---
title: "11 april 2003 · Vrijstelling, andere vrijstelling · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen"
description: "Vrijstelling, andere vrijstelling, dienst, belastbare handeling, invoering van de belasting. Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 11 april 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-antwerpen-2003-04-11-ed4c"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, andere vrijstelling, dienst, belastbare handeling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

11 april 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

71 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 11.04.2003

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op elf april tweeduizend en drie in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**N. D.**, adjunct-griffier.

In zake : A.R. Nr. **00/2141/A**

**1. NV C. B.,**

ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met zetel gevestigd te …, ….

**2. NV C. L.,**

ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met zetel gevestigd te …, ….

**eisende partijen,**

verschijnende bij meester **B. B.** loco meester **J. D. C.** en loco meester **L. P.**, advocaten, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Turnhout 2, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **P. S.** loco meester **P. V. D. S.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

---

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 6 april 2000,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 18 september 2002,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 maart 2003.

---

De vordering strekt ertoe te zeggen voor recht dat de terbeschikkingstelling van het onroerend goed met opstaand bedrijfsgebouw en opslagruimte, gelegen te …, …, onder toepassing valt van de BTW en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Bij conclusie, neergelegd op 28 februari 2001, vordert verweerder te zeggen voor recht dat de verhuur van de bijgebouwde opslagruimte alsook de verhuur van het bestaande bedrijfsgebouw voor het geheel vallen onder toepassing van de vrijstelling zoals bepaald in artikel 44, § 3, 2° W.BTW en eisers te veroordelen tot de kosten van het geding.

## Relevante feiten

Bij handelshuurovereenkomst van 1 januari 1994 verhuurde eerste eiseres aan tweede eiseres een gebouw als bedrijfsruimte, gelegen te …, …, voor een jaarlijkse huurprijs van … BEF.

Verder werd op 1 september 1995 een "huurovereenkomst opslagruimte" gesloten waarbij in artikel 1 werd bepaald dat eerste eiseres een opslagruimte ter beschikking stelde van tweede eiseres, zijnde een gedeelte van de gebouwen, gelegen te …, …, dat zal dienen voor de opslag van goederen van tweede eiseres; de jaarlijkse huurprijs werd vastgesteld op … BEF.

Wegens de vernietiging van een gedeelte van het gebouw, dat het voorwerp uitmaakte van voornoemde handelshuurovereenkomst van 1 januari 1994, werd op 1 september 1995 in onderling overleg voornoemde jaarlijkse huurprijs van … BEF verminderd naar … BEF.

Op 4 juli 2000 heeft een BTW inspecteur voornoemde bedrijfsgebouwen bezocht en heeft hij vastgesteld dat :

\- de opslagruimte later werd opgericht en gebruikt werd voor de opslag van verpakkingsmateriaal,

\- men vanuit een kleine opslagplaats langs een deur in deze nieuwe opslagruimte komt,

\- de beide ruimtes gescheiden zijn door een deurbeslag met poort,

\- de opslagruimte bouwtechnisch gescheiden is van de vroegere bestaande constructie,

\- de bouwhoogte als ook de gebruikte materialen verschillend zijn,

\- ondanks de andere bouwconstructie deze opslagruimte deel uitmaakt van het handelspand van tweede eiseres.

Op 4 juli 2000 werd hiervan proces-verbaal van vaststelling opgemaakt door de BTW inspecteur.

## Beoordeling

De huidige betwisting heeft betrekking op de vraag of de opslagruimte (huurovereenkomst van 1 september 1995) samen met de bedrijfsruimte (handelshuurovereenkomst van 1 januari 1994), die beide deel uitmaken van een zelfde onroerend goed en onder één en dezelfde kadastrale legger geregistreerd zijn, globaal als een vrijgestelde onroerende verhuur dient beschouwd te worden (stelling van de administratie) of de terbeschikkingstelling van de opslagruimte daarentegen onderworpen is aan de BTW (stelling van eisers).

De rechtbank is niet gebonden door de juridische kwalificatie welke de partijen zelf aan de overeenkomst hebben gegeven, maar zij moet nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling was van de contracterende partijen; het doet bijgevolg niet ter zake dat eisers de overeenkomst van 1 september 1995 hebben gekwalificeerd als een huurovereenkomst waarin specifieke terminologie werd gebruikt zoals huurder, verhuurder, huur en huurprijs.

Krachtens artikel 18, § 1 W.BTW wordt onder meer als een dienst beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft :

9° de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen.

Als algemeen beginsel stelt artikel 2 W.BTW dat "de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn wanneer ze in België plaatsvinden."

De administratie, die de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW inroept, dient bijgevolg het bewijs te leveren dat eisers zich in de vereiste voorwaarden bevinden om het voordeel van de vrijstelling te kunnen genieten.

Op grond van artikel 172 Gec. G.W. kan slechts een vrijstelling of vermindering van belasting worden ingevoerd door een wet en dient alles wat essentieel is voor de vrijstelling of de vermindering door de wet te worden geregeld; individuele vrijstellingen of verminderingen zijn immers verboden.

Bovendien dienen de door wet ingevoerde vrijstellingen en verminderingen, op grond van het gelijkheidsbeginsel, restrictief geïnterpreteerd te worden.

Aangezien als algemeen beginsel BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, moeten de woorden "verhuur van onroerende goederen" strikt worden uitgelegd (HvJ 9 oktober 2001, F.J.F. 2002/3).

De administratie dient dan ook het bewijs te leveren dat eisers voldoen aan alle voorwaarden van de vrijstelling inzake de verhuur van onroerende goederen, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

Noch de zesde BTW-richtlijn noch het wetboek van BTW geven een definitie van het begrip "onroerende verhuur" zodat moet worden teruggegrepen naar het gemeen recht.

Volgens artikel 1709 BW moet onder verhuur verstaan worden de overeenkomst "waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een zaak te doen hebben gedurende een zekere tijd, en tegen een bepaalde prijs, die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen."

De onroerende verhuur en de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen verschillen door hun essentieel voorwerp.

Wanneer het essentiële voorwerp bestaat in het genot van een uit zijn aard onroerend goed, is de handeling een verhuur; wanneer het essentieel voorwerp daarentegen bestaat in de terbeschikkingstelling van bergruimte, wordt de handeling bedoeld in artikel 18, § 1, lid 2, 9° W.BTW.

In de overeenkomst van 1 september 1995 werden beperkingen opgelegd met betrekking tot het gebruik van het gebouw, namelijk :

\- eerste eiseres stelt ter beschikking van tweede eiseres een opslagruimte welke zal dienen voor de opslag van goederen,

\- tweede eiseres mag deze bestemming niet veranderen, noch geheel noch gedeeltelijk, op straffe van ontbinding van deze overeenkomst.

Gelet op deze beperkingen bewijst de administratie geenszins dat het genot van het gebouw het essentiële voorwerp is, zodat de overeenkomst van 1 september 1995 niet beschouwd kan worden als een onroerende verhuur.

Aangezien de administratie niet bewijst dat eisers zich in de vereiste voorwaarden bevinden om het voordeel van de vrijstelling inzake de verhuur van onroerende goederen te kunnen genieten, is de dienst inzake de terbeschikkingstelling van de bergruimte (overeenkomst van 1 september 1995) onderworpen aan de BTW, te meer nu - zoals hoger vermeld - de woorden "verhuur van onroerende goederen" strikt moeten worden uitgelegd.

Geen enkele wettelijke bepaling verhindert dat de terbeschikkingstelling van bergruimte, die nauw verbonden is met de verhuur van bedrijfsruimte (vrijgestelde onroerende verhuur) die beide deel uitmaken van een zelfde onroerend goed en beide gebruikt worden door tweede eiseres als handelspand voor een zelfde economische activiteit, aan de BTW onderworpen is.

Op 4 juli 2000 werd door de administratie vastgesteld dat de opslagruimte gebruikt werd als bergruimte, namelijk voor de opslag van verpakkingsmateriaal, en dat deze bergruimte zowel gescheiden is door een deurbeslag met poort als ook bouwtechnisch gescheiden is van de verhuurde bedrijfsruimte, zijnde de vrijgestelde onroerende verhuur, zodat het dan ook ontegensprekelijk vaststaat dat deze terbeschikkingstelling van de bergruimte aan de BTW onderworpen is.

## Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Zegt voor recht dat de terbeschikkingstelling van de opslagruimte, gelegen te …, … (overeenkomst van 1 september 1995), onderworpen is aan de BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot op heden door eisers begroot op … EUR rolrecht verzoekschrift en … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshave slechts vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

**N. D.** **P. W.**
