---
title: "21 mei 2012 · Vrijstelling, andere vrijstelling · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge"
description: "Vrijstelling, andere vrijstelling, recht op aftrek van belasting, bewijs, controlemaatregel. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 21 mei 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-recht-aftrek-belasting-rechtbank-brugge-2012-05-21-456c"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, andere vrijstelling, recht op aftrek van belasting, bewijs · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

21 mei 2012

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

128 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 21.05.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :**

In de zaak **10/3579/A & 11/1469/A** rep. nr. **2012/5923**

**De NV D. V. V. F. V. A.**, met zetel gevestigd te …, … met ondernemingsnummer …

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **F. M.**, advocaat te …, … - **C 99** – (*ref 12264/FM-CL*)

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN**, Algemene Administratie van de inning en invordering, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het Ontvangkantoor BTW Brugge te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4

**verweerder,**

voor wie optreedt Mevrouw **M.-C. S.**, inspecteur bij een fiscaal bestuur

**in de zaak 11/1469/A**

**NV D. V. V. F. V. A.**, met zetel gevestigd te …, … met ondernemingsnummer …

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **F. M.**, advocaat te …, … - **C 99** – (*ref 12264/FM-CL*)

**tegen :**

NV **C.**, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een NV, met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

**verweerster,**

voor wie optreedt Meester G. M., advocaat te …, … - **C 144** – (*ref 18125/G/G/2012*)

## I. RECHTSPLEGING

### *1. in de zaak met AR nr. 10/3579/A*

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 18 november 2010.

### *2. in de zaak met AR nr. 11/1469/A*

Gelet op de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring d.d. 29 april 2011.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de in de zaak AR nr.10/3579/A overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 23 april 2012.

Artikel2 en volgende van de wet van15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**1.** NV De vrienden van **F. V. A.** (verder genoemd eiseres) is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van publiciteitsagentschap. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 16 juni 2005 werd door **P. L.**, adjunct-fiscaal deskundige bij de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, verbonden aan het vierde BTW-controlekantoor te Brugge, een controle gestart bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2004. Op verzoek van de boekhouder van eiseres werd de controle uitgevoerd op het kantoor van de boekhouder (zijnde verweerster op tussenkomst en vrijwaring).

Op 16 november2005 wordt door de boekhouder van eiseres bij volmacht een afstand van de gelopen tijd van verjaring ondertekend.

Op 20 oktober 2010 werden de overtredingen en vaststellingen voor de boekjaren 2002, 2003 en 2004 opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie is een onroerende verhuur ten onrechte gekwalificeerd als een belastbare terbeschikkingstelling. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 15.352,46 EUR, als geldboete1.530,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2005.

Op 26 oktober 2010 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 28 oktober 2010 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 28 oktober 2010 aangetekend verzonden aan eiseres.

Door eiseres werd fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op16 november 2010.

Op 29 april 2011 heeft eiseres haar boekhouder gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring.

**2.** Eiseres vraagt in het inleidend verzoekschrift d.d. 16 november 2010 dat :

\- voor recht gezegd wordt dat de zaak verjaard is;

\- ondergeschikt gezegd wordt voor recht dat er wel degelijk sprake is van een actieve terbeschikkingstelling en eiseres derhalve geen BTW verschuldigd is;

\- de vestiging van de belasting afgewezen wordt wegens in strijd met het goed bestuur, minstens dat geen intresten kunnen worden gevraagd ;

\- meer ondergeschikt voor recht gezegd wordt dat geen geldboete verschuldigd is, minstens de geldboete wordt opgeschort of uitgesteld;

\- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 2.000 EUR.

Eiseres vraagt in de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring dat :

\- verweerster in tussenkomst en vrijwaring dient tussen te komen in de zaak met AR nr. 10/3578/A (moet zijn 10/3579/A);

\- voor recht wordt gezegd dat voor zover een veroordeling wordt uitgesproken tegen eiseres, verweerster in tussenkomst en vrijwaring gehouden is eiseres te vergoeden in hoofdsom, intresten en kosten;

\- verweerster in tussenkomst en vrijwaring veroordeeld wordt tot de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding;

\- voorbehoud verleend wordt van alle bijkomende schade;

\- het vonnis uitvoerbaar wordt verklaard, spijts elk verhaal. zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

Eiseres vraagt in haar globaliserende besluiten d.d. 23 december 2011 dat :

\- akte verleend wordt aan eiseres van de procedure in valsheid en dienvolgens gehandeld wordt overeenkomstig de artikelen 895 e.v. Ger.W.;

\- nadien gehandeld wordt als naar recht;

\- de zaak ten gronde wordt uitgesteld tot na de valsheidprocedure.

**3.** Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

Verweerster in tussenkomst en vrijwaring vraagt dat de vordering in tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres veroordeeld wordt tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.320,00 EUR.

## III. BEOORDELING

### A. Betreffende samenvoeging

De zaak onder AR nr. 11/1469/A betreft een dagvaarding in tussenkomst in de procedure onder AR nr. 10/3579/A. De zaken zijn samenhangend in de zin van artikel 30 Ger.W. en worden dan ook gevoegd.

### B. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder op hoofdeis en verweerster in tussenkomst en vrijwaring voeren geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eisen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, zijn de hoofdeis en de eis in tussenkomst en vrijwaring toelaatbaar.

### C. Betreffende de grond

#### 1. volmacht

**1.1.** Er wordt aan de rechtbank een schriftelijke volmacht voorgelegd waarbij eiseres een volmacht geeft aan NV **C.** (zijnde haar boekhouder en verweerster in tussenkomst en vrijwaring). De volmacht is ondertekend door eiseres (zonder verdere vermelding van naam van diegene die ondertekend heeft) en door de boekhouder (zonder verdere vermelding van naam van diegene die ondertekend heeft). De volmacht vermeldt als datum 9 maart 2005.

In de volmacht is vermeld dat de lastgever (zijnde eiseres) aan de lasthebber (zijnde verweerster in tussenkomst en vrijwaring) uitdrukkelijk volmacht geeft om, ter gelegenheid van vragen om inlichtingen, berichten van wijziging van aangifte, berichten van aanslag van ambtswege, fiscale controles, zakelijke geschillen, verzoekschriften en briefwisseling, de lastgever te vertegenwoordigen en te verdedigen, voorlegging te doen van alle stukken, bindend te antwoorden op alle mondelinge en schriftelijke vragen, bindend controles af te sluiten met de belastingadministratie, BTW-administratie en met het AOIF. De volmacht geldt voor reeds uitgevoerde handelingen en toezichten, als ook voor toekomstige. De volmacht is geldig tot bij schriftelijke herroeping door de lastgever en vervangt en vernietigt alle voorgaande desbetreffend. De volmacht is opgemaakt in 5 exemplaren waarvan de lastgever verklaart 1 exemplaar te hebben ontvangen en de lasthebber verklaart 4 exemplaren te hebben ontvangen die bestemd zijn voor de BTW-administratie, de directe belastingen, het dossier van de lasthebber en diverse.

Een andere volmacht of een herroeping dan vermelde volmacht wordt niet voorgelegd aan de rechtbank.

Betwist wordt niet dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring is opgetreden als externe boekhouder van eiseres en dit tot en met einde 2010. Zo werden door verweerster in tussenkomst en vrijwaring de BTW-aangiften van eiseres ingediend.

**1.2.** Volgens eiseres is vermelde schriftelijke volmacht vals. De heer **C. D.** (die volgens verweerster in tussenkomst en vrijwaring de volmacht voor de lastgever heeft ondertekend) was sinds 9 februari 2005 (datum van publicatie in het Belgisch Staatblad) geen bestuurder meer van eiseres. Eiseres vraagt dan ook, alvorens wordt geoordeeld omtrent de grond van de zaak, toepassing van de valsheidsprocedure voorzien in de artikelen 895 Ger.W.

**1.3.** Een volmacht kan zowel schriftelijk als mondeling worden gegeven. Dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring wel degelijk over een volmacht beschikte blijkt alleen al uit het feit dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring de BTW­aangiften van eiseres gedurende jaren heeft ingediend en eiseres hiervan de gevolgen heeft aanvaard.

In verband met de controle en ten einde bindende akkoorden te kunnen afsluiten is blijkbaar een schriftelijke volmacht bezorgd aan verweerder. Verweerder mocht en kon ervan uitgaan dat de schriftelijke volmacht rechtsgeldig was. Verweerder wist immers dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring de boekhouder was van eiseres en dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring al een volmacht had (minstens om aangiften in te dienen). Het is niet de taak van verweerder om te controleren of de handtekening van de lastgever wel rechtsgeldig is. Verweerder kon ook niet weten wie juist de volmacht had ondertekend voor de lastgever en kon dus ook niet weten dat dit **C. D.** was (volgens verweerster in tussenkomst en vrijwaring).

Verweerder kon en mocht er dus op vertrouwen dat de volmacht die haar werd bezorgd rechtsgeldig was.

**1.4.** Een valsheidprocedure betreffende de volmacht is dan ook niet nuttig wat betreft de BTW-vordering van verweerder;

#### 2. afstand van verjaring

**2.1.** Een afstand van de gelopen tijd van verjaring werd op 16 november 2005 ondertekend door **J. C.**, afgevaardigd bestuurder van NV **C.** (zijnde verweerster in tussenkomst en vrijwaring), in de hoedanigheid van gevolmachtigde van eiseres.

**2.2.** De ondertekening van de afstand van gelopen tijd van verjaring is gebeurd na het verlenen van de schriftelijke volmacht door eiseres aan verweerster in tussenkomst en vrijwaring. Zoals reeds gesteld kon en mocht verweerder er op vertrouwen dat de schriftelijke volmacht rechtsgeldig was. De schriftelijke volmacht gaf aan de lasthebber (o.a.) de volmacht om eiseres te vertegenwoordigen en te verdedigen bij fiscale controles en het bindend afsluiten van controles met de BTW-administratie. De ondertekening door verweerster in tussenkomst en vrijwaring van de afstand van de gelopen tijd van verjaring is gewoon de uitvoering van deze bij volmacht toegekende bevoegdheid in het kader van de fiscale controle die was gestart op 16 juni 2005.

De afstand van de gelopen tijd van verjaring is derhalve rechtsgeldig.

**2.3.** Door de afstand van de gelopen tijd van verjaring wordt de verjaring gestuit ingevolge toepassing van artikel 83 W.BTW. Vanaf de datum van stuiting (zijnde 16 november 2005) begint een nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar te lopen. Binnen deze termijn werd de verjaring opnieuw gestuit door het dwangbevel d.d. 26 oktober 2010 en de kennisgeving ervan aan eiseres.

Er is dan ook geen sprake van verjaring.

#### 3. onroerende verhuur of terbeschikkingstelling

**3.1.** De betwisting tussen eiseres en verweerder gaat ten gronde over het feit of de 'terbeschikkingstelling' van de bedrijfsruimte gelegen te …, … door eiseres aan BVBA **A. en B.** als een onroerende verhuur dient te worden gekwalificeerd waarop de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW van toepassing is (standpunt van verweerder) of als een belastbare actieve terbeschikkingstelling (standpunt van eiseres).

**3.2.** Overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° W.BTW zijn van de belasting vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW, met uitzondering van (o.a.) de ter beschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen.

De vrijstellingsregeling voor onroerende verhuur vindt zijn oorsprong in de Zesde Richtlijn (Richtlijn nr. 77/388/EG) van 17 mei 1997. De Zesde Richtlijn stelt dat Lidstaten vrijstelling van belasting kunnen verlenen voor verpachting en verhuur van onroerende goederen.

Het Hof van Justitie omschrijft de verhuur van onroerende goederen als het door de eigenaar van een onroerend goed onder bezwarende titel en voor een overeengekomen tijdsduur aan de huurder verleende recht om dit onroerend goed te gebruiken en ieder ander het genot van dat recht uit te sluiten (H.v.J., 4 oktober 2001, [C-326/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-326-99-arrest), Jurispr. Blz. 1-6831). Volgens het Hof van Justitie moet de vrijstelling voor onroerende verhuur beperkend worden geïnterpreteerd en kan de vrijstelling enkel worden toegepast bij onroerende verhuur sensu stricto (H.v.J., 18 januari 2001, [C-150/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-150-99-arrest), *Jurispr.* blz. 1-493).

**3.3.** Uit het proces-verbaal d.d. 20 oktober 2010 blijkt dat eiseres verbouwingen heeft uitgevoerd aan het pand gelegen te …, …. Het pand wordt door eiseres gebruikt voor haar eigen activiteiten, maar het pand wordt ook ter beschikking gesteld aan gebruikers. Deze terbeschikkingstelling wordt door eiseres beschouwd als een aan BTW onderworpen activiteit. De facturen m.b.t. de terbeschikkingstelling werden geanalyseerd en de controlerende ambtenaar stelt vast dat nergens uit blijkt dat eiseres op actieve wijze andere diensten aan de gebruikers van het gebouw aanbiedt, die voor een andere kwalificatie in aanmerking komen dan een passieve terbeschikkingstelling of een onroerende verhuur. De vergoeding is door de gebruiker verschuldigd in verhouding tot het tijdsverloop. De gebruiker wordt in de mogelijkheid gesteld om zijn eigen activiteiten te ontplooien in het pand of de ruimte. Voor de verlener is het (op basis van de onderzochte bescheiden) van weinig belang op welke wijze de gebruikers van het gebouw onderling overeenkomen om elkaars volgens de overeenkomst toebedeelde ruimte te betreden of hoe het gemeenschappelijk gedeelte wordt aangewend.

Overeenkomstig artikel 59, § 1 W.BTW leveren de vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet bewezen is.

**3.4.** Uit artikel 45, § 1 W.BTW volgt dat de belastingplichtige zelf het bewijs moet leveren dat het door haar uitgeoefende recht op aftrek bestaat. Het is met andere woorden eiseres, en niet verweerder, die de bewijslast draagt dat de voorwaarden van het recht op aftrek vervuld zijn. Eiseres dient dus het bewijs te leveren van de aard van de geleverde diensten. Loutere beweringen bewijzen niet de aard van de dienst en toont dus niet aan dat de wettelijke voorwaarden tot aftrek van BTW vervuld zijn.

**3.5.** De rechtbank stelt vast dat eiseres, noch verweerder stukken voorleggen omtrent de ‘terbeschikkingstelling’ van het betreffende pand. Alhoewel eiseres ten gronde heeft besloten omtrent onroerende verhuur, legt zij geen enkel bewijs voor betreffende haar beweringen. De rechtbank kan dan ook enkel oordelen op basis van de vaststellingen die zijn opgenomen in het proces-verbaal. Op basis van de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal is de rechtbank van oordeel dat eiseres onder bezwarende titel en voor een overeengekomen tijdsduur aan de huurder (BVBA **A. en B.**) een recht verleende om dit onroerend goed te gebruiken en ieder ander het genot van dat recht uit te sluiten. Eiseres bewijst niet dat zij diensten verricht heeft en gefactureerd heeft die maken dat er geen sprake is van onroerende verhuur.

#### 4. goed bestuur

**4.1.** Het proces-verbaal dateert van 20 oktober 2010 terwijl de controle werd aangevat op 16 juni 2005. Volgens verweerder heeft hij ondertussen correctieopgave(n) opgesteld en aangedrongen op ondertekening. Verweerster in tussenkomst en vrijwaring betwist dit.

**4.2**. De rechtbank stelt vast dat er 2 verschillende en niet-ondertekende correctieopgaven worden neergelegd. Eén wordt neergelegd door verweerder en in deze correctieopgave zijn dezelfde cijfers vermeld als deze die vermeld worden op de afstand van de gelopen tijd van verjaring d.d. 16 november 2005. De cijfers zijn verschillend van de cijfers opgenomen in het proces-verbaal d.d. 20 oktober 2010. Een tweede correctieopgave wordt neergelegd door eiseres en volgens eiseres dateert deze correctieopgave van 12 mei 2010 (deze datum kan de rechtbank evenwel niet terugvinden op het betreffende stuk). De cijfers in deze correctieopgave zijn verschillend van de cijfers op de correctieopgave neergelegd door verweerder en ook verschillend van de cijfers opgenomen in het proces-verbaal d.d. 20 oktober 2010.

Vast staat dat verweerder vóór het dwangbevel dus minstens 2 correctieopgaven heeft opgemaakt die niet werden ondertekend door eiseres of haar gevolmachtigde.

De wet voorziet geen termijn binnen dewelke na een controle een proces-verbaal dient opgesteld te worden. De enige termijn die moet gerespecteerd worden is de verjaringstermijn. Zoals reeds gesteld is de verjaringstermijn gerespecteerd (mede door de stuiting die is gebeurd op 16 november 2005). Wettelijk gezien is er geen probleem met de periode tussen het starten van de controle (op 16 juni 2005), en het opstellen van het proces-verbaal (op 20 oktober 2010) en van het dwangbevel (op 26 oktober 2010). Verweerder heeft bovendien na de controle 2 correctieopgaven opgesteld.

**4.3.** Er is dan ook geen sprake van slecht bestuur of nalatigheid door verweerder.

#### 5. geldboete en intresten

**5.1.** Een boete van 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

**5.2.** Uit het proces-verbaal blijkt dat eiseres ten onrechte BTW heeft afgetrokken, zijnde 15.352,46 EUR over 3 jaar. De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuken vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete van 10 % beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 10 % is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

Op bovenvermelde gronden is er geen reden voorhanden om uitstel of opschorting van de boete toe te staan.

**5.3.** Verweerder kon niet weten dat eiseres (volgens haar bewering) geen kennis had van het feit dat zij BTW diende terug te betalen.

Uit de stukken van het dossier blijkt dat verweerder reeds op 16 november 2005 (zijnde de datum van de afstand van de gelopen tijd van verjaring) een correctieopgave had opgesteld (cijfers in de correctieopgave en in de afstand van de gelopen tijd van verjaring zijn dezelfde). Dat haar boekhouder mogelijks deze correctieopgave niet heeft meegedeeld aan eiseres, kan niet verweten worden aan verweerder. Voor verweerder was verweerster in tussenkomst en vrijwaring een gevolmachtigde met wie hij de fiscale controle kon afhandelen.

Zoals gesteld heeft verweerder wettelijk gezien ook niet te lang gewacht met het opstellen van het proces-verbaal. Er was een afstand van de gelopen tijd van verjaring getekend door de gevolmachtigde van eiseres.

#### 6. eis in tussenkomst en vrijwaring

**6.1.** Uit het dossier blijkt dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring een volmacht had van eiseres, minstens om de BTW-aangiften in naam van eiseres in te dienen. Verweerster in tussenkomst en vrijwaring heeft jaren en dit tot einde 2010 de BTW­aangiften voor eiseres ingediend, dit wordt niet betwist.

**6.2.** Volgens eiseres heeft zij pas met een schrijven d.d. 16 februari 2010 kennis gekregen van het feit dat zij BTW zou verschuldigd zijn.

Uit het dossier blijkt evenwel niet dat eiseres op dat moment vragen heeft gesteld aan verweerster in tussenkomst en vrijwaring of aan de administratie betreffende de herkomst van deze BTW-schuld. Uit niets blijkt dat eiseres verweerster in tussenkomst en vrijwaring op dat moment in gebreke heeft gesteld of gesteld heeft dat verweerster in tussenkomt en vrijwaring is opgetreden zonder volmacht.

Het is pas na de kennisgeving van het dwangbevel dat de advocaat van eiseres een briefwisseling begint met verweerster in tussenkomst en vrijwaring. Deze briefwisseling begint met vragen waarom de BTW-schuld niet is opgenomen in de boekhouding. Pas op 23 maart 2011 stelt de advocaat van eiseres voor het eerst dat de volmacht niet correct zou zijn. Dit is meer dan één jaar nadat eiseres volgens haar bewering kennis heeft gekregen van het bestaan van een BTW-schuld en bijna 5 maanden na de kennisgeving van het dwangbevel.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres er zich goed van bewust was dat zij wel degelijk aan verweerster in tussenkomst en vrijwaring een schriftelijke volmacht had gegeven om fiscale controles af te handelen. Toen eiseres de volmacht zag waarvan verweerster in tussenkomst en vrijwaring gebruik van had gemaakt, heeft eiseres getracht misbruik te maken van de datum die op de volmacht is gezet door verweerster in tussenkomst en vrijwaring.

Volgens eiseres beweert **C. D.** dat hij de volmacht niet heeft ondertekend, maar anderzijds stelt eiseres dat **C. D.** zich zou kunnen vergissen en dat de handtekening blijkbaar gelijkend is aan die van **C. D.**. Het verweer van eiseres spits zich vooral op het feit dat **C. D.** op 9 maart 2005 niet in België was en op dat moment geen bestuurder meer was. De rechtbank hecht dan ook weinig belang aan de bewering van eiseres dat **C. D.** de volmacht niet heeft ondertekend.

De datum van 9 maart 2005 op de volmacht is zeker geen vaste datum (artikel 1328 B.W.). De volmacht kan niet ondertekend zijn op 9 maart 2005 want **C. D.** was toen geen bestuurder meer van eiseres en hij verbleef op dat moment in Sri Lanka (vanaf 26 februari 2005 tot en met 19 maart 2005). De volmacht moet dus minstens ondertekend zijn vóór 26 februari 2005. Het is geloofwaardig dat, zoals gesteld door verweerster in tussenkomst en vrijwaring, de volmacht werd ondertekend door **C. D.** vóór 9 februari 2005 (waarom zou hij nog een volmacht ondertekenen terwijl hij wist dat hij geen bestuurder meer was) en dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring er later de datum heeft op vermeld. Op moment dat **C. D.** de volmacht heeft ondertekend (vóór 9 februari 2005), was hij nog bestuurder en kon hij rechtsgeldig een volmacht verlenen aan verweerster in tussenkomst en vrijwaring. Dat hij nadien geen bestuurder meer was, maakt de volmacht niet ongeldig. Eiseres heeft de volmacht ook niet herroepen.

Het verzoek voor een valsheidsprocedure wordt dan ook afgewezen.

**6.3.** Het feit dat verweerster in tussenkomst en vrijwaring een afstand van gelopen tijd van verjaring heeft ondertekend, maakt in haar hoofde geen fout uit. Zij had hiertoe een volmacht. De afstand houdt daarenboven geen schuldbekentenis in en eiseres heeft nog altijd de mogelijkheid gehad om zich ten gronde te verdedigen. Het proces­verbaal werd bovendien pas opgesteld op 20 oktober 2010.

### D. Betreffende de kosten

Gezien eiseres op hoofdeis en in tussenkomst en vrijwaring in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

Verweerder op hoofdeis wordt niet bijgestaan door een advocaat, waardoor hij geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.

De eis in tussenkomst en vrijwaring is in geld waardeerbaar. De waarde van deze eis situeert zich tussen 20.000 en 40.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 2.200,00 EUR bedraagt. Het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt 1.100 EUR. Door verweerster in tussenkomst en vrijwaring wordt een rechtsplegingsvergoeding gevraagd van 1.320,00 EUR, welk bedrag kan worden toegekend.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

**Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.**

**Voegt de zaken met AR nrs. 10/3579/A en 11/1469/A samen.**

**Verklaart de hoofdeis toelaatbaar doch ongegrond.**

Verklaart de eis in tussenkomst en vrijwaring toelaatbaar doch ongegrond

Veroordeelt eiseres op hoofdeis en in tussenkomsten vrijwaring tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder op hoofdeis begroot op 00,00 EUR en aan de zijde van verweerster in tussenkomst en vrijwaring begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.320,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **maandag, eenentwintig mei tweeduizend en twaalf**.

Aanwezig zijn :

**D. P. L.**, alleenrechtsprekend rechter;

**S. C.**, griffier.

**C. S.** **L. D. P.**

## Aangehaalde teksten

2

[C-150/99, arrest van 18 januari 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-150-99-arrest) 1 voorkomen

[C-326/99, arrest van 4 oktober 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-326-99-arrest) 1 voorkomen
