---
title: "9 november 2007 · Vrijstelling, andere vrijstelling · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen"
description: "Vrijstelling, andere vrijstelling, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 9 november 2007."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-vervolging-geding-rechten-rechtbank-antwerpen-2007-11-09-7132"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, andere vrijstelling, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

9 november 2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

78 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 09.11.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negen november tweeduizend en zeven in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**M. V. E.**, adjunct-griffier.

In zake : AR nr. **06/6228/A**

**NV T. G. en zonen**, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met BTW-nummer BE …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

## EISENDE PARTIJ OP HOOFDVORDERING

## VERWERENDE PARTIJ OP TEGENVORDERING

\- verschijnende bij meester **T. L.**, advocaat, kantoorhoudende te …, …,

\- meester **T. L.** verschijnt eveneens loco meester **B. L.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

## VERWERENDE PARTIJ OP HOOFDVORDERING

## EISENDE PARTIJ OP TEGENVORDERING

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 5 oktober 2006,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 24 januari 2006,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 12 oktober 2007.

---

De hoofdvordering strekt ertoe de stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel Reg. 127/3205, uitgevaardigd op 30 augustus 2006 en uitvoerbaar verklaard op 5 september 2006, te bevelen overeenkomstig artikel 89, lid 2 W.BTW, dienvolgens het bestreden dwangbevel te vernietigen, eiseres op hoofdvordering te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde BTW, intresten, boeten en kosten, verweerder op hoofdvordering te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans vernietiging wordt gevorderd, en tot de kosten van het geding.

Bij conclusie, neergelegd ter griffie op 8 februari 2007, heeft verweerder op hoofdvordering een tegenvordering gesteld die ertoe strekt eiseres op hoofdvordering te veroordelen tot een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding van 500,00 EUR.

## Relevante feiten

Eiseres op hoofdvordering verwerkt ruw goud (mijnengoud) tot beleggingsgoud.

Bij de invoer van mijnengoud gold in beginsel een BTW-tarief van 21 %.

Na de verwerking tot beleggingsgoud was de levering van beleggingsgoud tot 1 januari 2000 onderworpen aan een BTW-tarief van 1 %; vanaf 1 januari 2000 werd de levering van beleggingsgoud vrijgesteld van BTW overeenkomstig artikel 44bis, § 1 W.BTW.

Sinds 16 juni 1987 beschikte eiseres op hoofdvordering - ingevolge haar aanvraag - over een vergunning om onder de daarin gestelde voorwaarden de wegens invoer verschuldigde BTW niet te voldoen op het tijdstip van de aangifte ten verbruik, mits die belasting als verschuldigde BTW werd opgenomen in haar periodieke BTW-aangiftes; hierdoor werd aldus een regeling ingevoerd waarbij de betaling van de bij invoer van goederen verschuldigde BTW werd verlegd naar de periodieke BTW-aangiftes, zodat die belasting niet meer aan de douane moest worden betaald.

Door deze vergunning werd de BTW in dezelfde aangifte als verschuldigde en als aftrekbare belasting opgenomen en ontsnapte eiseres op hoofdvordering aan de BTW voorfinanciering; volgens deze verleggingsregeling moest eiseres op hoofdvordering wel een forfaitair bedrag aan BTW vooruitbetalen op haar invoeren en was zij ertoe gehouden ieder jaar uiterlijk op 20 april het bedrag van de vooruitbetaalde belasting te herzien en de administratie op de hoogte te brengen van het resultaat van die herziening.

Vanaf 1 januari 1988 beschikte eiseres op hoofdvordering eveneens over een vergunning om bij de invoer van mijnengoud slechts een BTW-tarief van 1 % te berekenen; bij aangetekende brief werd aan eiseres op hoofdvordering bericht dat voornoemd BTW-tarief van 1 % bij de invoer van mijnengoud met ingang van 1 januari 2000 werd opgeheven.

Tot en met 31 december 1999 werd de invoer door eiseres op hoofdvordering van mijnengoud aldus onderworpen aan een BTW-tarief van 1 % en werd de levering door eiseres op hoofdvordering van beleggingsgoud eveneens onderworpen aan een BTW-tarief van 1 %; vanaf 1 januari 2000 werd haar invoer van mijnengoud onderworpen aan een BTW-tarief van 21 % en waren haar leveringen van beleggingsgoud vrijgesteld van BTW.

Bij aangetekende brief van 13 augustus 2004 heeft de administratie aan eiseres op hoofdvordering medegedeeld dat zij gehouden was uiterlijk voor 20 april 2004 het bedrag van de vooruitbetaalde belasting te herzien en de administratie op de hoogte te brengen van het resultaat van die herziening, doch dat zij tot dan hieraan geen gevolg had gegeven; eiseres op hoofdvordering werd verzocht om dit na te komen voor 1 september 2004 en eventueel het bedrag van de borg bij te storten indien dit bleek uit haar berekening; eiseres op hoofdvordering werd erop gewezen dat, bij een tekort in borg, de intresten en boeten al lopende waren vanaf 21 april 2004.

Bij aangetekende brief van 24 augustus 2004 antwoordde eiseres op hoofdvordering dat, rekening houdend met het reeds vooruitbetaalde bedrag van 236.662,96 EUR, een bedrag van 361.993,41 EUR diende bijgestort te worden en dat zij dit bedrag zal storten aan het bevoegde ontvangkantoor.

Bij aangetekende brief van 19 april 2005 verzocht eiseres op hoofdvordering echter om uitstel voor voornoemde bijkomende betaling van 361.993,41 EUR.

Bij aangetekende brief van 10 november 2005 deelde de administratie aan eiseres op hoofdvordering mede dat er nog steeds niets was gestort, dat zij er moet voor zorgen dat de toepassing van de vergunning correct verloopt voor iedereen, dat de niet-naleving van de vergunning normaal aanleiding geeft tot de intrekking ervan en werd er nogmaals op gewezen dat de intresten en boeten lopende waren vanaf 21 april 2004; tevens werd eiseres op hoofdvordering erop gewezen dat de herziening van 2005 nog niet binnen was en werd haar verzocht om dit tegen 17 november 2005 te bezorgen.

Bij aangetekende brief van 10 november 2005 berichtte eiseres op hoofdvordering dat, rekening houdend met voornoemd reeds vooruitbetaalde bedrag van 236.662,96 EUR, er dan een bedrag van 418.902,20 EUR diende bijgestort te worden.

Op 10 februari 2006 zag eiseres op hoofdvordering af van de vergunning inzake de verleggingsregeling waardoor zij recht had op teruggaaf van de reeds vooruitbetaalde belasting.

Bij proces-verbaal van 7 juni 2006 werd vastgesteld dat eiseres op hoofdvordering tot 20 januari 2006 gebruik heeft gemaakt van de vergunning om mijnengoud in te voeren met verlegging van heffing, doch dat zij op 20 april 2004 en 20 april 2005 en ook later de verschuldigde bijstortingen niet heeft gedaan; wegens dit tekort in betaling werden tot en met 10 februari 2006, zijnde voornoemde datum van verzaking aan de vergunning, de boete van 0,8 % per maand en de intresten van 0,8 % per maand berekend.

Volgens dit proces-verbaal en volgens het bestreden dwangbevel is eiseres op hoofdvordering 69.080,00 EUR als boete en 69.091,36 EUR als intresten verschuldigd.

Volgens eiseres op hoofdvordering was zij vanaf 1 januari 2000 geen borg meer verschuldigd aangezien vanaf dan de leveringen van beleggingsgoud vrijgesteld waren van BTW.

## Beoordeling

## Betreffende bet weren van de conclusie van verweerder op hoofdvordering, neergelegd ter griffie op 29 juni 2007

Op de terechtzitting van 12 oktober 2007 heeft de raadsman van eiseres op hoofdvordering de wering uit de debatten gevorderd van de conclusie van verweerder op hoofdvordering, neergelegd ter griffie op 29 juni 2007.

Verweerder op hoofdvordering heeft zich hieromtrent verdedigd op deze terechtzitting zodat de rechten van verdediging werden gerespecteerd.

Ingevolge het verzoekschrift bij akkoord van partijen, bij toepassing van artikel 747, § 2 Ger.W., gezamenlijk neergelegd, heeft de rechtbank bij beschikking van 24 januari 2007 bepaald dat verweerder op hoofdvordering zijn laatste conclusie uiterlijk op 28 juni 2007 diende neer te leggen.

Verweerder op hoofdvordering heeft zijn laatste conclusie slechts neergelegd ter griffie op 29 juni 2007 zodat deze conclusie aldus laattijdig werd neergelegd.

Eiseres op hoofdvordering tegen wie werd geconcludeerd in strijd met de contractuele regeling kan het verwijderen van die conclusie uit de debatten eisen (Cass. 1 juni 2001, R.W. 2002-03, 134).

Bij gevolg weert de rechtbank de conclusie van verweerder op hoofdvordering, neergelegd ter griffie op 29 juni 2007, uit de debatten.

## Betreffende de verschuldigdheid van de bijstortingen

Eiseres op hoofdvordering heeft uit vrije keuze geopteerd voor de verleggingsregeling en heeft bovendien uit vrije keuze ervoor geopteerd om slechts op 10 februari 2006 af te zien van deze regeling.

Door deze keuze moest eiseres op hoofdvordering bij de invoer van mijnengoud de verschuldigde BTW van 21 % niet meer betalen aan de douane en kon zij de BTW in dezelfde aangifte als verschuldigde en als aftrekbare belasting opnemen waardoor zij ontsnapte aan de BTW voorfinanciering.

Bijgevolg heeft eiseres op hoofdvordering uit vrije keuze tot 10 februari 2006 genoten van het stelsel van de verlegging van de heffing zodat het dan ook vanzelfsprekend is dat zij niet enkel van de voordelen kon genieten, maar dat zij eveneens de verplichtingen hiervan diende na te leven.

Indien eiseres op hoofdvordering meende dat dit stelsel voor haar niet meer voordelig was, kon zij hiervan onmiddellijk afzien door een brief ter verzaking op te stellen.

Bovendien dient te worden opgemerkt dat de vooruit te betalen som en de bijstortingen de BTW bij invoer, zijnde te dezen de door eiseres op hoofdvordering verschuldigde BTW van 21 % bij de invoer van mijnengoud, vertegenwoordigt die op voorhand dient te worden betaald en geenszins het karakter heeft van een garantie of van een borg.

Er kan geen sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel nu de belastingplichtigen, die opteren voor de verleggingsregeling, juist vooraf een bedrag aan BTW moeten vooruitbetalen op hun invoeren om het verschil in behandeling te vermijden met de belastingplichtigen, die niet opteren voor de verleggingsregeling; er zijn dan ook wettelijke redenen voorhanden om de belastingplichtigen, die opteren voor de verleggingsregeling, te verplichten vooraf een bedrag aan BTW vooruit te betalen; het feit, dat de levering van beleggingsgoud vrijgesteld is van BTW, is dan ook totaal niet relevant.

Bijgevolg kan er dan ook niet de minste twijfel over bestaan dat eiseres op hoofdvordering de bijstortingen verschuldigd was.

## Betreffende de boete en intresten

Zoals hoger vermeld hadden de door eiseres op hoofdvordering verschuldigde bijstortingen geenszins het karakter van een garantie of van een borg, doch vertegenwoordigden zij de door eiseres op hoofdvordering verschuldigde BTW van 21 % bij de invoer van mijnengoud die op voorhand diende te worden betaald.

De boete is ongetwijfeld voldoende gemotiveerd door onder meer de verwijzing naar KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, bijlage tabel G, afdeling 2, rubriek VIII, C, zijnde overtredingen in verband met de regeling van de verlegging van heffing en meer bepaald "niet­ tijdige betaling van de vooruit te betalen belasting" waarvoor als boete verschuldigd is, per maand vertraging, een percentage gelijk aan dat van de moratoire intrest dat is bepaald in artikel 91, § 1 W.BTW, te berekenen over het verschuldigde of nog verschuldigde bedrag.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat er geen boete van 100 % werd toegepast, zoals eiseres op hoofdvordering in haar conclusies stelt, doch wel van 0,8 % per maand, zoals bepaald in voornoemd artikel 91, § 1 W.BTW.

Eiseres op hoofdvordering heeft tot 20 januari 2006 gebruik gemaakt van de vergunning om mijnengoud in te voeren met verlegging van heffing en heeft dan ook van de voordelen hiervan genoten, doch heeft de verschuldigde bijstortingen niet gedaan zodat dergelijk misbruik uiteraard dient gesanctioneerd te worden.

Het staat ontegensprekelijk vast dat de toegepaste boete en intresten wettelijk zijn en in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

## Betreffende de tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding

Een tergend en roekeloos geding onderstelt een bewust misbruik van het geding of een werkelijk onverschoonbare lichtzinnigheid bij het gebruik ervan hetgeen te dezen bewezen is nu eiseres op hoofdvordering een totaal ongegronde procedure in werking heeft gesteld en op kennelijk ondoordachte wijze deze vordering heeft ingesteld, hetgeen een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding rechtvaardigt, die door de rechtbank naar billijkheid begroot wordt op 500,00 EUR.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Weert de conclusie van verweerder op hoofdvordering, neergelegd ter griffie op 29 juni 2007, uit de debatten.

Verklaart de hoofdvordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Verklaart de tegenvordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Veroordeelt eiseres op hoofdvordering tot betaling van de som van 500,00 EUR aan verweerder op hoofdvordering wegens tergend en roekeloos geding.

Veroordeelt eiseres op hoofdvordering tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder op hoofdvordering begroot op 364,41 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

**M.V. E.** **P. W.**
