---
title: "1 december 2009 · Vrijstelling, andere vrijstelling · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Vrijstelling, andere vrijstelling, recht op aftrek van belasting. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 1 december 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-recht-aftrek-belasting-rechtbank-brussel-2009-12-01-40bc"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, andere vrijstelling, recht op aftrek van belasting · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

1 december 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

106 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 01.12.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 35ste Kamer**

**A.R. 2001/871/A**

BTW

op tegenspraak

eindvonnis

In zake van :

met zetel te …, …,

**F. D.**, advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van het Btw-ontvangkantoor Halle, Zuster Bernardastraat nr. 32,

Verwerende partij :

Vertegenwoordigd door Mr. **J. B.** loco Mr. **J. H.**, advocaat met kantoor te …, …

In deze zaak, in beraad genomen op 3/11/2009, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

• de dagvaarding in verzet betekend op 10/01/2001;

• de beschikking houdende de bepaling van conclusietermijnen genomen in toepassing van art. 747 §2 Ger. W. dd. 6 mei 2008;

• de conclusies en samenvattende conclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie op respectievelijk 5/10/2001 en 4/08/2009;

• de conclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie, op 22/12/08;

• het bundel met stavingstukken van verwerende partij neergelegd ter zitting op 27/10/09;

• het bundel met stavingstukken van eisende partij, neergelegd ter griffie op 21/10/09;

• het bundel met stukken van verweerder, neergelegd ter zitting op 3/11/09;

Gehoord de partijen ter openbare zitting van 3/11 /2009 waarna, de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW.

N.a.v. een controle door de diensten van verweerder m.b.t de periode 1/01/1998 - 31/12/1999 werden door de optredende ambtenaar, althans naar zijn mening, inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling m.b.t. goederen en/of diensten die ook worden gebruikt voor bet verrichten van andere handelingen dan die waarvoor op grond van art. W.BTW aanspraak op aftrek bestaat.

Er werd een regularisatieopgave opgesteld die op 29/02/2000 voor akkoord aan de belastingplichtige werd verzonden.

Bij schrijven dd. 17/03/2000 liet eisende partij haar grieven m.b.t. die regularisatieopgave geworden.

Vervolgens kreeg eisende partij twee aanmaningen tot betaling waartegen ze d.m.v. gerechtsdeurwaardersexploot verzet aantekende. Deze zaak is momenteel hangende voor deze rechtbank, meerbepaald voor de kamer.

Omdat er geen akkoord tussen eisende partij en verweerder tot stand kwam stelden de diensten van verweerder een proces-verbaal op aangaande de overtredingen van de Btw-wetgeving en een proces-verbaal van vaststelling.

Op 27/12/2000 werd een nieuw dwangbevel betekend aan eisende partij.

D.m.v. dagvaarding betekend op 10 januari 2001 tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eisende partij strekt ertoe "de aanmaning tot betaling van 27.12.2000 te annuleren".

Eisende partij vordert m.a.w. de nietigverklaring van het dwangbevel betekend op 27 december 2000.

Zij vordert tevens de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

## 3. BEOORDELING

### 3.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist door verweerder.

Nu er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk verklaard te worden

Eisende. partij voert aan dat

de aan haar gerichte aanmaningen onregelmatig zouden zijn;

de fiscale administratie er ten onrechte van uitgaat dat eisende partij inzake BTW een gemengde belastingplichtige zou zijn .in de zin van are 46 §1 WBTW.

*M.b.t. de beweerde formele onregelmatigheid van de aan eisende partij gedane aanmaningen*

Eisende partij argumenteert dat alle aan baar gerichte aanmaningen gebaseerd zijn op een regularisatieopgave op grond van een correctieopgave die binnen de wettelijke termijn werd betwist en dus op het ogenblik van de verzending van de aanmaningen 'in betwisting', 'in onderhandeling' was, waardoor de aanmaningen nietig zouden zijn.

Verweerder antwoordt niet op dit argument.

Noch in conclusies, noch in samenvattende conclusies is enig antwoord of enige repliek terug te vinden op dit argument.

Het dwangbevel, een buitengerechtelijke akte die door de Fiscale Administratie wordt aangewend om als uitvoerbare titel te gelden voor de invordering van staatsgelden, wordt uitgevaardigd door de ontvanger en client uitvoerbaar te worden verklaard door de gewestelijk directeur om vervolgens d.m.v. ter post aangetekende brief of d.m.v. gerechtsdeurwaardersexploot aan belastingplichtige te worden betekend.

De belastingplichtige kan zijn bezwaren tegen een vordering ter kennis brengen aan de Fiscale Administratie, zowel voor als na de betekening van een dwangbevel (VANDENBERGH, H., "De geschillenprocedure inzake BTW", Larcier, Gent, 2005, blz. 15 nr. 18).

Komen de Fiscale Administratie en de belastingplichtige niet uit een akkoord, dan wordt in principe een proces-verbaal opgesteld.

Ook daartegen kan de belastingplichtige een 'bezwaar' indienen bij de Administratie.

Komt het dan nog niet tot een akkoord dan wordt een dwangbevel uitgevaardigd.

Vermits de bezwaarprocedure in de BTW niet wettelijk bestaat en dus niet verplicht is, is de Fiscale Administratie ook niet verplicht eerst een bezwaar te beantwoorden alvorens een dwangbevel uit te vaardigen (VANDENBERGH, H., "De geschillenprocedure inzake BTW", Larcier, Gent, 2005, blz. 17 nr. 21 met verwijzing naar Rb. Bergen 5 mei 1987, BTW revue, 1998, nr. 83, 433.).

Het of de inzake betekende dwangbevelen kunnen zodoende niet nietig zijn om deze reden.

Dit middel van eisende partij is ongegrond .

*M.b.t. het argument dat de fiscale administratie er ten onrechte van uitgaat dat eisende partij inzake BTW een gemengde belastingplichtige zou zijn in de zin van* [*art. 46 §1 WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-46)*.*

Eisende partij voert aan dat de BTW, administratie verkeerdelijk stelt dat :

eisende partij voor 1998 geen handelingen zou hebben gesteld die opgesomd zijn in [art. 45 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45);

de voor de interesten inzake kredietverrichtingen die eisende partij ontving wel een belastingplicht is, maar dat deze interesten geen recht op aftrek van BTW geven aangezien de handelingen van het omvangen van interesten vrijgestelde handelingen zijn ingevolge art. 44 §3, 5° van het decreet;

de andere financiële opbrengsten van eisende partij, met name opbrengsten uit waardepapieren, inning van dividenden, interesten op termijnrekeningen en wisselresultaten in het beheer van het vermogen van eisende partij kaderen en niet de tegenprestatie zijn van een handeling binnen de werkingssfeer van de BTW en aan eisende partij niet de hoedanigheid van BTW belastingplichtige verlenen en evenmin een recht op aftrek.

Daarbij zou de Fiscale Administratie ten onrechte steunen op de circulaire nr. 10 van 26 juli 1965 omdat eisende partij naar haar oordeel geen bank of financiële instelling is als bedoeld in deze circulaire; en eisende partij ten onrechte als holdingmaatschappij kwalificeren.

Voorts meent eisende partij dat "het aanhouden van dividenden" door haar wel degelijk als een economische activiteit te beschouwen is die aanleiding geeft tot aftrek van BTW.

Tot slot argumenteert eisende partij dat de Fiscale Administratie zelf de kwalificatie van eisende partij als BTW bijdraagster erkende.

In art. WBTW wordt het principe van het recht op aftrek geregeld.

Wanneer de hoedanigheid van Btw-belastingplichtige met recht op aftrek en de hoedanigheid van Btw-belastingplichtige zonder recht op aftrek of niet-Btw-belastingplichtige in één en dezelfde persoon worden verenigd, dan is er sprake van een gemengd belastingplichtige.

In hoofde van een gemengd belastingplichtige wordt het recht op aftrek uitgesloten in de mate dat ingekomen goederen en diensten gebruikt worden voor de uitoefening van de activiteit welke buiten het Btw-stelsel is geplaatst.

[Art. 46 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-46) (en KB. nr. 3) bepalen hoe m.b.t. een gemengd belastingplichtige het recht op aftrek wordt toegepast (volgens het algemeen verhoudingsgetal of, in afwijking daarvan volgens het werkelijk gebruik).

Uit het dossier blijkt dat de inkomsten van eisende partij tijdens de gecontroleerde periodes als volgt zijn samengesteld :

dividenden,

opbrengsten uit waardepapieren, interesten,

wisselverrichtingen, vlottende activa (1999),

realiseerbare meerwaarden (1999),

Uit Europese rechtspraak blijkt dat volgende welbepaalde opbrengsten in elk geval uit het algemeen verhoudingsgetal moeten geweerd worden

\- Dividenden, vermits zij een louter gevolg zijn van het aanhouden van deelnemingen (geen inkomsten uit een economische werkzaamheid dus) (H.v.J., arrest SOFITAM, C 333/91; H.v.J. 20 juni 1991, zaak nr. C-90/60);

\- Bij uitbreiding geldt dit ook voor de verkoop van aandelen of participaties, wanneer dit gebeurt op dezelfde wijze als bij een particuliere investeerder;

\- Ook de enkele aan- en verkoop van andere verhandelbare waardepapieren vormen in dezelfde omstandigheden geen exploitatie van een zaak. De enige opbrengst van deze handelingen komt voort uit de eventuele winst bij verkoop. Een onderneming beperkt zich in zulk geval dan ook tot hetzelfde beheer als een particuliere investeerder;

\- Dezelfde principes gelden ook voor de opbrengst uit beleggingen in investeringsfondsen en uit obligaties.

De rechtstreekse kosten gemaakt om voormelde handelingen te stellen en/of inkomsten te verwerven verlenen dan wel geen recht op aftrek

Rente die ontvangen wordt kan niet automatisch uit het algemeen verhoudingsgetal uitgesloten worden. De rente is immers de rechtstreekse vergoeding voor de terbeschikkingstelling van kapitaal aan een derde en niet louter het gevolg van de eigendom van een zaak

Het Europese Hof van Justitie is van mening dat het verstrekken van een lening een economische activiteit vormt wanneer de terbeschikkingstelling van het kapitaal het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk is van een belastbare activiteit (bedrijfsmatige of met commercieel oogmerk verrichte handeling, streven naar een maximaal rendement van het kapitaal).

Volgens het Hof is dit aan de orde in de volgende gevallen :

\- De verstrekking van leningen tegen vergoeding door een holding aan vennootschappen waarin zij deelnemingen bezit;

\- De rente die een onderneming ontvangt op bankdeposito's of schatkistpapier, enz.

De opname van deze inkomsten in het algemeen verhoudingsgetal leidt in principe tot slechts een gedeeltelijke aftrek van Btw.

Financiële inkomsten die slechts ''bijkomstig” zijn - zelfs wanneer die kaderen in een economische activiteit - moeten niet in het algemeen verhoudingsgetal worden opgenomen) aldus de 6e Btw-richtlijn

Interesten van leningen dienen niet in de noemer van de breuk van het aftrekverhoudingsgetal te worden opgenomen wanneer de betrokken leningen niet kunnen worden beschouwd. als een economische activiteit in de zin van art 4, 2° van de 6de B.T.W. richtlijn (H.v.J., 14 november 2000, C-142-90).

Tot slot wijst de rechtbank erop dat het toekennen van een Btw-nummer niets te maken heeft met het recht op aftrek.

De vordering van eisende partij dient bijgevolg ongegrond te worden verklaard.

## 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij ontvankelijk is maar ongegrond, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partij.

Uit het dossier blijkt dat partijen liet erover eens zijn dat (in toepassing van de bepalingen van het KB dd. 26 oktober 2007) de rechtsplegingsvergoeding op € … dient te worden begroot.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **1 december 2009**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **M. L.** : rechter

Mevrouw **I. D.** : griffier.

**M. L.** **I. D.**

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 46](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-46) 2 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Percentage van het beroepsmatig gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-percentage-beroepsmatig-gebruik-hof-van-beroep-bergen-2023-05-31-09c2) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Verhoudingsgetal, Financiële handelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verhoudingsgetal-financiele-handelingen-rechtbank-hasselt-2021-02-04-167c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Beroepsmatig gebruik van het gebouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-beroepsmatig-gebruik-gebouw-rechtbank-bergen-2020-10-15-3d88) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Passieve of actieve holding, Externe dienstverlening (managementadvies)](https://juriel.be/nl/rechtspraak/passieve-actieve-holding-externe-dienstverlening-rechtbank-nijvel-2022-07-01-69ab) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Gemengde belastingplichtige, Organisatie van shows](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-gemengde-belastingplichtige-organisatie-rechtbank-brussel-2021-10-07-a652) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Gemengde belastingplichtige, Aftrek, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gemengde-belastingplichtige-aftrek-werkelijk-gebruik-rechtbank-luxemburg-2022-05-11-e285) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplichtige, Kwalificatie actieve en passieve holding, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplichtige-kwalificatie-actieve-passieve-holding-rechtbank-2024-02-05-1892) 2 gemeenschappelijke bepalingen
