---
title: "9 januari 2007 · Vrijstelling, andere vrijstelling · Hof van beroep te Gent"
description: "Vrijstelling, andere vrijstelling, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vervolging. Hof van beroep te Gent (België), 9 januari 2007."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-werkingssfeer-dienst-belastbare-hof-van-beroep-gent-2007-01-09-a06c"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, andere vrijstelling, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

9 januari 2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

100 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 09.01.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent – 5****e** **kamer – terechtzitting van 09-01-2007**

Nr. **2005/AR/2046**

in de zaak van :

**A. R. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …; met ondernemingsnummer …,

**appellante,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **L. R.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de E.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren zijn gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. S. L.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 5 augustus 2005 werd door de appellante tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 9 mei 2005 door de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge waarbij het verzet van de appellante tegen het dwangbevel uitgevaardigd door **E. D. D.**, eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Oostende op 24 november 2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 december 2003 door **R. L.**, waarnemend gewestelijk directeur te Brugge en ter kennis gebracht op 16 december 2003, slechts gedeeltelijk werd ingewilligd in die zin dat de opgelegde boete werd kwijtgescholden, dit alles met verwijzing van de appellante in de kosten van het geding.

Het hoger beroep van de appellante strekt er toe het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw wijzende in hoofdorde het dwangbevel van 24 november 2003 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert het hoger beroep af te wijzen als ongegrond. Tevens vordert de Belgische Staat bij incidenteel beroep de bestreden uitspraak teniet te doen derwijze dat het dwangbevel zijn volledige uitwerking heeft wat de hoofdsom, de boeten, de intresten en de kosten betreft.

## Feitelijke gegevens

Op 10 januari 2003 werd bij de appellante, wiens economische activiteit bestaat in de bemiddeling bij de aankoop, verkoop en verhuur van onroerend goed, een controle uitgevoerd op de toepassing van de BTW-Wetgeving en reglementering met betrekking tot de jaren 2000 en 2001. Eén en ander werd vastgelegd in een proces-verbaal opgemaakt op 17 oktober 2003.

Volgens dit proces-verbaal blijkt uit de voorgelegde boekhouding en de gevoerde publiciteit dat de door de appellante uitgevoerde economische activiteit uitsluitend bestond uit het ter beschikking stellen van een reeks appartementen, deels eigendom, deels gehuurd van derden aan vakantiegangers onder de benaming "**S. A.**"

De verhuring gebeurde aan maximaal vier personen, per week, weekend of midweek tegen een vastgestelde prijs inclusief verbruikskosten, taks en BTW, de eindschoonmaak was verplicht tegen een vergoeding van … BEF (…EUR). Er diende een waarborgsom van … BEF (… EUR) betaald te worden, bedlinnen en badhanddoeken moesten worden meegebracht of worden gehuurd tegen een bijkomende vergoeding. Keukenhanddoeken moesten eveneens worden meegebracht en kinderbed en -stoel alsook een parking konden worden bekomen of gehuurd tegen een bij komende vergoeding. De sleutels moesten de gasten ophalen bij aankomst of terugbrengen bij het einde van het verblijf in de receptie van hotel **A.**. Ook het gebruik van een ontbijt was daar mogelijk doch niet in het gebouw waar de studio's waren dat gelegen was aan de … te …. Beide gebouwen lagen één kilometer van elkaar verwijderd.

De administratie was van oordeel dat het hier ging om een onroerende verhuur als bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, a) BTW-Wet en niet om een dienst (hoteluitbating) zoals bedoeld in [artikel 18, § 1, tweede lid, 10° van het BTW­wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) (verschaffen van gemeubelde logies). De geïntimeerde leidde daaruit af dat de appellante, vermits zij in de uitoefening van haar economische activiteit louter handelingen stelt die van BTW zijn vrijgesteld ingevolge artikel 44, § 3, 2°, a BTW-Wet, geen recht op aftrek had zodat zij ten onrechte bedragen in aftrek had gebracht voor een totaal bedrag van … BEF (… EUR).

Volgens de geïntimeerde toonden de voorgelegde bewijsstukken onvoldoende aan dat de activiteiten van de appellante het karakter hadden van een hoteluitbating. De appellante was uit dien hoofde volgende bedragen schuldig :

\- BTW-rechten … EUR

\- proportioneel verminderde fiscale boete … EUR

\- intresten overeenkomstig [artikel 91, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) vanaf 21 januari 2002.

Aangezien geen vrijwillige betaling volgde werd op 24 november 2003 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 9 december 2003 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, op 16 december 2003 ter kennis werd gebracht en uiteindelijk op 13 januari 2004 werd betekend en waartegen verzet werd aangetekend op 27 januari 2004.

In haar fiscale vordering hield de appellante staande dat de verhuring van de studio's gelegen aan de … als hoteluitbating moest worden gekwalificeerd nu naast de verhuur van de gemeubelde logies tevens bijkomende diensten werden verschaft zoals de ontvangst van gasten, het onderhoud en de schoonmaak van de kamers, het verschaffen van linnen, eventueel het verschaffen van een ontbijt, de ter beschikking stelling van een parking, reinigen kledij, telefoon, enz… De appellante wijst er nog op dat in de huurprijs tevens waren inbegrepen de voorzieningen, die in het hotel **A.** werden aangeboden (sauna, fitness, solarium, nachtreceptionist, onderhoudsman).

De appellante laat ook nog gelden dat het dwangbevel niet de mogelijkheden vermeldt om hetzij beroep, verzet of bezwaar aan te tekenen zodat de wet op de openbaarheid van bestuur niet werd nageleefd. Zij meent ook dat het proces-verbaal nietig is omdat het niet werd ondertekend. Ondergeschikt vordert de appellante de compensatie tussen de beweerdelijk ten onrechte afgetrokken bedragen en de bedragen aan BTW die zij in de jaren 2000 en 2001 heeft afgedragen.

Behoudens op de kwijtschelding van de boete na werd de fiscale vordering van de appellante geheel afgewezen. Het dwangbevel werd niet nietig verklaard. Vervolgens werd geoordeeld dat niet de hotelservice maar wel het gebruik/genot van de studio's essentieel was, waardoor het ging om een gewone verhuur, die vrij gesteld is van BTW krachtens artikel 44, § 3, 2° BTW-Wet. Voorts werd de boete kwijtgescholden en werd gezegd voor recht dat de teruggave diende te gebeuren met toepassing van het KB nr. 4 van 29 december 1969.

In haar beroepsakte herneemt de appellante haar grieven. Zij benadrukt dat zo het gebruik/genot van de studio's essentieel is, het voldoende is dat een dienst in de prijs is begrepen om van de aftrek, van BTW te genieten.

Op zijn beurt vordert de geïntimeerde de bevestiging van het bestreden vonnis op het stuk van de nietigheid van het proces-verbaal, het dwangbevel, het recht op aftrek en teruggave en de hervorming van het bestreden vonnis op het vlak van de geldboete.

## Beoordeling

1\. In een voorafgaand middel stelt de appellante dat het dwangbevel nietig is aangezien in het proces-verbaal van 17 oktober 2003 en het dwangbevel van 9 december 2003 niet zou zijn medegedeeld wat de verhaalsmogelijkheden zijn.

Overeenkomstig artikel 2, 4° laatste zin van de wet van 11 april 1994 m.b.t. de openbaarheid van bestuur hebben inbreuken op de informatieplicht enkel voor gevolg dat de verjaringstermijn voor het instellen van het beroep geen aanvang neemt. Bovendien werd op 17 oktober 2003 ter gelegenheid van het toesturen van het proces-verbaal gezegd dat bij gebreke aan betaling een dwangbevel zal worden uitgevaardigd dat overeenkomstig artikel 89 BTW­Wet enkel kan worden gestuit door een vordering in rechte. Nu de rechten van de belastingplichtige niet werden geschaad en noch het BTW-wetboek, noch het gerechtelijk wetboek, noch de wet op het Openbaar Bestuur de nietigheid van het dwangbevel voorzien, is deze grief ongegrond.

2\. Evenmin kan een nietigheid worden weerhouden uit de omstandigheid dat het ter kennis gebrachte P. V. van 17 oktober 2003 niet ondertekend was. Er kan namelijk slechts één origineel, ondertekend exemplaar bestaan, dat dient bewaard te worden op het bevoegde BTW­ontvangkantoor. Door de met de invordering belaste ambtenaar wordt een voor eensluidend verklaard afschrift gevoegd bij het dwangbevel dat in uitvoering van artikel 85 BTW-Wet betekend wordt. Overigens worden op dit vlak geen grieven meer aangehaald door de appellante in haar beroepsakte.

3\. In hoofdzaak gaat de betwisting over het antwoord op de vraag of de dienstverlening van het verschaffen van gemeubelde logies valt onder onroerende verhuur zoals bedoeld in artikel 44, § 3, 2° BTW-Wet dan wel onder de uitzondering zoals bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, a, derde gedachtestreepje BTW-Wet (het verschaffen van gemeubelde logies in hotels, motels en inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend) of m.a.w. de activiteit van de appellante moet worden belast dan wel worden vrijgesteld.

Uitgangspunt bij de beoordeling is artikel 13 (B) van de Zesde BTW-richtlijn waarbij de onroerende verhuur wordt vrijgesteld.

*"B. Overige vrijstellingen*

*Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen :*

*\[...\]*

*b) verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van :*

*1.* *het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der Lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen;*

*2. verhuur van parkeerruimte voor voertuigen;*

*3.* *verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;*

*4. verhuur van safeloketten.*

*De Lidstaten kunnen nog andere handelingen van de toepassing van deze vrijstelling uitsluiten;*

*\[...\]*

Art. 44, § 3, 2° BTW-Wet heeft deze richtlijn omgezet naar Belgisch recht en luidt als volgt :

*"§ 3. Van de belasting zijn nog vrijgesteld :*

*\[…\]*

*2°* *de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 met uitzondering van :*

*a)* *de volgende diensten :*

\- *de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen;*

\- *de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen;*

*-* *het verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motels en in inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend;*

*-* *de terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen;*

Uit de lezing van deze tekst moet worden afgeleid dat de vrijstelling van onroerende verhuur beperkt is tot onroerende goederen uit hun aard alsook bij gebruik onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 BTW-Wet.

Inmiddels heeft het Hof van Justitie herhaaldelijk geoordeeld dat het begrip onroerende verhuur een communautair begrip is en een autonome interpretatie behoeft. In het arrest Temco (H.v.J., 18 november 2004,/*T.F.R.*, 2005, blz. 87 e.v.) wordt onder randnummer 19 gesteld dat het begrip verhuur van onroerende goederen in de zin van [artikel 13 B sub b van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) in wezen daarin bestaat dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (Goed Wonen, [C-326/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-326-99-arrest); arresten van 9 oktober 2001, *Mirror Group*, [C-409/98](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-98-arrest), *Jurispr.*, p. I-7175, punt 31, en *Cantor Fitzgerald International*, [C-108/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-108-99-arrest), *Jur.*, p. I-1257, punt 21; arrest van 8 mei 2003, *Seeling*, [C-269/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-269-00-arrest), *Jur.*, p. I-4101, punt 49 en arrest *Sinclair Collis*, reeds aangehaald, punt 25).

Alhoewel "de overeengekomen tijdsduur" een element is van een onroerende verhuur is de duur van de verhuur op zichzelf geen onderscheidend criterium aan de hand waarvan een overeenkomst tot verhuur van een onroerend goed kan worden gekwalificeerd. Een onroerende verhuur is een passieve activiteit die bestaat in het verlenen van een recht op een goed voor de overeengekomen duur ervan, waarbij de verhuurder zijn plicht nakomt door het laten verstrijken van de "overeengekomen duur". Daarvan moeten worden onderscheiden activiteiten die ofwel een zakelijk industrieel en commercieel karakter hebben zoals de uitzondering van [artikel 13B sub b punten 1 tot 4 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) of activiteiten die gericht zijn op een prestatie.

Een tweede kenmerk van de onroerende verhuur is de betaling van een vergoeding meestal huurprijs genoemd. Daarbij kan niet ernstig worden betwist dat de huurprijs o.m. bepaald wordt in functie van de grootte, de ligging, de staat, de bestemming van het onroerend goed en de overeengekomen duur.

Tenslotte onderstelt onroerende verhuur dat de huurder het gebruiksrecht krijgt van dit onroerend goed met uitsluiting van ieder ander persoon. Het betreft dus een exclusief gebruiksrecht.

Het hoeft weinig betoog dat gelet op bovenvermelde kenmerken er "prima facie" sprake is van een onroerende verhuur. De appartementen worden namelijk verhuurd voor een "overeengekomen duur" tegen een bepaalde "vergoeding" en de huurders hebben het exclusief gebruiksrecht. De appellante houdt echter staande dat benevens het materieel ter beschikking stellen van de studio door haar ook nog andere prestaties worden geleverd zodat het in haar ogen een belastbare ter beschikking stelling betreft met recht op aftrek.

De appellante verwijst daartoe naar de wetgever die het verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motels en in inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend (art. 44, § 3, 2° BTW-wet) als een belastbare ter beschikking stelling heeft aangemerkt.

Vraag is of voormeld artikel 44, § 3, 2° BTW-Wet ook toepasselijk is op onderhavige situatie. Volgens de aanschrijving nr. 17 van 8 augustus 1994 is de toepassingssfeer niet beperkt tot hotels en motels doch strekt zich ook uit tot inrichtingen die geregeld aan betalende gasten onderdak verlenen. De aanschrijving zelf heeft betrekking op instellingen die worden gekenmerkt door een permanente organisatie die al de materiële en menselijke factoren verenigt die het mogelijk maken aan gasten aan wie onderdak wordt verleend, diensten te verlenen zoals de ontvangst van de gasten, de terbeschikkingstelling van een gemeubelde kamer, het onderhoud en schoonmaken van de kamers, het verschaffen van huishoudelijk linnen en het eventueel verschaffen van een ontbijt.

Volgens een antwoord op de parlementaire vraag is belastingheffing mogelijk wanneer systematisch aan al de klanten een globale prijs wordt gevraagd voor het verstrekken van volgende diensten :

• het ter beschikking stellen van gemeubelde logies;

• het onthaal ter plaatse van gasten;

• minstens één van de bij komende diensten (onderhoud, schoonmaken, ontbijt... ).

Wanneer de bijkomende diensten niet worden verricht of na uitdrukkelijke vraag mits betaling van een prijstoeslag dan is volgens de administratie de ter beschikking stelling van gemeubelde logies een gewone verhuur.

Te dezen is er ter plaatse geen onthaal. De sleutels moeten afgehaald en terug gebracht worden in het hotel **A.**. De appartementen en het hotel lagen op 1 km afstand van elkaar. Voor het bedlinnen, de badhanddoeken, de keukenhanddoeken diende men zelf in te staan of wel kon men er over beschikken tegen een afzonderlijke meerprijs. Tijdens het verblijf gebeurde geen schoonmaak, wel gebeurde de eindschoonmaak opnieuw tegen betaling van een afzonderlijke meerprijs. Evenmin werden maaltijden ter plaatse verschaft of werd daarvoor een afzonderlijke ruimte voorzien. Het feit dat de gasten konden gebruik maken van bijkomende diensten die door het hotel **A.** werden verleend blijkt niet uit de concrete gegevens. Nog afgezien van het feit dat de voorgelegde folder dateert van januari 2004 moet ook het Hof vaststellen dat van de sauna, solarium en internet slechts gebruik kon worden gemaakt tegen bijkomende betaling. Van een inrichting die voor een globale prijs een aantal diensten verstrekt is dan ook geen sprake.

Ook de leer van de complexe handeling kan hier geen oplossing bieden. Een complexe handeling is een prestatie die uit meerdere elementen bestaat maar die toch als één handeling wordt beschouwd voor de toepassing van de BTW.

In het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is er sprake van één dienst ingeval een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl een of meer andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende diensten, die het fiscale lot van de hoofddienst delen. Aldus werd beslist dat een dienst moet worden beschouwd als behorend bij een hoofddienst, wanneer hij voor de klanten geen doel op zich is, doch een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (H.v.J., 22 oktober 1998, [C-308/96](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-308-96-arrest) en [C-94/97](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-308-96-arrest), Commissioners of Customs and Excise t. T.P. Madgett, R.M. Balchvin en The Howden Court Hotel, cijfer 24, www.curia.eu.int ).

Uit de hiervoor vermelde gegevens moet blijken dat het ter beschikking geven van "onderdak" essentieel is waarbij het gebruiksgenot van de studio's determinerend is. Voor zover er al andere prestaties worden geleverd zijn deze bijkomstig. Dit heeft voor gevolg dat voor de toepassing van de BTW er sprake is van onroerende verhuur waarop de vrijstelling van art. 44 ,§”, 2° BTW-Wet toepasselijk is.

4\. Nu de onroerende verhuur van studio's vrijgesteld is van BTW vordert de appellante de BTW terug die in het boekjaar 2000 en 2001 werd afgedragen aan de Belgische Staat omdat deze bedragen ten onrechte waren betaald aan de geïntimeerde nu hierboven werd beslist dat er geen belasting verschuldigd was op de uitgaande handelingen in hoofde van de appellante, hetzij … EUR voor het jaar 2000 en … EUR voor het jaar 2001.

De eerste rechter oordeelde dat de teruggave van de ten onrechte betaalde BTW moet gevraagd worden overeenkomstig de bepalingen van het BTW-wetboek en het K.B. nr. 4 van 29 december 1969, welk standpunt door de geïntimeerde wordt bijgetreden ook in het stadium van het hoger beroep. Dit houdt in dat een verbeterend stuk moet worden opgemaakt, dat dit stuk moet worden ingeschreven in een daartoe bestemd register en dat daarvan desgevallend een kopie aan de medecontractant moet worden overgemaakt.

De appellante beroept zich echter op de schuldvergelijking zoals bedoeld in artikel 1289 B.W.

De geïntimeerde herhaalt dat de teruggave gebeurt door opname van het bedrag in de periodieke BTW-aangifte. De geïntimeerde wijst er op dat de regeling inzake compensatie terug te vinden is in artikel 8(1), § 2, tweede lid van het K.B. nr. 4 d.d. 29 december 1969 en dat om de schuldvergelijking te kunnen toepassen de belastingschuld in hoofde van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, een schuldvordering moet zijn die zeker, opeisbaar en vaststaand is, hetgeen niet het geval is, al was het maar dat onderhavig arrest nog geen kracht van gewijsde heeft.

Nu de wettelijke voorschriften niet werden nageleefd kan in de huidige stand van zaken niet tot teruggave worden overgegaan.

5\. Door de geïntimeerde werd ook incidenteel beroep ingesteld omdat de eerste rechter de reeds verminderde boete geheel heeft kwijtgescholden, daar noch het BTW­Wetboek, noch het K.B. nr.41 van 30 januari 1987 voorzien in een dergelijke uitsluiting op principiële gronden.

Een BTW-geldboete t.b.v. … EUR, zelfs verminderd tot 10 %, is een straf in de zin van artikel 6 EVRM. Die geldboete heeft immers ontegensprekelijk een preventief en een repressief doel. Het Hof, als onafhankelijke rechterlijke instantie, moet de mogelijkheid hebben na te gaan of de opgelegde sanctie niet indruist tegen de algemene rechtsbeginselen, en namelijk of deze sanctie niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dus of de toegepaste boete in verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten. Te dezen blijkt echter uit de feitelijke gegevens dat de appellante te goeder trouw is en dat hoe dan ook de discussie principieel is en het nationaal niveau overstijgt.

Nu *"niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag kunnen ontsnappen"* (arrest Arbitragehof 22/99 van 24 februari 1999), moet de rechter ook de mogelijkheid hebben de opgelegde sanctie te matigen of ongedaan te maken.

In de gegeven voormelde feitelijke omstandigheden dient te worden aangenomen dat de opgelegde geldboete als sanctie onevenredig is en derhalve terecht werd kwijtgescholden door het bestreden vonnis.

### Beschikkend gedeelte

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger en incidenteel beroep toelaatbaar doch wijst beide af als ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Verwijst ieder van de ·partijen in zijn eigen hoger beroep en begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van de appellante :

• uitgavenvergoeding …. EUR

• rechtsplegingsvergoeding … EUR

\- aan de zijde van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in burgerlijke zaken, op **NEGEN JANUARI TWEEDUIZEND EN ZEVEN**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Aangehaalde teksten

8

[Zesde richtlijn 77/388 art. 13](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) 2 voorkomens

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 1 voorkomen

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

[C-108/99, arrest van 9 oktober 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-108-99-arrest) 1 voorkomen

[C-269/00, arrest van 8 mei 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-269-00-arrest) 1 voorkomen

[C-308/96 en C-94/97, arrest van 22 oktober 1998](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-308-96-arrest) 1 voorkomen

[C-326/99, arrest van 4 oktober 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-326-99-arrest) 1 voorkomen

[C-409/98, arrest van 9 oktober 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-98-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Hof van beroep te Gent, 27 september 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-gent-2011-09-27-0347) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Dienstprestaties, Mandaat, Mandataris, commissiecontract, Commissionair, Uitzondering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dienstprestaties-mandaat-mandataris-commissiecontract-hof-van-beroep-brussel-2015-10-29-09ac) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Toekenning van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen ,Onroerende verhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/toekenning-recht-beroepswerkzaamheid-oefenen-onroerende-hof-van-beroep-gent-2004-03-30-2b8d) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen;onroerende verhuur;belastbaar feit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/terbeschikkingstelling-bergruimte-opslaan-goederen-onroerende-rechtbank-brussel-2004-05-19-4683) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, andere vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-andere-hof-van-beroep-gent-2009-10-06-7a4e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Organisatie van rommelmarkten, Verleende diensten vormen een onafscheidelijk geheel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/organisatie-rommelmarkten-verleende-diensten-vormen-hof-van-beroep-brussel-2019-09-12-8506) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2011-04-19-92af) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, bewijs, controlemaatregel, werkingssfeer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-2003-10-14-968f) 3 gemeenschappelijke bepalingen
