worden voorgelegd. De B.T.W.-voorschriften moeten evenwel aldus worden begrepen dat de belastingplichtige de uitvoerverrichtingen kan bewijzen middels één of meerdere bewijskrachtige stukken. Een uitvoeraangifte is daarbij geenszins een substantieel bewijs. Het is daarentegen wel het bewijsmiddel bij uitstek. Beweringen, loutere vermoedens of betwistbare getuigenissen zouden daarentegen niet volstaan als bewijs van de realiteit van uitvoer.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

In de zaak: 98/747/A

nv CARS n°1 - ANDRE JACQUES,

\- met vennootschapszetel te 8800 Roeselare, Meensesteenweg, 471;

\- ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer 116.526;

\- geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder nummer BE 435.336.790;

\- EISERES;

\- vertegenwoordigd door en pleitend Meester Henri Vandebergh, advocaat te 3550 Heusden-Zolder, Pater Beckersstraat, 10;

tegen;

DE BELGISCHE STAAT,

\- Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen;

\- in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor Roeselare wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat, 30;

\- VERWEERDER;

\- vertegenwoordigd door en pleitend Meester Francis Werbrouck, advocaat te 8800 Roeselare, Schierveldestraat, 33;

Gezien de dagvaarding-verzet aan verweerder betekend op 10 april 1998 door gerechtsdeurwaarder Joseph Gryspeert met standplaats te Izegem, waarbij eiseres verzet aantekent tegen het dwangbevel door verweerder op 4 februari 1998 uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de BTW-directeur te Brugge op 5 februari 1998 en betekend op 10 februari 1998.

De nietigverklaring van het dwangbevel wordt gevorderd, alsmede de ongegrondverklaring van de vordering van de Belgische Staat zodat ten aanzien van deze laatste de terugbetaling gevorderd wordt van het onder voorbehoud betaalde bedrag van 1.586.097 fr meer de wettelijke rente sedert de dagvaarding, alsmede van de kosten van het geding.

Bij besluiten neergelegd ter griffie op 30 december 1998 deed eiseres een eerste eisuitbreiding met een bijkomend bedrag van 1.481.923 fr wegens door verweerder na dagvaarding gedane inhoudingen op BTW-tegoeden aan eiseres.

Bij latere besluiten neergelegd ter griffie op 15 december 1999 deed eiseres een tweede eisuitbreiding waarbij terugvordering gevraagd wordt van een bedrag van 1.636.507 fr welke eiseres terug zou ontvangen van de administratie van de directe belastingen, doch waarop deze beslag legde.

De raadslieden van partijen hebben de zaak in openbare terechtzitting uiteengezet.

Partijen aanvaarden alle besluiten als deeluitmakend van het gerechtsdossier welke allen, alsook de stukken, werden nagezien.

## Probleemstelling

Eiseres is autohandelaarster en verkocht tussen 1993 en 1996 auto's aan kopers uit Polen die zich bij haar aanboden en contant betaalden.

De Polen namen de auto's en de uitvoerdocumenten mede.

Zij stuurden nadien deze documenten, voorzien van stempels naar beweerd wordt aangebracht aan de grens van het land van uitgang namelijk Duitsland, terug.

Soms stuurden zij deze niet terug.

Nadien stelt de BTW-administratie, ter gelegenheid van een controle in 1997, dat deze stempels vals waren en dat de uitvoer van de auto's niet bewezen was, zodat de vrijstelling van BTW bij uitvoer ([artikel 39 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39)) door de administratie niet aanvaard werd.

Eiseres betwist de bijzondere bewijskracht van de processen-verbaal met betrekking tot de valse stempels omdat louter voortgegaan wordt op de beweringen van buitenlandse collega's en het dus deducties betreft die deze bewijskracht niet bezitten.

Eiseres heeft voorts een onderzoek in Polen verricht en stelt via de Poolse ambassade bevestigingen bekomen te hebben dat de kwestige wagens allemaal in Polen in het wegverkeer zijn ingeschreven, wat volgens eiseres de realitieit van de uitvoer bewijst zodat het probleem van de valsheid volgens haar slechts een ondergeschikte of geen rol speelt.

De administratie stelt daarentegen dat de beweerde bewijzen van inklaring in Polen, namelijk "DOWODS", geen automatisch recht op vrijstelling zijn van BTW in hoofde van de Belgische verkoper en wijst op bepaalde anomaliën.

Gewezen wordt op andere overtredingen die het recht op vrijstelling van BTW zouden ontnemen, namelijk de identitiet van de koper volgens factuur verschilt van de persoon op wiens naam de goederen werden ingevoerd, de voertuigen werden niet uitgevoerd binnen de voorziene termijn, de verkoopfacturen werden niet opgesteld binnen de wettelijke termijn, telkenmale met de aanduiding van de facturen waarop de beweerde overtredingen betrekking hebben.

Verweerder betwist dat de voertuigen rechtstreeks werden uitgevoerd.

Voor een aantal van die facturaties werd een minnelijk akkoord afgesloten door het ondertekenen van een regularisatieopgave op 20 september 1997 (stuk 1 verweerder).

Voor andere werd geen akkoord bereikt ondanks het voorleggen van een aantal "DOWODS" en werd een proces-verbaal opgesteld op 24 december 1997, waarin de volgende sommen weerhouden worden:

1\. BTW wegens niet bewezen uitvoer: 1.376.945 fr;

2\. Boete gelijk aan tweemaal de BTW: 2.753.000 fr;

3\. Intresten conform [art. 91 § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91).

## Beoordeling

## 1. De interne wetgeving met betrekking tot de vrijstelling wegens uitvoer

Eiseres beroept zich op de vrijstellingsregel wegens uitvoer vervat in [artikel 39 § 1, 2° BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39), welke bepaalt dat van belasting zijn vrijgesteld "de levering van goederen die door de voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de gemeenschap..."

[Artikel 39 § 3 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) stelt onder meer dat de Koning de voorwaarden bepaalt die moeten worden nageleefd om voornoemde vrijstelling te verkrijgen.

In die zin bepaalt het K.B. nr. 18 van 29 december 1992 in dit verband als volgt in het eerste hoofdstuk:

> " Eerste afdeling: uitvoer van goederen door of voor rekening van de verkoper - Vrijstelling ingesteld bij [artikel 39 § 1, 1° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39).
>
> 2\. Een kopie van de verkoopfactuur of, bij ontstentenis van een verkoopfactuur, een verzendingsstuk dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat, moet worden afgegeven op het douanekantoor waar, overeenkomstig de douanereglementering inzake uitvoer, een aangifte ten uitvoer moet worden ingediend.
>
> 3\. De verkoper van de goederen moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt; hij moet ze ieder verzoek van de met controle belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn, onder meer, de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken alsmede de aangifte ten uitvoer bedoeld in artikel 2.
>
> Tweede afdeling: goederen afgehaald door de niet in België gevestigde koper of voor zijn rekening - Vrijstelling ingesteld bij [artikel 39 § 1, 2° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39).
>
> 5\. § 1. De vrijstelling ingesteld bij [artikel 39 § 1, 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) van het Wetboek is van toepassing onder voorbehoud van de bepalingen van § 3 en van afdeling 4.
>
> § 2. De niet in België gevestigde koper die zelf in België goederen in bezit neemt, moet bij de inbezitneming aan zijn in België gevestigde verkoper een ontvangstbewijs afleveren. Het aan de verkoper af te leveren ontvangstbewijs moet, benevens de datum van afgifte en de omschrijving van de goederen, het land van bestemming vermelden.
>
> Hetzelfde document moet worden afgeleverd aan de verkoper wanneer de goederen in België in bezit worden genomen door een derde persoon die handelt voor rekening van de niet in België gevestigde koper. Het bedoelde document moet in dat geval worden afgeleverd door deze persoon die erin verklaart te handelen voor rekening van zijn opdrachtgever.
>
> 6\. De bepalingen van de artikeln 2 en 4 zijn van toepassing op deze vrijstelling. Het bewijs van uitvoerd moet door de verkoper worden geleverd overeenkomstig artikel 3 onafhankelijk van het stuk voorgeschreven door artikel 5, § 2.
>
> De verkoper wordt pas van zijn verantwoordelijkheid ontslagen indien hij kan bewijzen dat de goederen onder de gestelde voorwaarden werden uitgevoerd.".

## 2. Enkele principes met betrekking tot de bewijslast

Alhoewel de administratie de principiële toepasselijkheid van de BTW-Wetgeving op een bepaalde handeling moet bewijzen (artikel 59 § 1), kan niet getornd worden aan het algemeen principe (ook reeds onder het regime der taksen) dat vrijstellingen uitzonderingsbepalingen zijn en dat hij die ze inroept moet bewijzen dat de voorwaarden voor toepassing ervan voldaan zijn.

Deze principes worden in het BTW-Wetboek aangevuld door het instellen van een aantal wettelijke vermoedens die aldus de taak van de administratie ten zeerste verlicht.

De principiële bewijslast anderzijds van de administratie wordt omgekeerd voor wat betreft de vaststellingen die genoteerd worden in een proces-verbaal en indien een aanslag ambtshalve wordt gevestigd.

De processen-verbaal opgesteld door de BTW-ambtenaar gelden tot bewijs van het tegendeel, althans wat betreft de werkelijke vaststellingen van de ambtenaren die er in worden beschreven en hebben dus geen bewijskracht voor deducties.

Voorts mag de fiscus zich niet beperken tot loutere beweringen en moeten de bewijzen op wettige wijze verkregen zijn en dienen de rechten van de verdediging gerespecteerd blijven.

Weze tenslotte benadrukt dat ongeacht de bewoordingen van [art. 59 § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) in fiscaal recht de bewijsvoering in principe althans vrij is en het er uiteindelijk op aan komt de waarheid te ontdekken.

Ingevolge de Belgische BTW-Wetgeving (art. 2) maakt de levering van voertuigen door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bewarende titel in België verricht, de Belgische BTW in principe opeisbaar.

De levering van een goed vindt plaats daar waar het ter beschikking gesteld wordt van de verkrijger ([artikel 15 § 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15)).

Artikel 16 bepaalt voorts dat de levering plaats vindt "te lande" wanneer het goed zich op het tijdstip van de levering binnen het Rijk bevindt.

Behoudens tegenbewijs moet het goed geacht zich binnen het Rijk te bevinden als één van de bij de levering betrokken partijen in casu de verkoper, namelijk eiseres - er een zetel van beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd, wat in casu het geval is.

Tenslotte dient verwezen naar het wettelijk vermoeden vervat in [artikel 64 § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) dat bepaalt dat hij die goederen verkrijgt om ze te verkopen behoudens tegenbewijs geacht wordt de door hem verkregen goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

In toepassing van voornoemde principes staat vast dat het bewijs dient geleverd te worden door eiseres dat zij in de voorwaarden valt om te kunnen genieten van de vrijstelling vervat in [artikel 39 § 1, 2° BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39).

Dat eiseres de bewijslast inzake vrijstelling op zich draagt wordt door deze principieel niet betwist.

De betwisting bestaat evenwel hierin dat partijen het oneens zijn over:

•de omvang en de inhoud van de bewijsvoering;

•de vorm van deze bewijsvoering en het al dan niet verplicht naleven van formaliteiten waarvan sprake in het K.B. nr. 18.

Eiseres stelt dat zij het bewijs van vrijstelling wegens uitvoer bewijst door 2 elementen:

1) uitvoerdocumenten afgestempeld aan de Duits-Poolse grens;

2) geattesteerde verklaringen van de Poolse ambassade of andere officiële Poolse instanties.

3\. Verweer nopens de toepassing van de BTW en de beweerde illegaliteit van het K.B. nr. 18 en het gemeenschapsrecht (zesde richtlijn).

Vooraleer in te gaan op de problematiek van de al dan niet valse stempels op de uitvoerdocumten beroept eiseres zich op de exceptie van illegaliteit van de bewijsvoering voorzien in het K.B. nr. 18 voornoemd.

Het verweer van eiseres is kort geschetst als volgt:

1\. Voorwaarden die niet in de wet staan.

Eiseres verwijst naar de bewoordingen van artikel 15, 2° van de zesde E.E.G.-richtlijn inzake BTW welke nagenoeg overeenstemmen met de bewoordingen van [artikel 39 § 1, 2° BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) en stelt dat het voldoende is om vrijstellingen te bekomen dat de goederen door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper "verzonden of vervoerd" worden naar een plaats buiten de gemeenschap, wat aldus eiseres een "beweging" inhoudt waaromtrent nergens bepaald wordt dat deze beëindigd dient te worden om van vrijstelling te kunnen genieten.

Het bewijs van de intentie van de koper zou aldus voldoende zijn.

## 2. Het K.B. nr. 18 schendt het intern en het gemeenschapsrecht

a) door in het K.B. nr. 18 te eisen dat de verkoper ten alle tijde de effectieve uitvoer dient te bewijzen, wordt [artikel 39 § 1, 2° BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) geschonden (conform 1. hiervoor is de intentie van de koper voldoende.

b) de ingewikkelde bewijsvoering voorzien in het K.B. nr. 18 waarbij de verkoper volledig afhankelijk is van de goodwill van de koper is strijdig met de bepalingen van [artikel 15 van de zesde BTW-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-15) welke de lidstaten toelaat om voorwaarden in te stellen om te komen tot een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstelling, quod non in casu, aldus eiseres.

c) het K.B. nr. 18 schendt het evenredigheidsbeginsel en maakt de vrijstellingsregeling moeilijk, zoniet onmogelijk.

d) de opgelegde bewijsvoering gaat in tegen de beginselen van rechtszekerheid, goede trouw en fairplay, gezien latere feiten en handelingen het stelsel van toepassing op het moment van de verkoop niet mogen beïnvloeden en een toepasselijk stelsel niet retroactief mag gewijzigd worden...

het feit dat de koper de goederen daadwerkelijk buiten de gemeenschap brengt kan maar post factum gecontroleerd worden, wat de goede trouw van de verkoper en de rechtszekerheid in het gedrang brengt.

e) minstens vraagt eiseres dat nopens deze problematiek een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie zou gesteld worden.

## 4. Het K.B. nr. 18 van 29 december 1992

De rechtbank wenst voorafgaandelijk op te merken, gezien de partijen dit niet doen, dat het K.B. van 29 december 1992 een nummer draagt, namelijk nummer 18 wat doet denken dat dit K.B. genomen is op grond van de wetten op de bijzondere machten.

Deze K.B.'s en de besluiten genomen bij hoogdringendheid houdt de toekenning van buitengewone machten (ook K.B. nr. 18 werd genomen bij "hoogdringendheid", gezien het wegvallen op 1 januari 1993 van de nationale fiscale grenzen) zijn normatieve bepalingen die in opdrachtwetten hun oorsprong vinden en die de rechter dan ook aan die opdrachtwetten mag en moet toetsen.

Dergelijke besluiten hebben een groter gezag dan dat van een uitvoeringsbesluit en de opdracht aan de Koning gegeven is ook ruimer.

Evenwel mag niet gesteld worden dat in die gevallen de Koning als wetgever optreedt, doch wel dat de opdracht van de hoven en van de rechtbanken alsdan niet zover reikt als deze voorzien bij artikel 107 van de Grondwet volgens welk artikel de rechter niet enkel moet nagaan of de gewone uitvoeringsbesluiten niet strijdig zijn met de uit te voeren wet, doch tevens met de Grondwet of met andere wetten.

In casu reikt het jurisdictioneel toezicht op de K.B.'s uitgevaardigd op grond van wetten op de bijzondere of buitengewone machten niet zo ver gezien de rechter in die gevallen enkel mag nagaan of die K.B.'s tot stand kwamen binnen de perken van de aan de Koning opgedragen bevoegdheid.

Bij de beoordeling evenwel van de bevoegdheid die op grond van art. 78 Ger.W. aan de Koning is opgedragen, moet uit artikel 25 van de Grondwet afgeleid worden dat, wanneer het om een materie gaat waarvan de regeling normaal bij de wetgever berust of die krachtens de Grondwet een bijzondere bescherming geniet, zoals belastingheffing, een beperkende interpretatie van de habilitatietermen zich opdringt.

## 5. De zesde BTW-richtlijn

Anderzijds beroepen partijen zich op de zesde BTW-richtlijn, inzonder artikel 15, welke bepaalt:

> "Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lidstaten vrijstelling voor de volgende handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstelling te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:
>
> 1° ...
>
> 2° de levering van goederen die door of voor rekening van een niet in het binnenland gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap...".

## 6. De interpretatiemethodes

Uit hogervernoemde uiteenzetting blijkt dat de rechtbank niet gerechtigd is na te gaan of het K.B. in kwestie strijdig is met de uit te voeren wet, de Grondwet of andere wetten.

Dit doet evenwel niets af van het principe dat de normen voortspruitende uit de Europese Gemeenschapsverdragen prevaleren op de nationale normen, welke ten andere eens door de Belgische wetten bekrachtigd, deel uitmaken van de Belgische fiscale wetgeving, zodat de Belgische rechtbanken het Verdrag dienen toe te passen.

De Belgische wetten moeten evenwel gelezen worden in het licht van die verdragen.

Met het oog op de harmonisatie van de wetgeving van de Lidstaten werd de zesde richtlijn voornoemd uitgevaardigd welke als de "Europese Grondwet" met uniforme grondslag voor het nationale BTW-systeem geldt.

Overeenkomstig het 2e lid van artikel 189 E.E.G.-Verdrag is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.

De Belgische wetgeving is dus bevoegd vorm en middelen te kiezen om het doel van de zesde richtlijn te bereiken, namelijk:

•juiste en eenvoudige toepassing van de richtlijn te verlenen;

•elke fraude, ontwijking en misbruiken te voorkomen.

De douaneunie is het fundament voor het vrij goederenverkeer (art. 9 en volgende E.E.G.-Verdrag).

Weliswaar speelt volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie steeds de rechterlijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel (H.v. J. 138/86).

In fiscaal recht verdienen bovendien tevens de beginselen van behoorlijk bestuur de nodige aandacht (redelijkheid, rechtszekerheid, goede trouw, fairplay etc.).

De nationale rechter moet de uitvoeringswet interpreteren in het licht van de bewoordingen en de objectieve doelstellingen van deze richtlijn (H.v.J. 14/83) zonder de algemene rechtsbeginselen van rechtszekerheid en het verbod van terugwerkende kracht in strafzaken te miskennen (H.v.J. 14/86 en 80/86), principes welke ook voor andere dan strafbepalingen, weze deze in huidig geschil, dienen weerhouden te worden.

Weze ook nog opgemerkt dat in het kader van het neutraliteitbeginsel van de BTW de uitvoeringswetgeving correcties dient te voorzien ten voordele van de belastingplichtigen ter goeder trouw (H.v.J. 342/87).

Wat het verzoek van eiseres met betrekking tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Internationale Hof van Justitie betreft, dient nu reeds gesteld dat deze slechts kunnen gesteld worden in zoverre het de interpretatie van het Europese Recht en controle van de geldigheid van het Europese recht zelf betreft.

Ook indien de rechtspraak van het Hof van Justitie soms terzake inschikkelijk is, kunnen derhalve in wezen geen prejudiciele vragen gesteld worden nopens de eventuele strijdigheid van het interne recht ten aanzien van het Europese recht.

Weze nogmaals benadrukt dat de douaneunie als Fundament geldt voor het vrij goederenverkeer (art. 9 en volgens E.E.G.-Vedrag dit wil zeggen verbod op en afschaffing van invoerrechten en uitvoerheffingen en alle maatregelen van gelijke werking op de goederenstroom tussen lidstaten.

De artikelen 12, 13 en 16 hebben rechtstreekse werking (H.v.J. 30/70, 18/71 en 77/72).

## 7. Nadere discussie omtrent omvang en vorm van de bewijslast en bewijsvoering

Nu zoals hoger uiteengezet een vrijstelling principieel een uitzondering vormt op de opeisbaarheid van de BTW met omkering van de bewijslast ten gevolge, is er geen aanleiding de bepaling van [artikel 39 § 1, 2° BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) ruim doch daarentegen strikt te interpreteren.

Het strookt ten andere met de geest van het verdrag en de letter van de richtlijn dat de loutere intentie van de koper onvoldoende is en de daadwerkelijke overtuiging van de goederen naar een niet-lidstaat uit te voeren een conditio sine qua nog vormt voor de vrijstelling.

De termen van de richtlijn "verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap" overstijgen duidelijk de loutere intentie van de koper.

Verweerder merkt ten andere terecht op dat de uitover als dusdanig niet zonder meer vrijgesteld is van BTW, doch de aanleiding is tot de vrijstelling voor de levering van goederen.

De realiteit van de uitvoer dient dus principaal door de Belgische verkoper bewezen te worden en dit is trouwens de traditionele opvatting terzake.

Het K.B. nr. 18 voegt dus in die zin principieel geen voorwaarden aan de wet toe zodat de exceptie van illegaliteit faalt.

In dezelfde rangorde van gedachten vergist eiseres zich door zonder nuance voor te houden dat de BTW niet van de verkoper doch rechtstreeks bij de koper moet geëist worden, wanneer niet kan bewezen worden dat de goederen de Gemeenschap verlieten in situaties wanneer de Belgische verkoper afhankelijk is van actie van de koper of stukken door de koper aan hem bezorgd of zou moeten bezorgen met verwijzing naar beginselen als rechtszekerheid, goede trouw, fairplay etc. en het principe dat het toepasselijk stelsel niet retroactief gewijzigd kan worden.

De realiteit van de uitvoer is één zaak (intentie is onvoldoende, cfr. supra) en de redelijkheid die naar aanleiding van bewijsvoering daaromtrent aan de dag moet gelegd worden, een andere zaak.

De stelling van eiseres zou er op neer komen dat de nationale wetgever geen enkele vormvereiste aan de verkoper zou kunnen opleggen met betrekking tot dit bewijs. Dit is uiteraard onjuist.

Dit standpunt is strijdig met [artikel 15 van de zesde BTW-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-15) die stelt dat de Lidstaten terzake vrijstelling verlenen onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en tevens om alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen.

Het is anderzijds evenzeer juist dat de nationale rechter er moet op toezien of de door de nationale wetgever voorziene sanctie wel voldoen aan het evenredigheidsbeginsel (H.v.J. 31.3.93, 197 Jur. 1993, I - 1663) en aan de andere principes die gehanteerd worden bij de interpretatie van het Europese recht terzake.

De nationale rechter moet de uitvoeringswet interpreteren in het licht van de bewoordingen en de objectieve doelstellingen van een richtlijn (H.v.J. 14/83) zonder de algemene rechtsbeginselen onder andere van rechtszekerheid en het verbod van terugwerkende kracht in strafzaken te miskennen (H.v.J. 4/86 en 80/86) beginselen die naast de beginselen van behoorlijk bestuur ook hier mogen getoetst worden.

Ook werd geoordeeld dat de nationale uitvoeringsrichtlijnen ter zake op de eerste plaats rekening dienen te houden met de doelstellingen van de richtlijnen en in de tweede plaats met het doel fraude te voorkomen (H.v.J. 127/86).

Ook al is de fraudebestrijding weliswaar in artikel 15 als mededoelstelling van de richtlijn voorzien, toch dient met voornoemde filosofie rekening te worden gehouden, onverminderd de toepassing van [artikel 27 van de BTW-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) n volgens dewelke een lidstaat gemachtigd kan worden door de Raad afwijkende maatregelen te treffen ten einde "de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of belastingontwijking te voorkomen".

Nu reeds kan gesteld worden dat conform [artikel 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-18-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-4882#ar18-art6) juncto [2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-18-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-4882#ar18-art2) van het K.B. nr. 18 "een copie van de verkoopsfactuur of bij ontstentenis van een verkoopsfactuur, een verzendingsstuk dat alle gegevens van een factuur bevat, moet worden afgegeven op het douanekantoor waar, overeenkomstig de douaneregeling inzake uitvoer, een aangifte ten uitvoer moet worden ingediend.", als bewijsmiddelen van uitvoer bij uitstek dienen te worden beschouwd.

Daarmede bedoelt de rechtbank dat het geenszins strijdig is met het proportionaliteitsbeginsel die stukken in een uitvoeringsbesluit als een vormvereiste op te leggen ten einde naar aanleiding van de aldus bewezen uitvoer vrijstelling te kunnen genieten.

Uit de tekstuele lectuur van artikel 2 in samenhang gelezen met artikel 3, welke het heeft over alle stukken, waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt ONDERMEER de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken, ALSMEDE de AANGIFTE van UITVOER bedoeld in artikel 2, blijkt dat:

\- de wetgever blijkbaar zelf niet vereist dat de opgesomde bewijsmiddelen een limitatieve lijst zou zijn zodat ook andere bewijsmiddelen gebruikt mogen worden zoald de 'DOWODS';

\- nog minder dat deze op straffe van verlies van het recht op vrijstelling wegens gebrek aan bewijs samen zouden moeten voorhanden zijn.

Spreekt de administratie ten andere zelf in conclusies met betrekking tot de andere stukken (dan de aangifte tot uitvoer) opgesomd in artikel 3 en 5 (ontvangstbewijs) niet van "aanvullende bewijsmiddelen" en stelt zij daarenboven zelf niet in conclusie dd. 8 april 1999 neergelegd ter griffie (p. 5 in fine) dat:

> "Niettemin neemt de BTW-administratie over het algemeen vrede met een regelmatige factuur en het behoorlijk geviseerd uitvoerdocument, indien er geen bedrog wordt vastgesteld".

en verder:

"De regelmatige factuur en de behoorlijk geviseerde douaneaangifte zijn geen absoluut bewijs van uitvoer:

De vrijstelling wegens uitvoer moet blijken uit een geheel van overeenstemmende documenten." (met verwijzing naar "aanvullende schriftelijke bewijzen - al dan niet opgesomd in het K.B. nr. 18 en met uitdrukkelijke verwijzing naar de 'DOWODS')

Het lijkt nogal paradoxaal enerzijds in de praktijk vrede te nemen met de documenten van artikel 2, waaronder de aangifte tot uitvoer en anderzijds te stellen dat deze geen absoluut bewijs leveren en het bewijs geleverd dient te worden door een geheel van documenten en deze dan nog niet te beperken tot de in het K.B. opgesomde.

Redelijkerwijze dient gesteld dat conform [artikel 15 van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-15) het niet strijdig is met het redelijkheidsbeginsel en met het doel van de richtlijn dat bij een uitvoeringsbesluit als voorwaarde van bewijs van uitvoer om vrijstelling te genieten formalisme geëist wordt in de zin dat een stuk of stukken moet of moeten voorgelegd kunnen worden waaruit de realiteit van de uitvoer blijkt.

De vrijstelling is immers een uitzondering.

Anderzijds is de rechtbank evenzeer van oordeel dat het K.B. geen hiërarchie inzake bewijskracht van de stukken heeft willen installeren (zie art. 3 ... "ondermeer") en deze, zoals de administratie ten andere zelf aanduidt inzake "DOWODS" geen limitatieve opsomming betreft en hoe dan ook stelt " vrede te nemen" met een regelmatige factuur en het uitvoerdocument, indien er geen bedrog werd gepleegd (zie infra).

Voornoemde vaststellingen doen de vraag rijzen of "de aangifte ter uitvoer" wel een substantiële bewijsvormvereiste is zoals verweerder blijkt te suggereren.

Juister en voorzichtiger is te stellen dat dit eerder het bewijsmiddel "bij uitstek" is.

Het K.B. nr. 18 dient wat de bewijsvoering van de realiteit van de uitvoer betreft zo begrepen te worden dat dit dient te geschieden middels één of meer bewijskrachtige stukken zoals opgesomd en eventueel aangevuld door andere stukken en dus niet door beweringen, loutere vermoedens of getuigenissen.

De rechter dient aldus de vrijheid te bewaren een of meerdere stukken in hun geheel naar hun bewijskracht te appreciëren in het licht van alle concrete feitelijke omstandigheden van de zaak die van geval tot geval kunnen verschillen en dit met toepassing van de beginselen van proportionaliteit en van behoorlijk bestuur (cfr. supra).

In het licht van voornoemde consideransen is de rechtbank van oordeel dat de in het K.B. opgesomde bewijsstukken" in abstracto beschouwd geenszins excessief te nomen zijn en niet strijdig zijn met het doel van de richtlijn welke tevens uitdrukkelijk fraudebestrijding beoogde.

Door de vaststelling dat anderzijds er geen vereiste is van het cumulatief voorhanden zijn van de in het K.B. opgesomde bewijstukken, kan dus evenmin gesteld worden dat de voorwaarden het tot stand komen van een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstelling in de weg zouden staan.

Dat de verkoper geen greep heeft op acties van de koper na de transactie kan uiteraard geen vrijpas zijn voor fiscale anarchie en het is niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel een of meerdere stukken te eisen welke de rechter naargelang van de feitelijke omstandigheden qua intrinsieke bewijswaarde en bewijskracht in redelijkheid zal appreciëren.

Zo werd reeds geoordeeld dat inzake autohandel met eerder dubieuze handelsmiddens waarbij de kopers in de Unie geen vaste of geen gekende handelsvestigingen hebben, zoals zigeuners de verkoper een meer dan normale voorzichtigheid aan de dag dient te leggen en best meer dan 1 bewijskrachtig stuk verwerft om zeker te zijn dat een voertuig de E.E.G. wel degelijk verlaten heeft.

In casu kan niet zomeer gesteld worden dat de handel met Poolse opkopers daarmede gelijkgesteld kan worden nu het eenmaal een feit is dat sinds het wegvallen van de Berlijnse muur de westerse behoeften naar het Oostblok binnensijpelen en aldaar een grote vraag nar betaalbare tweedehandswagens bestaat gezien er, bij gebrek aan betaalkrachtige burgers, geen markt voorhanden is voor nieuwe wagens vergelijkbaar met de onze.

Evenmin bewijst verweerder het tegendeel, in die zin dat binnen de rijksgrenzen de Polen op intense wijze auto's zouden verkopen.

Hoe dan ook bewijst verweerder evenmin dat eiseres aan dit laatste op enige wijze in concreto medegewerkt zou hebben.

De twijfel geldt in belastingzaken ten andere steeds in het voordeel van de belastingplichtige.

Daar waar de administratie bovendien in conclusies zelf steeds benevens de factuur in hoofdorde vrede te nemen met de aangifte tot uitvoer, vereist het beginsel van de rechtszekerheid dat aangenomen mag worden dat daarenboven geen excessieve bijkomende bewijslast mag toegevoegd worden (tevens toepassing van het vertrouwensbeginsel).

Hiernavolgend worden de voorgelegde aangiften tot uitvoer in concreto getoetst op hun bewijswaarde gezien dit nu eenmaal de bewijsmiddelen bij uitstek zijn waarmede zelfd de administratie, weliswaar "bij afwezigheid van bedrog" genoegen neemt.

## 8. Toetsing in concreto van de bewijswaarde van de uitvoerdocumenten met betrekking tot de beweerde valse stempels

Verweerder stelde in zijn proces-verbaal dat de stempels op de uitvoerdocumenten vals zijn en steunt daarbij op 2 processen-verbaal opgesteld dd. 26 februari en 24 juni 1997 (stukken 8 en 9 verweerder) door ambtenaren van de administratie der douanen en accijnzen, tewerkgesteld bij de administratie van de B.B.I. Antwerpen.

Beide partijen zijn het eens over het principe dat de processen-verbaal enkel de bijzondere bewijswaarde genieten voor de persoonlijke vaststellingen van de varbalisant en zich niet uitstrekken tot de deducties uit de gedane vaststellingen waarvoor de administratie weerom de bewijslast draagt.

De rechtsleer (zie H. Vandebergh - Taxatie en verweer inzake BTW - Kluwer p. 74) blijkt het begrip 'vaststellingen' evenwel strikt te interpreteren.

Indien bijvoorbeeld in een proces-verbaal vastgesteld wordt dat verklaringen of getuigenissen werden afgelegd, moet men inderdaad tot bewijs van het tegendeel aanvaarden dat dit inderdaad gebeurd is, doch men moet de inhoud van die getuigenissen nog niet als waarachtig beschouwen tot bewijs van het tegendeel.

De inhoud van de verklaring dient dus nog bewezen te worden door de administratie waaromtrent de rechter soeverein zal oordelen.

De vaststellingen in processen-verbaal dienen hoe dan ook controleerbaar te zijn en de stukken waarnaar wordt verwezen dienen door de fiscus te worden bijgebracht, waaromtrent meteen dient vastgesteld te worden dat geen enkele echte stempel materieel wordt voorgelegd zodat de rechtbank zelf de controle niet meer kan maken.

Het overnemen van de resultaten van het grondig onderzoek van de Duitse diensten door de Belgische ambtenaren kan bezwaarlijk als een persoonlijke vaststelling gelden en geniet niet de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal welke niet aan deducties kan gekleefd worden.

Dit Duitse onderzoek is ten andere volledig eenzijdig en zonder tegenspraak gebeurd zodat de rechten van de verdediging aldus geschonden werden al was het maar door de duidelijke afwezigheid van de "equality of arm".

Het is nogal unfair van te stellen dat een leek de vervalsing zo maar in een oogopslag zou moeten opmerken als bijvoorbeeld een verschil in de afronding van een cijfertype of een klein verschil met betrekking tot het adelaarstype van de verkoper, te meer hij nog nooit een echte stempel in de hand heeft gehad.

Daarentegen blijkt uit de uitvoerige stukken dat de Duitse diensten een uitvoerig vergelijkend onderzoek dienden uit te voeren middels computers, video-onderzoek en labotesten, arsenaal waarover de handelaar niet beschikt.

Deze vaststellingen bevestigen de consideransen met betrekking tot de afwezigheid van bijzondere bewijskracht inzake deducties nu de Belgische ambtenaren slechts tot het besluit van valsheid van de stempels konden komen door analyse van een uitvoerig technisch onderzoek dat niet door hen was geschied.

Zelfs indien men op grond van vermoedens zou kunnen aannemen dat de stempels vals zijn, gebiedt de redelijkheid dat rekening dient gehouden te worden met de goede trouw van de verkoper, die zich gezien zijn ondeskundigheid ter zake en de noodzaak van technische onderzoeken die voor hem onbereikbaar zijn, nagenoeg in een overmachtsituatie bevindt.

Weze opgemerkt dat verweerder geenszins stelt dat eiseres enig aandeel heeft in de valsheid, doch anderzijds stelt dat slechts "vrede kan genomen worden" benevens de factuur, met het uitvoerdocument " voor zover geen bedrog werd gepleegd".

Indien aldus op opmerkelijke wijze de administratie, weze het a contrario en op indirecte wijze aldus het begrip "goede trouw" inzake formeel bewijs hanteert, stelt verweerder anderzijds dat verkoper te goeder trouw inzake vrijstelling bot zou moeten vangen door de fout van de koper die bedrog pleegde.

Een redelijke toepassing van de principes die het gemeenschapsrecht schragen, alsmede de principes van behoorlijk bestuur verzetten zich tegen dergelijke hardheid.

Weze tevens terzijde opgemerkt dat in het kader van het neutraliteitsbeginsel van de BTW de uitvoeringswetgeving correcties moet voorzien ten voordele van de belastingplichtige te goeder trouw (H.v.J. 342/87).

De administratie heeft blijkbaar reeds vanaf 1995 en 1996 een doucmentatie aangelegd met betrekking tot de valse Duitse stempel terwijl de processen-verbaal terzake pas opgesteld werden in 1997 zodat de overheid terzake schromelijk aan haar informatieverplichting te kort is geschoten welke de verkoper had kunnen van dienst zijn bij de eventuele controle van de uitvoerdocumenten.

Dit alles te meer de vrijstelling van de fiscale grenzen nog maar pas sinds 1 januari 1993 een feit was.

De exceptie van valsheid kan niet ontvangen worden gezien de schending van de rechten van verdediging, minstens is zij wegens overmacht gegrond.

## 9. Toetsing in concreto nopens de Poolse "DOWODS" en andere stukken

Verweerder stelt in conclusies neergelegd dd. 24 september 1998 dat, in tegenstelling tot wat eiseres beweert, het niet voldoende is aan te tonen dat de voertuigen in kwestie naderhand in het verkeer in Polen werden gebracht.

Inzonder wordt bedoeld de Poolse "DOWOD"-documenten (inklaringsbewijzen) en bijhorende stukken (zoals inschrijvingsbewijzen).

Verwezen wordt naar een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 22 september 1997 welke een uiterst formalistische visie aankleeft.

Volgens de administratie is dit een stuk post factum en zouden de formele voorschriften reeds bij het inroepen van de BTW-vrijstelling dienen nageleefd te worden.

Hiermede vervalt de administratie enigszins in contradictie met haar eigen conclusies dd. 8 april 1999 neergelegd waar, na gesteld te hebben dat de administratie vrede neemt met een factuur en een fraudevrije aangifte tot uitvoer zelf, gesteld wordt dat een Poolse "DOWOD" gerekend kan worden tot de "aanvullende bewijsstukken", opgesomd in [artikel 3 van het K.B. nr. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-18-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-4882#ar18-art3) (zie hoger onze redenering omtrent het niet limitatieve karakter van de opsomming).

Een "DOWOD" is evenals andere stukken die niet opgesomd staan in [artikel 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-18-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-4882#ar18-art3) voornoemd, " een stuk waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt".

Het bewijs van de realiteit van de uitvoer is nog een andere zaak dan de vereiste dat, om van vrijstelling te kunnen genieten, de verkoper hoe dan ook op de verkoopfactuur de wettelijke reden moet vermelden waarom geen BTW wordt aangerekend, in casu de uitvoer.

Verweerder verwart een en ander.

De commentaren onder voornoemd arrest, verschenen in de Fiscoloog (stuk 5 verweerder) stellen zelf in fine en in weerwil van het arrest dat een strikte toepassing van de formaliteiten inzake BTW niet lijkt te stroken met de filosofie van het Hof van Cassatie en van het Hof van Justitie met betrekking tot de aftrek van BTW indien de factuur niet conform is met de voorschriften van het BTW-Wetboek.

De commentator vraagt zich terecht af waarom geen gelijkaardige soepelheid gehanteerd kan worden bij de toepassing van de vrijstellingen van het BTW-Wetboek, zoals ten andere reeds gesteld werd door de Minister van Financiën, in welke filosofie, zoals door ons reeds hoger uiteengezet geval per geval rekening dient gehouden te worden met alle feitelijke en wettelijke elementen (Fiskoloog nr. 635, p. 6).

Deze visie strookt het meest met het doel van de zesde richtlijn, namelijk een EENVOUDIGE TOEPASSING van de vrijstelling.

Dat men daarbij ook oog moet hebben voor het bestrijden van de fiscale fraude, doet geen afbreuk aan het hoofddoel voornoemd.

Ook indien beweerd wordt dat bepaalde van de Poolse stukken anomaliën vertonen, staat mede gezien de inschrijvingsbewijzen, hoe dan ook vast dat aldus in de geest van het verdrag en de richtlijn en het K.B. nr. 18 door die stukken bewezen is dat die voertuigen hoe dan ook de Unie verlaten hebben en effectief in Polen beland zijn zodat eiseres door stukken aan de formale bewijsvoering voldaan heeft.

De beweerde anomaliën hebben wellicht te maken met het feit dat de Polen hogere invoerrechten willen ontlopen, problematiek welke niets met de BTW-vrijstelling te maken heeft en alleen de kopers tegenstelbaar is, te meer de vermoedens terzake dat eiseres hieraan medegeholpen heeft door niets bewezen worden.

Nergens vereist [artikel 39 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) voorts dat de koper auto's rechtstreeks of binnen korte termijn na de aankoop zou moeten uitvoeren.

De bepalingen inzake D.I.V. en douane zijn in casu aan eiseres terzake niet tegenstelbaar.

## 10. Besluit

Uit de stukken blijkt dat eiseres door stukken bewijst dat alle voertuigen reëel in Polen beland zijn en dus uitgevoerd werden (ofwel blijkens Poolse documenten of door de uitvoerdocumenten).

Aan de formele bewijslast werd voldaan.

De verkoper was te goeder trouw zodat de hardheid van de bewijslast (problematiek valse stempels) getemperd dient te worden te meer in fiscale zaken de twijfel in het voordeel van de belastingplichtige speelt.

De vordering van eiseres is gegrond.

### Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Wijzende op tegenspraak.

Verklaart de vordering zoals uitgebreid ontvankelijk en gegrond.

Verklaart het dwangbevel nietig en verklaart de aanspraken van de Belgische Staat ongegrond.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van:

•de som van EEN MILJOEN VIJFHONDERDZESENTACHTIGDUIZEND ZEVENENNEGENTIG (1.586.097) FRANK, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 10 april 1998 tot de dag van betaling

•de som van EEN MILJOEN VIERHONDERDEENENTACHTIGDUIZEND NEGENHONDERD DRIEENTWINTIG (1.481.923) FRANK, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van inhouding tot de dag van betaling;

•de som van EEN MILJOEN ZESHONDERDZESENDERTIGDUIZEND VIJFHONDERD EN ZEVEN (1.636.507) FRANK, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van inhouding tot de dag van betaling.

Veroordeelt verweerder tevens tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van eiseres in besluiten neergelegd ter griffie op 15 december 1999 op 4.389 fr. kosten dagvaarding en 12.600 fr. rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op VIER DECEMBER TWEEDUIZEND.

Aanwezig:

B. DEVRIENDT, alleenzittend rechter,

G. HOEBEKE, griffier.

## Aangehaalde teksten

10

[WBTW art. 39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) 11 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 15](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-15) 3 voorkomens

[KB nr. 18 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-18-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-4882) 2 voorkomens

[KB nr. 18 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-18-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-4882) 1 voorkomen

[KB nr. 18 art. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-18-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-4882) 1 voorkomen

[WBTW art. 15](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) 1 voorkomen

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 1 voorkomen

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 27](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-351c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetverhoging, Vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetverhoging-vermoedens-vermoeden-hof-van-beroep-antwerpen-2022-03-29-4427) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd Kassasysteem, Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-wedersamenstelling-omzetcijfer-rechtbank-2020-05-13-cfbf) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-000e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Indiciaire afrekening personenbelasting, Akkoord voor personenbelasting, Wettelijk vermoeden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiciaire-afrekening-personenbelasting-akkoord-wettelijk-cassatie-brussel-2024-01-25-99db) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Afstandsverkoop, omzetberekening, margeregeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/afstandsverkoop-omzetberekening-margeregeling-rechtbank-gent-2025-11-20-db08) 3 gemeenschappelijke bepalingen
