Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 15.12.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 07/3789/A Rep. nr. 2008/17232
de BVBA BND, aannemer, (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester J. S., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de Rekenplichtige van het 1e BTW-Ontvangkantoor te KORTRIJK, met kantoren gevestigd te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,
verweerder,
voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 10 december 2007.
De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 17 november 2008.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van aannemer. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 24 april 2007 werd door K. V., eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de BTW, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit van het controlekantoor Kortrijk, een controle uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2006.
Op 20 augustus 2007 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres ten onrechte de BTW op facturen van de huur van een hangaar, bureel en toonzaal in aftrek gebracht. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 6.468,84 EUR, als geldboete 640,00 EUR en intresten vanaf 21 juli 2006 op het BTW-bedrag.
Op 19 september 2007 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantdor te Kortrijk een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 24 september 2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. L., waarnemend gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 3 oktober 2007 betekend aan eiseres.
Op 10 december 2007 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd.
2. Eiseres vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- het dwangbevel nietig wordt verklaard, minstens onwettelijk of ongegrond wordt verklaard en voor recht gezegd wordt dat het dwangbevel geen enkel gevolg mag hebben;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door eiseres reeds betaalde bedragen, te vermeerderen met de moratoriumintresten;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 900,00 EUR.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 900,00 EUR.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. de BTW
1.1. De betwisting tussen partijen gaat in hoofdzaak over het feit of de overeenkomst tussen eiseres en BVBA N. D. als een onroerende verhuur dient te worden gekwalificeerd waarop de vrijstelling van artikel 44, § 3,2° W.BTW van toepassing is (standpunt van verweerder) of als een terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen bij toepassing van artikel 18, § 1, tweede lid, 6° W.BTW wat betreft de hangaar en als een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen bij toepassing van artikel 18, § 1, 6° W.BTW wat betreft het bureau met toonzaal (standpunt van eiseres).
1.2. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° W.BTW zijn van de belasting vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW, met uitzondering van (onder meer) de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen.
Conform artikel 18, § 1, tweede lid, 6° en 9° W.BTW zijn het verlenen van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen en de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen belastbare diensten.
De vrijstellingsregeling voor onroerende verhuur vindt zijn oorsprong in de Zesde Richtlijn (Richtlijn nr. 77/388/EG) van 17 mei 1997. De Zesde Richtlijn stelt dat Lidstaten vrijstelling van belasting kunnen verlenen voor verpachting en verhuur van onroerende goederen. Volgens het Hof van Justitie moet de vrijstelling voor onroerende verhuur beperkend worden geïnterpreteerd en kan zij enkel worden toegepast bij onroerende verhuur sensu stricto.
1.3. Uit het proces-verbaal d.d. 20 augustus 2007 blijkt dat BVBA N. D. de zustervennootschap is van eiseres. BVBA N. D. bezit vaste activa, zijnde gebouwen en materieel, welk zij “verhuurt” aan eiseres. Omtrent deze “huur” bestaan er geen schriftelijke overeenkomsten. Door BVBA N. D. worden facturen met BTW opgemaakt op naam van eiseres wat betreft huur hangaar, gebruik van bureel en toonzaal en huur materiaal + rollend materieel. De controlerende ambtenaar stelt dat de terbeschikkingstelling van de hangaar, bureel en toonzaal door BVBA N. D. aan eiseres in hoofdzaak inhoudt de passieve terbeschikkingstelling van ruimtes of oppervlakten in een gebouw, tegen vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop.
Overeenkomstig artikel 59, § 1 W.BTW levert een proces-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet bewezen is.
1.4. Uit artikel 45, § 1 W.BTW volgt dat de belastingplichtige zelf het bewijs moet leveren dat het door haar uitgeoefende recht op aftrek bestaat. Het is met andere woorden eiseres, en niet verweerder, die de bewijslast draagt dat de voorwaarden van het recht op aftrek vervuld zijn. Eiseres dient dus het bewijs te leveren van de aard van de ontvangen diensten. De loutere overlegging van facturen bewijst niet de aard van de dienst en toont dus niet aan dat de wettelijke voorwaarden tot aftrek van BTW vervuld zijn.
Wat betreft de hangaar omschrijft de dienstverlener de dienst zelf als “huur hangaar”.
Op geen enkele manier bewijst eiseres dat het een terbeschikkingstelling van bergruimte betreft in de zin van artikel 18, § 1, 9° W.BTW.
Wat betreft het bureau en de toonzaal stelt eiseres dat zij geen exclusief gebruik heeft van deze ruimten en dat BVBA N. D. prestaties van onderhoud en bewaking door derden voor deze ruimten betaalt. Eiseres legt hieromtrent evenwel niet het minste bewijs voor.
Noch legt eiseres bewijzen voor over hoe de gefactureerde bedragen zijn berekend.
Op basis van de vaststellingen in het proces-verbaal d.d. 15 december 2006 en het gebrek aan enig bewijs door eiseres oordeelt de rechtbank dat niet bewezen is dat de overeenkomst tussen eiseres en BVBA N. D. gekwalificeerd kan worden als een terbeschikkingstelling van bergruimten voor het opslaan van goederen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 9° W.BTW wat betreft de hangaar en als een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, 6° W.BTW wat· betreft het bureau met toonzaal.
2. de boete
2.1. In het fiscaal verzoekschrift vraagt eiseres de kwijtschelding of minstens een vermindering, van de boete.
2.2. Een boete van 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag en voor een totaal bedrag van 640,00 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
2.3. Concreet is de rechtbank van oordeel dat een administratieve boete gepast is. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat eiseres ten onrechte BTW heeft afgetrokken. Deze vaststellingen gelden tot het bewijs van het tegendeel. Er is geen tegenbewijs geleverd. De betwisting tussen eiseres en de administratie is geen puur theoretische betwisting. Zoals reeds gesteld is het eiseres die de bewijslast draagt dat de voorwaarden van het recht op aftrek zijn vervuld en eiseres heeft dit feitenbewijs niet geleverd.
De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.
2.4. De eis is ook op dit punt ongegrond.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
De waarde van de eis situeert zich tussen 5.000;01 en 10.000,00 EUR waarvoor het basis bedrag van de rechtplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 900,00 EUR bedraagt, zoals gevorderd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar, doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 900,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag vijftien december tweeduizend en acht.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. L. D. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.