---
title: "Vrijgestelde krediet bemiddelingsdienst · Hof van beroep te Brussel, 23 oktober 2018"
description: "Vrijgestelde krediet bemiddelingsdienst, vrijstelling inzake diplomatiek statuut, recht op teruggaaf. Hof van beroep te Brussel (België), 23 oktober 2018."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijgestelde-krediet-bemiddelingsdienst-vrijstelling-hof-van-beroep-brussel-2018-10-23-9ca5"
lang: "nl"
---

# Vrijgestelde krediet bemiddelingsdienst, vrijstelling inzake diplomatiek statuut

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

23 oktober 2018

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gemengd

## Tekst

181 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 23.10.2018

WF 801-15-13/010273

\[Gedeeltelijk gunstig voor administratie\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – vrijgestelde krediet bemiddelingsdienst – vrijstelling inzake diplomatiek statuut – recht op teruggaaf – onrechtmatige daad*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 44, §3, 5° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) – [art. 42, §3, 2° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-42) – [art. 77 § 1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) – [art. 77 § 1, 7° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) – art. 1382 B.W.

## Samenvatting

## 1)Feiten en voorgaande procedure

In 2011 en 2012 werden door de administratie bij de belastingplichtige controles uitgevoerd inzake de naleving van de btw-reglementering. Belastingplichtige was akkoord met de meeste bevindingen behoudens drie vaststellingen die werden opgenomen in het proces-verbaal, met name dienstprestaties uitgevoerd in het voordeel van Nv F., een regularisatie aan btw in hoofde van C. en een teruggaaf van btw inzake Nv D. Er werden in dat kader twee dwangbevelen uitgevaardigd en betekend aan de belastingplichtige. De dagvaarding dd. 9/1/2013 als verzet tegen de dwangbevelen werd door de eerste rechter ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

## 2)De procedure in hoger beroep

De belastingplichtige vraagt alvorens recht te doen, om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof en/of aan het Hof Justitie van de Europese Unie. In hoofdorde vordert zij de vernietiging van de opgelegde dwangbevelen, minstens de integrale terugbetaling vermeerderd met de moratoriuminteresten. In ondergeschikte orde, voor de regularisatie van btw in hoofde van C., te zeggen voor recht dat zij gerechtigd is op de teruggave van de btw voor maand januari 2007; voor de latere maanden een heropening van de debatten teneinde haar toe te laten het bewijs te leveren. Tenslotte vordert zij de veroordeling van de administratie tot een schadevergoeding ingevolge een fout conform art. 1382 e.v. B.W en tot betaling van alle kosten van het geding.

## *A.Inzake de vrijgestelde kredietbemiddeling*

De administratie betwist dat de dienstenprestaties tussen de belastingplichtige en de onderneming Nv F. te beschouwen zijn als een vrijgestelde kredietbemiddelingsdienst op grond van [Art. 44, § 3 , 5° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44). Zij is van mening dat de belastingplichtige als bemiddelaar ‘een groter dan normaal eigen belang’ heeft inzake de inhoud van de kredietovereenkomst tussen Nv F. en de klant-kredietnemer en meent bovendien dat de verrichte dienstenprestaties geen daadwerkelijke kredietbemiddeling inhouden maar tweeledig en van promotionele aard zijn.

Het hof volgt deze stelling niet. De administratie kan niet worden gevolgd wanneer zij dit eigen belang voor de belastingplichtige ziet als een mogelijkheid een goed te verkopen op afbetaling, waarbij de consument zonder dit krediet dit goed vermoedelijk niet zou hebben aangekocht of als een mogelijkheid tot klantenbinding, door het koppelen van een klantenkaart aan de kredietkaart. Het eigen belang voor de belastingplichtige bij de inhoud van de kredietovereenkomst tussen Nv F. en de klant dient immers te worden onderscheiden van het eigen belang dat de belastingplichtige heeft met betrekking tot (de inhoud van) de kredietbemiddelingsovereenkomst tussen haar en Nv F.

Naar het oordeel van het hof dienen bovendien de activiteiten van de belastingplichtige als één (complexe) dienst te worden beschouwd waarvan de vrijgestelde kredietbemiddeling de hoofddienst vormt.

***B.Inzake de regularisatie aan btw in hoofde van C.***

De belastingplichtige is van oordeel dat zij op grond van [art. 77 § 1,1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) recht heeft op de teruggaaf wegens teveel betaalde btw. Immers voor de verkoop aan militairen werd er niet verschuldigde btw aangerekend en voor de verkoop aan particulieren werd er twee maal btw aangerekend.

Het hof kan deze stelling echter niet volgen. Ondanks het feit dat de rechtsgrond van de terugvordering door de administratie wordt aanvaard en er tussen partijen geen discussie bestaat over het feit dat ‘een bedrag’ aan btw teveel is betaald, is het hof van oordeel dat de belastingplichtige het ‘passend bedrag’ aan teveel btw niet aantoont.

***C.Inzake de teruggaaf betreffende Nv. D.***

De belastingplichtige vordert een teruggaaf aan btw op grond van [art. 77 § 1, 7° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) voor creditnota’s die werden uitgereikt door haar leverancier voor de terugname van onverkochte goederen. Die creditnota’s zijn niet inbaar zijn wegens het faillissement van de leverancier.

De belastingplichtige meent dat [art. 77 §1,7° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) van toepassing is op aankoopsituaties. Een uitsluiting zou volgens haar een voorwaarde toevoegen aan de wet en een schending uitmaken van het gelijkheidsbeginsel, het neutraliteits-en het doeltreffendheidsbeginsel.

Het hof kan deze stelling niet volgen. Zij stelt dat [art. 77 § 1, 7° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) enkel van toepassing is op een partij die de btw aan de Staat heeft betaald en deze wil terugkrijgen omdat haar schuldvordering, bv. door een faillissement, is verloren gegaan. Er anders over oordelen, komt neer op een verkeerde lezing van het voormeld artikel.

Evenmin werd het gelijkheidsbeginsel en/of het neutraliteits- of doeltreffendheidsbeginsel geschonden. Het door de belastingplichtige ingeroepen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 maart 2007 (C-35/5) is bovendien niet relevant voor onderhavig geschil.

## *D.Inzake de vordering tot schadevergoeding*

De vordering tot schadevergoeding op grond van art. 1382 B.W. ingesteld door de belastingplichtige werd evenmin door het hof gevolgd. Aan de voorwaarden van art. 1382 B.W. werd niet voldaan. De administratie heeft immers enkel de btw-wetgeving toegepast.

Het hoger beroep van de belastingplichtige werd bijgevolg gedeeltelijk gegrond verklaard.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 23.10.2018**

Rol: 2015/AF/116

**C.B. N.V.,** met maatschappelijke zetel te …, ingeschreven met KBO-nummer 0448…., appellant, vertegenwoordigd door Mr. … , advocaat te …, vertegenwoordigd door Mr. …, advocaat te …,

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën Wetstraat 12, 1000 Brussel, op benaarstiging van de Adviseur Generaal-Gewestelijke Directeur, CENTRUM GROTE ONDERNEMINGEN BEHEER EN GESPECIALISEERDE CONTROLES (opvolger van het Controlecentrum Grote Ondernemingen) van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit (AAFisc), wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3351,

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën Wetstraat 12, 1000 Brussel, op benaarstiging van de Adviseur­ Eerstaanwezend Inspecteur (Ontvanger) van het Ontvangkantoor BTW - Brussel V opgegaan In Team Invorderingen Brussel 11 van de Administratie van de Inning en Invordering (AAM), wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3103, geïntimeerde, vertegenwoordigd door de heer …, Adviseur, de heer…, Attaché, mevrouw …, Attaché.

In deze zaak spreekt het hof, na beraad, het volgend arrest uit. De procedure

Gelet op de processtukken, Inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel" van 28 oktober 2014, dat niet werd betekend, waartegen hoger beroep werd aangetekend door appellante bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 3 april 2015.

Gezien de:

-syntheseconclusies van appellante neergelegd op de griffie op 15 juni 2016 en de synthese conclusie hoger beroep van geïntimeerde neergelegd op de griffie op 20 september 2016

-de stukken van appellante neergelegd op de griffie op 15 juni 2016 en het stuk van appellante neergelegd op de terechtzitting van 11 september 2018 en de stukken van geïntimeerde neergelegd op de griffie op 30 augustus 2018.

De zaak werd op de openbare terechtzitting van 11 september 2018 op tegenspraak behandeld.

## Feiten en bestreden beslissing

In 2011 en 2012 werden door de fiscale administratie op de maatschappelijke zetel van appellante controles uitgevoerd betreffende de toepassing van de wetgeving en de reglementeringen die van kracht zijn inzake btw.

Na afloop verklaarde appellante zich akkoord met de meeste bevindingen (stuk 18 appellante), behoudens drie vaststellingen die werden opgenomen In de processen-verbaal van 28 november 2011 en 7 december 2012 (stukken 1, 1bis, 2 en 2bis geïntimeerde).

De genoemde processen-verbaal hebben betrekking op dienstprestaties uitgevoerd In het voordeel van nv F. in de kalenderjaren 2008 en 2009, een regularisatie voor 179.242,09 euro In hoofde van C.B. SHAPE In het kalenderjaar 2008 en een teruggaaf van btw ten bedrage van 211.335,24 euro Inzake nv D..

Op 29 november 2011 werd op naam van appellante een dwangbevel btw, met artikelnummer 311.1128.31273 voor een bedrag van 1.102.892,59 euro (zijnde 799,519,79 euro btw, 79.510,00 euro boete en 223.862,80 euro interesten) uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd samen met het proces-verbaal van 28 november 2011 aan haar op 30 november 2011 ter kennis gebracht (stuk 1 appellante).

Op 11 december 2012 werd op naam van appellante een dwangbevel btw, met artikelnummer 312.1207.19271 voor een bedrag van 1.009.498, euro (zijnde 731.522,45 euro btw, 73.150,00 euro boete en 204.825,60 euro Interesten) uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd samen met het proces-verbaal van 7 december 2012 aan haar op 13 december 2012 ter kennis gebracht (stuk 2 appellante).

Op 9 januari 2013 dagvaardde appellante overeenkomstig artikel 89 W BTW geïntimeerde In verzet.

Bij vonnis van 28 oktober 2014 verklaarde de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel de vorderingen van appellante ontvankelijk maar ongegrond. Zij werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

Het door appellante neergelegde verzoekschrift In hoger beroep Is gericht tegen dit vonnis. In rechte

Vorderingen van appellante

Appellante verzoekt, alvorens recht te doen, de door haar in haar syntheseconclusies hoger beroep van 15 juni 2016 gesuggereerde prejudiciële vragen1 aan het Grondwettelijk Hof en/of aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.

In hoofdorde vordert appellante de voornoemde dwangbevelen te vernietigen, minstens de integrale terugbetaling te bevelen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten.

In ondergeschikte orde vraagt appellante, aangaande de betwisting met betrekking tot het dossier 'SHAPE, minstens voor recht te zeggen dat zij gerechtigd Is op teruggave van de btw voor de maand januari 2007; voor wat betreft de latere maanden vordert appellante de debatten te heropenen teneinde haar toe te laten het bewijs te leveren overeenkomstig dezelfde methodiek als voor de maand januari 2007.

Appellante vraagt geïntimeerde te veroordelen tot een schadevergoeding van 2.112.390,64 euro Ingevolge een fout conform artikel 1382 e.v. BW onder meer - doch niet uitsluitend - verband houdend met een foutieve toepassing van de fiscale wetgeving, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten te rekenen vanaf de datum van dagvaarding voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel.

Finaal vraagt appellante geïntimeerde te veroordelen tot betaling van alle kosten van het geding, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 16.500,00 euro in eerste aanleg en 18.000,00 euro In hoger beroep.

## Vorderingen van geïntimeerden

Geïntimeerde verzoekt het bestreden vonnis te bevestigen en appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van geïntimeerde begroot op 0,00 euro.

## Beoordeling

1\. De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Er zijn geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid, zodat het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk Is.

## *Dienstprestaties verricht voor nv F. in het kalenderjaar 2008 en 2009*

2\. Appellante stelt een overeenkomst te hebben afgesloten met nv F. op grond waarvan appellante zich ertoe verbindt om deze firma te vertegenwoordigen bij potentiële klanten met het oog op de toekenning van kredietkaarten en/of consumentenkredieten voor verkoop op afbetaling.

Appellante heeft In haar winkels standen geplaatst om haar klanten hieromtrent te Informeren en om de toekenning van de kredietkaarten en/of de consumentenkredieten praktisch te bemiddelen.

Volgens appellante ontvangen de geïnteresseerde klanten naast de nodige informatie tevens advies over welk type kredietkaart en/of consumentenkrediet voor hen geschikt Is. Zij kunnen vervolgens een aanvraagformulier Invullen.

Hoewel de eerste selectie van de klanten en de bemiddeling van de overeenkomsten met betrekking tot de toekenning van kredietkaarten en/of consumentenkredieten door appellante gebeurt, beschikt zij naar eigen zeggen niet over de bevoegdheid om kredietkaarten en/of consumentenkredieten toe te staan. Die beslissing komt volgens appellante louter toe aan nv F..

Als vergoeding voor haar prestaties worden door appellante facturen zonder btw op naam van nv F. opgesteld.

Geïntimeerde weigert de vrijstelling voor 'commissies voor tussenkomst' op basis van artikel 44 § 3, 5° W BTW toe te kennen. Hierdoor zou op de prestaties uitgevoerd voor nv F. voor 2008 een bedrag van 620.277170 euro en voor 2009 een bedrag van 520.187,21 euro aan btw door appellante verschuldigd zijn.

3\. Appellante beroept zich voor het aantonen van haar vrijstelling op een overeenkomt tussen haar en nv F..

Uit de processen-verbaal van 28 november 2011 en 7 december 2012 blijkt dat appellante tijdens de controle ter plaatse op 30 juni 2011 antwoordde dat deze overeenkomt niet beschikbaar was.

Appellante beroept zich actueel op een niet gedateerd protocolakkoord dat volgens haar een schriftelijke bevestiging zou zijn van de destijds reeds tussen partijen bestaande praktijk (stukken 3 en 5 appellante}.

Naar het oordeel van geïntimeerde geldt dit contract evenwel niet als bewijs voor de gecontroleerde periode 2008 en 2009. Uit de overeenkomst blijkt immers dat zij de partijen enkel bindt voor de toekomst; de bijlage bij dit akkoord verwijst trouwens uitdrukkelijk naar het jaar 2012.

Volgens geïntimeerde kan uit de Europese rechtspraak worden afgeleid dat het doel van kredietbemiddeling erin bestaat om het nodige te doen opdat twee partijen een contract afsluiten, zonder eigen belang van de bemiddelaar inzake de Inhoud van het contract.

Geïntimeerde is ervan overtuigd dat bij het verstrekken van een consumentenkrediet appellante 'een groter dan normaal eigen belang' heeft inzake de Inhoud van het contract. Het laat haar namelijk toe een goed te verkopen op afbetaling, In die zin dat deze klant dit goed zonder het krediet vermoedelijk niet zou hebben aangekocht. Bovendien kan aan de kredietkaarten een klantenkaart worden gekoppeld, waardoor volgens geïntimeerde een mogelijkheid tot klantenbinding en het verwerven van een marktvoordeel mogelijk wordt gemaakt.

Geïntimeerde erkent dat appellante optreedt als tussenpersoon tussen haar klanten en nv F.. De door haar geleverde dienstprestaties houden echter geen daadwerkelijke kredietbemiddeling In maar zijn volgens geïntimeerde tweeledig en uitsluitend van promotionele aard. Enerzijds stelt zij materiële en publicitaire handelingen - het gebruik van een stand, evenals promotiemateriaal en commerciële animatie - bij het aanbieden van de kredietkaarten en/of de consumentenkredieten. Zij ontvangt hiervoor commissies. Anderzijds stimuleert zij het gebruik van de reeds uitgegeven kredietkaarten. Ook hiervoor ontvangt zij een vergoeding.

Geïntimeerde stelt vast dat voor deze twee te onderscheiden diensten slechts één type factuur werd opgemaakt. De facturen bevatten In hun omschrijving zowel verwijzingen naar commissies als verwijzingen naar promotiemateriaal en commerciële animatie. Volgens geïntimeerde laat deze werkwijze niet toe om de werkelijke transacties vast te stellen. Door het niet uitsplitsen van de verschillende diensten en het gebrek aan details op de facturen Is het onmogelijk de btw-wetgeving correct toe te passen.

Zelfs al zou er een kredietbemiddelingsaspect aanwezig zijn, wat volgens geïntimeerde door appellante niet bewezen wordt, dan nog zou er geen vrijstelling voor het gehele bedrag mogelijk zijn. Immers de commissie die appellante van nv F. ontvangt voor het gebruik van de kredietkaarten In haar winkels kan volgens geïntimeerde onmogelijk beschouwd worden als een commissie voor kredietbemiddeling.

4\. Het hof volgt het standpunt van geïntimeerde niet.

Artikel 18 § 1, 13° W BTW merkt voor de toepassing van het btw-stelsel de bank- en financiële verrichtingen expliciet aan als diensten.

Artikel 44 § 3, 5° W BTW stelt evenwel vrij van btw "de verlening van kredieten en de bemiddeling Inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die ze heeft verleend".

Deze vrijstelling Is gebaseerd op artikel 135, lid 1, b van de Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb.L.347 van 11 december 2006, 1).

Het feit dat er voor de geviseerde periode tussen nv F. en appellante geen schriftelijk contract Inzake kredietbemiddeling bestond, wordt door deze laatste niet betwist.

Het uitschrijven door appellante van facturen wegens voor nv F. In de kalenderjaren 2008 en 2009 geleverde prestaties en de aanvaarding ervan, vormen voor het hof evenwel het bewijs van het bestaan van een mondelinge overeenkomst tussen appellante en nv F. ter zake.

Het Hof van Justitie oordeelde trouwens dat voor de toepassing van de vrijstelling In de zin van [artikel 13, B, sub d, punt 1 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten Inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, Pb.L,145 van 13 juni 1977, 1 (thans artikel 135, lid 1, b van de Richtlijn 2006/112/EG) niet vereist is dat de dienstverrlchter die de (vrijgestelde) dienst stelt, een rechtsbetrekking of contractuele band onderhoudt met de uiteindelijke cliënt of dienstontvanger (zie ook HvJ 21 juni 2007, [C- 453/05](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-453-05-arrest), Volker Ludwig, punt 29).

Zoals hogerop gesteld, genieten ook de diensten inzake bemiddeling bij het sluiten van een kredietovereenkomst de vrijstelling.

Volgens het Hof van Justitie doelt het begrip 'bemiddeling' op een activiteit van een tussenpersoon die niet de plaats Inneemt van een partij bij een overeenkomst betreffende een financieel product en wiens activiteit verschilt van de typische contractuele prestaties die door de partijen bij zulke overeenkomsten worden verricht. Bemiddeling is Immers een dienstverrichting ten behoeve van een contractpartij die door deze laatste als afzonderlijke tussenkomst wordt vergoed. Dit kan onder meer inhouden dat de contractpartij wordt gewezen op gelegenheden om dit contract te sluiten, dat voor hem contact met de andere partij wordt gelegd, of dat In naam en voor rekening wordt onderhandeld over de details van de wederzijdse prestaties. Deze activiteit heeft dus tot doel het nodige te doen opdat twee partijen een contract zouden sluiten, zonder dat de bemiddelaar een eigen belang heeft Inzake de Inhoud van dit contract (zie ook HvJ 13 december 2001, CSC Financial Services, [C- 235/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-235-00-arrest), overweging 39 en HvJ 21 juni 2007, [C-453/05](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-453-05-arrest), Volker Ludwig, punten 23 en 28).

Appellante omschrijft de door haar als tussenpersoon geleverde prestaties als volgt:

het informeren en het adviseren van klanten die zich uit eigen beweging aan de In de winkel opgestelde stand melden omtrent de diverse soorten kredietkaarten en/of consumentenkredieten, alsook het wijzen op de opportuniteit voor de klanten om zich een kredietkaart aan te schaffen en/of een consumentenkrediet aan te gaan, kortom het wezenlijk bij elkaar brengen van kredietverstrekker en -ontlener;

het selecteren en het evalueren van de klanten Inzake hun bekwaamheid om al dan niet hun verbintenissen na te komen, waarbij de uiteindelijke beslissing een kredietkaart en/of consumentenkrediet toe te kennen bij nv F. blijft.

Rekening houdend met de stukken waarop het hof vermag acht te slaan, dienen deze prestaties van appellante aan nv F. als verrichtingen Inzake kredietbemiddeling' te worden gekwalificeerd.

Zoals reeds gesteld, hebben deze activiteiten tot doel het nodige te doen opdat twee partijen een overeenkomst zouden sluiten zonder dat de bemiddelaar een eigen belang heeft inzake de Inhoud van dit contract.

De al dan niet aanwezigheid van een eigen belang voor appellante dient bijgevolg te worden beoordeeld In het licht van de inhoud van de kredietovereenkomst die wordt gesloten tussen nv F. als kredietontlener en de consument als kredietontlener.

Zo zou voor appellante sprake zijn van een eigen belang indien de kredietontlener ook aan haar een vergoeding zou betalen voor haar tussenkomst als bemiddelaar en dit in de kredietovereenkomst zou worden gestipuleerd. Aangezien een dergelijke kredietovereenkomst echter door geen van de partijen wordt bijgebracht, is het hof niet In staat te beoordelen of appellante als tussenpersoon op deze of een andere wijze in deze overeenkomst wordt bevoordeligd.

Alleszins kan geïntimeerde niet worden gevolgd wanneer hij dit eigen belang voor appellante ziet als een mogelijkheid een goed te verkopen op afbetaling, waarbij de consument zonder dit krediet dit goed vermoedelijk niet zou hebben aangekocht, of als een mogelijkheid tot klantenbinding, door het koppelen van een klantenkaart aan de kredietkaart (cursivering door het hof).

Het eigen belang voor appellante bij de Inhoud van de kredietovereenkomst tussen nv F. en de klant dient Immers te worden onderscheiden van het eigen belang dat appellante heeft met betrekking tot (de Inhoud van) de kredietbemiddelingsovereenkomst tussen haar en nv F..

Wat dit laatste betreft, zou appellante, naast het ontvangen van een vergoeding voor haar bemiddelingsprestaties - als een eigen belang In strikte, juridische zin - ook van een eventuele, want niet aangetoonde, omzetstijging of een marktvoordeel - als een eigen belang In brede, economische zin - in het kader van de kredietbemlddelingsovereenkomst kunnen genieten.

Uit de facturatie (stukken 4, 10, 11 en 12 appellante) blijkt dat appellante een commissie ontvangt, met naargelang de factuur een vergoeding voor het gebruikte promotiemateriaal, het aanwenden van commerciële animatie en de inrichting van standen.

Het feit dat de commissie uit twee componenten bestaat, namelijk een vaste vergoeding per bemiddelde kredietkaart en een variabele vergoeding bestaande uit een bepaald percentage op het omzetcijfer, blijkt niet uit de facturatie zelf maar uit het door appellante bijgebrachte detail Inzake de door haar ontvangen commissies voor de kalenderjaren 2008 en 2009 (stuk 13 appellante) en vindt bevestiging In bijlage 1 van het protocolakkoord (stukken 3 en 5 appellante) dat volgens appellante de toen reeds bestaande praktijk bevestigt.

Naar het oordeel van het hof dienen de activiteiten van appellante als één (complexe) dienst te worden beschouwd waardoor het vermelden van slechts één bedrag op de facturen gerechtvaardigd Is.

In dit verband is er van één dienst met name sprake ingeval een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl een of meer andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende diensten, die het fiscale lot van de hoofddienst delen. Een dienst moet worden beschouwd als bijkomend bij een hoofddienst, wanneer hij geen doel op zich Is, maar een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter mogelijk te maken. Het staat aan de rechter om uit te maken of dit het geval Is (zie ook HvJ 22 oktober 1998, Madgett en Baldwin, [C-308/96](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-308-96-arrest), punt 24; HvJ 25 februari 1999, CPP, [C-349/96](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-349-96-arrest), punt 30 en HvJ 21 juni 2007, Volker Ludwig, [C-453/05](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-453-05-arrest), punten 18 en

20).

Bijgevolg zal er sprake zijn van een 'complexe handeling', enkel wanneer op grond van die beoordeling vast staat dat verschillende formeel onderscheiden prestaties, die afzonderlijk kunnen worden verricht en als zodanig tot belastingheffing of tot vrijstelling kunnen leiden, niet zelfstandig zijn en moeten worden beschouwd als één enkele handeling.

Opdat er in casu sprake zou zijn van een vrijgestelde bemiddelingsdienst bij een kredietverrichting Is vereist dat de diensten over het geheel genomen, een afzonderlijk geheel vormen, dat de kenmerkende en essentiële functies van de vrijgestelde bemiddelingsdienst vervult (zie ook HvJ 21 juni 2007, Volker Ludwig, [C-453/05](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-453-05-arrest), punt 27).

Zonder het gebruik van standen die geïnstalleerd zijn in de supermarkten van appellante zou de kredietbemiddeling praktisch onmogelijk zijn. Het gebruik van promotiemateriaal en het aanwenden van commerciële animatie dient om de aanwezigheid van de bemiddelingsdienst en de mogelijkheid tot het aangaan van kredietovereenkomsten kenbaar te maken. Uit de gegevens waarop het hof vermag acht te slaan, blijkt althans niet dat appellante promotie voert om ten voordele van nv F. zo veel mogelijk kredietenovereenkomsten af te sluiten of het gebruik van de kredietkaarten te stimuleren.

De promotionele activiteiten vormen dus geen doel op zich, maar zijn een middel om de hoofddienst, zijnde de bemiddeling bij kredietovereenkomsten mogelijk te maken, waardoor deze publicitaire handelingen als bijkomende diensten bij de vrijgestelde bemiddelingsdienst, eveneens de vrijstelling genieten. De activiteiten van appellante hebben In essentie tot doel het nodige te doen opdat twee partijen een kredietovereenkomst zouden sluiten. De promotieactiviteiten zijn Inherent aan de bemiddelingsdienst.

Uit wat voorafgaat, volgt dat de door appellante voor de kalenderjaren 2008 en 2009 op naam van nv F. uitgeschreven facturen op grond van artikel 44 § 3, 5° W BTW vrijgesteld zijn van btw.

## *Regularisatie in hoofde van C.B. SHAPE - kalenderjaar 2008*

5\. Appellante beschikt over een winkel in de Supreme Headquarters Allied Powers Europe (SHAPE). C.B. SHAPE verkoopt aan particulieren en aan militairen van de NAVO, met een diplomatenstatuut.

Ingevolge artikel 42 § 3, 2° W BTW zijn de verkopen door C.B. SHAPE aan de voormelde militairen vrijgesteld van btw.

Ingevolge een akkoord met de fiscale administratie moet de omzet van C.B. SHAPE niet In de btw-aangifte worden opgenomen. De belastbare verkopen aan niet-militairen dienen het voorwerp uit te maken van een afzonderlijke betaling op de rekening van het ontvangkantoor Namen.

In haar periodieke btw-aangifte van de maand november 2008 voert appellante vla rooster

62 een regularisatie uit voor een bedrag van 179.242,09 euro In haar voordeel met betrekking tot de btw die door haar vla de periodieke aangiftes van de jaren 2005 tot en met 2007 werd betaald op aankopen op de SHAPE-site.

6\. Ten gevolge een 'programmatiewljziglng (I.e. fase B) in 2004 van de boekhouding', is er volgens appellante teveel btw betaald.

Zowel de verkoop aan militairen als aan niet-militairen werden immers In de periodieke aangiftes van de jaren 2005 tot en met 2007 aangegeven.

Bijgevolg Is btw afgedragen voor de verkopen aan militairen, die In principe niet verschuldigd was. Bovendien Is, enerzijds door opname in de btw-aangiftes en anderzijds door rechtstreekse betaling aan het ontvangkantoor Namen, dubbele btw betaald voor de verkopen aan particulieren.

Bijgevolg is zij naar haar oordeel gerechtigd op grond van artikel 77 § 1, 1° W BTW het teveel aan btw betaalde terug te vorderen.

Appellante stelt dat het bedrag van 179.242,09 euro door een vroegere werknemer zorgvuldig werd samengesteld, maar dat de ondersteunde berekeningen niet meer beschikbaar zijn.

Aangezien een volledige herberekening 'onbegonnen werk' is, zou volgens appellante tijdens de btw-controle zijn overeengekomen te werken met een berekening voor een beperkte periode (i.e. januari 2007) bij wijze van steekproef (om vervolgens het bekomen bedrag te extrapoleren in functie van de periode 2005-2007).

Naar het oordeel van appellante heeft zij haar volledige medewerking verleend en al de nodige Informatie overgemaakt. Geïntimeerde zou evenwel nooit hebben aangeven of zij al dan niet akkoord ging met de berekeningsmethode voor de maand januari 2007, zodat deze moet geacht worden te zijn aanvaard.

7\. Volgens artikel 77 § 1, 1° W BTW wordt de geheven belasting die het wettelijk verschuldigd bedrag te boven gaat, tot beloop van het passend bedrag teruggegeven.

Het hof stelt vast dat geïntimeerde de rechtsgrond van de terugvordering door appellante aanvaardt.

Betreffende het feit dat 'een bedrag' aan btw teveel is betaald, bestaat geen discussie.

Appellante heeft volgens geïntimeerde in het kader van haar regularisatie een aannemelijke verklaring gegeven wat betreft de oorzaak van het door haar teruggenomen bedrag.

De betwisting tussen partijen heeft betrekking op het bedrag dat teruggevorderd wordt.

De eiser draagt de bewijslast. Dit houdt In dat naargelang de situatie de bewijslast rust op de administratie of op de belastingplichtige. Indien de vordering, zoals In casu, uitgaat van de belastingplichtige, draagt hij de bewijslast.

De tegenpartij heeft echter de verplichting om aan het bewijs mee te werken (zie ook Cass. 13 december 2007, F.06.0065.N).

Er zal dus in voorkomend geval rekening moeten worden gehouden met een tegenargumentatie om te beslissen of enerzijds de eiser er al dan niet In slaagt zijn vordering te bewijzen en of anderzijds de verweerder erin slaagt het tegenbewijs te leveren.

Uit de door appellante bijgebrachte stukken (6, 7 en 15 appellante) blijkt dat de problematiek aan bod kwam tijdens de diverse plaatsbezoeken en het voorwerp uitmaakte van een aantal vragen om bijkomende Inlichtingen vanwege de belastingadministratie.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze communicatie (stuk 6 appellante) dat appellante, middels een overgemaakte Excel-file, wel een overzicht van de maandelijks (2005-2007) teruggevorderde btw ter beschikking stelde, maar ondanks de (herhaalde) vraag (\*) van geïntimeerde naliet de samenstelling van deze bedragen te dulden.

*(\*) Vraag tot bijkomende Inlichtingen van 8 Juli 2011: "Pourrlez-vous reconstltuer les montants TVA récupérés par mols ?", hetgeen het hof meent te begrijpen als "Zou u de bedragen aan maandell)ks teruggevorderde btw opnieuw kunnen samenstellen ?"; verzoek per mall om bijkomende Informatie van 11 Juni 2012: "(...) Pourrlez-vous chlffrer la TVA lndüment payée?", hetgeen het hof meent te begrijpen als: "Kunt u de onverschuldlgde btw becijferen?".*

Appellante beperkt zich tot het verwijzen naar een, op eigen initiatief \*, uitgewerkte berekeningsmethode wat de maand januari 2007 betreft, alsook tot het herhalen van de oorzaak die aan de teveel betaalde btw ten grondslag ligt.

*(\*) Antwoord van appellante van 27 Juli 2011 op de vraag van 8 Jull 2011: "Dans Ie fichier "SHAPE" sauvegardé sur Ie DVD qui vous a été fournl en annexe, vous trouverez un exemple pour Ie mols Janvler 2007, (...) Sur base de eet exemple nous estlmons de vous avolr démontré qu'une TVA a été reprls une deuxlème fols dans la déclaratlon mensuel de Carrefour Belglum. Deux à trols Jours ont été nécessalres pour réallser eet exerclce, pour tous les mots des années 2005, 2006 et 2007, sera presque lmposslble vue Ie temps requls peur faire l'exerclce complet", hetgeen het hof meent te begrijpen als "In het bestand uSHAPE" bewaard op de DVD die u In bijlage werd geleverd, vindt u een voorbeeld voor de maandJanuari 2007, (...) Op basis van dit voorbeeld menen wij te hebben aangetoond dat de BTW een tweede keer vermeldwerd In de maandelijkse aangifte van Carrefour Belglum. Er waren twee tot drie dagennodig om dit voorbeeld te realiseren dus u zult begrijpen dat het bijna onmogelijk Is om deze oefening te maken voor alle maanden van de Jaren 2005, 2006 en 2007 gezien de tijd die nodig Is voor de volledige oefening".*

Appellante slaagt er niet In om het 'passend bedrag' aan teveel betaalde btw aan te tonen, zodat haar vordering tot teruggaaf op grond van artikel 77 § 1, 1° W BTW voor het kalenderjaar 2008 van een bedrag van 179.242,09 euro niet gerechtvaardigd is.

***Teruggaaf btw Inzake nv D.***

8\. In 2007 en 2008 heeft appellante goederen aangekocht bij haar leverancier nv D.. Deze goederen werden door nv D. gefactureerd, inclusief btw.

Volgens appellante werden onverkochte goederen door nv D. teruggenomen, waarvoor deze creditnota's, Inclusief btw uitreikte.

Op 9 Juni 2008 werd nv D. In faling verklaard. Aangezien de creditnota's, Inclusief btw nog niet waren betaald en de vordering wegens het falllissement niet meer Inbaar Is (stuk 9 appellante), vordert appellante op grond van artikel 77 § 1, 7° W BTW de terugbetaling van de betaalde btw ten bedrage van 211.335,24 euro.

9\. Volgens geïntimeerde Impliceert een vraag tot teruggaaf van btw een bewijslast voor appellante.

In die zin dient appellante eerst en vooral aan te tonen dat zij btw-matig benadeeld is.

Hiervoor moet appellante volgens geïntimeerde aantonen dat zij de verschuldigde btw over de teruggestuurde goederen betaald heeft, dat deze goederen wel degelijk naar haar leverancier nv D. werden teruggestuurd en dat de boekhoudkundige stukken overeenkomen met werkelijke financiële en goederenstromen.

In haar proces-verbaal van 7 december 2012 stelde geïntimeerde bovendien:

> "Deze bepaling (i.e. art. 77 § 1, 7 ° W BTW) betreft de terugbetalingen Ingevolge leveringen van goederen, prestaties van diensten en Intracommunautaire aankopen van goederen. De terugbetaling van de BTW vermeld op creditnota's van de aankoop die gegenereerd wordt door het boekhoudprogramma van de klant, wordt niet bedoeld door deze bepaling".

Volgens appellant betreft dit het enige discussiepunt tussen partijen, namelijk de al dan niet toepassing van artikel 77 § 1, 7° W BTW op aankoopsituaties.

Volgens appellante voegt de stelling van geïntimeerde, als zou de teruggaaf van btw enkel betrekking hebben op de vordering van een leverancier met betrekking tot btw die werd aangerekend op uitgaande prestaties, een bijkomende voorwaarde toe aan een duidelijke wettekst.

Naar het oordeel van appellante wou de wetgever met artikel 77 § 1, 7° W BTW tegemoetkomen aan schuldeisers die btw hebben betaald op hun vordering, maar deze vordering, inclusief btw, verloren zien gaan door het faillissement van hun schuldenaar. In de meerderheid van de gevallen zal deze situatie zich voordoen bij een leverancier wiens afnemer failliet gaat, echter deze situatie kan zich ook voordoen bij een afnemer wiens leverancier failliet gaat.

Volgens appellante kan in het licht van de ratio legis van het voormeld artikel een factuur geassimileerd worden met een creditnota.

Bij het uitreiken van een factuur wenst de leverancier van zijn klant betaling te bekomen; bij het uitreiken van een creditnota wenst de klant terugbetaling van zijn leverancier te bekomen. Als In het eerste geval de klant failliet gaat, ligt het btw-risico bij de Staat: als de klant de btw omwille van het faillissement niet betaalt aan de leverancier, krijgt deze laatste de btw terug van de Staat zonder dat de Staat noodzakelijkerwijze kan Invorderen bij de failliete klant. Ook Indien de leverancier failliet gaat, ligt het risico bij de Staat; als de leverancier de terugbetaling van de btw niet verricht, moet de klant de btw terugkrijgen van de Staat, zonder dat de Staat deze noodzakelijkerwijze kan vorderen van de failliete leverancier.

Er anders over oordelen, zou volgens appellante een schending Impliceren met het gelijkheidsbeginsel, het neutraliteitsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.

In geval van twijfel vraagt appellante het hof aan het Grondwettelijk Hof en het Hof van Justitie een aantal prejudiciële vragen te stellen (\*)

*(\*) Meer bepaald:*

> *"Schendt het artlkel 77 § 1, 7° van de Wet d.d. 3 Jull 1969 tot Invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij wet d.d. 28 december 1992 (BS 31 december 1992) en Konlnklljk Besluit d.d. 29 december 1992 (BS 31 december 1992) (BS 17 Jull 1969) (oftewel "Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde", hierna "W,BTW") de artikelen 10 en 11 Juncto 172 van de Grondwet, In zoverre het erin voorziet dat enkel de leverancier het recht op teruggaaf Inzake BTW bij het onvermogen van een afnemer-BTW-plichtlge kan uitoefenen, niettegenstaande hetzelfde recht dient toe te komen aan een afnemer-BTW-pllchtlge Inzake een creditnota bij het onvermogen van een leverancler, vermits de leverancler bij een 'lnltll!le' factuur en de afnemer bij een creditnota belastlngpllchtlgen zijn In een vergelijkbare situatie, gelet op het gegeven dat de wetgever artikel 77 § 1, 7" W.BTW heeft Ingesteld om de "terugbetallng te bekomen op basis van een schuldvordering'' als gehanteerd referentiecriterium?"*

*-"Schendt het artikel 77 § 1, 7 van de Wet d.d. 3 Jull 1969 tot Invoering van het Wetboek van de belastlng over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij wet d.d. 28 december 1992 (BS 31 december 1992) en KonlnkllJk Besluit d.d. 29 december 1992 (BS 31 december 1992) (BS 17 Jull 1969) (oftewel "Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde", hierna "W.BTW") de artikelen 10 en 11 Juncto 172 van de Grondwet, In zoverre het erin voorziet dat enkel de leverancier het recht op teruggaaf Inzake BTW bij het onvermogen van een afnemer-BTW-pllchtlge kan uitoefenen, niettegenstaande hetzelfde recht dient toe te komen aan een afnemer-BTW-pllchtlge bij het onvermogen van een leverancier wegens het neutraliteltsbeglnsel Inzake BTW gedurende de productie-en dlstrlbutlefase ?"*

*-''Verzetten artikel 90, lld 1 van de Richtlijn (2006/112/EG) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 23), waarbij de maatstaf van heffing In geval van onder meer gehele of gedeeltelljke niet-betaling dienovereenkomstig verlaagd wordt onder de voorwaarden die door de lldstaten worden vastgesteld, het beginsel van neutraliteit van de btw en het doeltreffendheldsbeglnsel zich tegen een nationale regellng ex artikel 77 § 1, 7" W.BTW als die van het hoofdgeding, volgens welke alleen de leverancler bij onvermogen van een klant het recht verkrijgt van teruggaaf van btw en niet de afnemer bij het onvermogen van een leverancier, onder verwijzing naar het arrest van 15 maart 2007 Inzake Reemtsma Clgarettenfabrlken GmbH t./ Mlnlstero delle Flnanze (C-35/5) waarbij Uw Hof reeds heeft geoordeeld dat de lldstaten de middelen moeten bieden nwaarmee de dienstontvanger de ten onrechte gefactureerde belasting kan terugvorderen, zodat aan het doeltreffendheldsbeglnsel wordt voldaan", "Indien de terugbetallng van de btw onmogelijk of buitengewoon moellljk wordt''.*

10\. Artikel 77 § 1, 7° W BTW bepaalt: "Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een communautaire verwerving van een goed tot beloop van het passend bedrag teruggegeven: {...) 7° wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan".

De teruggaaf van btw wordt, naargelang het geval, verleend aan degene die de belasting aan de Staat heeft voldaan (art. 1, 1° KB 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven Inzake belasting over de toegevoegde waarde).

Appellante is in casu de afnemer. Het basisbeginsel Inzake btw is dat enkel de afnemer wordt belast. Nv D. is de leverancier. Zij is In casu de btw-plichtige.

De btw-plichtige draagt de belasting niet zelf. De btw-plichtige is slechts de Inner/afdrager van de btw aan de Staat. Enkel nv D. heeft als btw-plichtige een rechtsverhouding met de Staat.

Zij zou de door appellante verschuldigde btw hebben afgedragen aan de Staat.

De rechtsposities van appellante als afnemer en nv D. als leverancier opzichtens de Staat zijn bijgevolg verschillend. Dit verklaart de andere benadering van belden bij het verloren gaan van hun schuldvordering, bv. In het geval van een faillissement.

In het geval van faling van appellante als afnemer heeft nv D. als leverancier een rechtstreekse schuldvordering opzichtens de Staat en recht op de teruggaaf van de btw die door haar reeds aan de Staat zou zijn betaald. Nv D. als leverancier en de Staat kunnen zich respectievelijk voor de recuperatie van de prijs en de btw richten tot de falliete boedel van appellante als afnemer.

In geval van terugname van geleverde goederen aan en faling van nv D. als leverancier blijft deze gerechtigd op de teruggaaf van de btw die door haar reeds aan de Staat zou zijn doorgestort. Appellante als afnemer zal zich zowel voor het voldoen van de creditnota als de teruggaaf van de btw die door haar zou zijn betaald aan nv D. als leverancier In faling kunnen wenden tot de failliete boedel van nv D..

Uit wat voorafgaat, volgt dat appellante als afnemer en nv D. als leverancier wel degelijk de mogelijkheid hebben om btw terug te vorderen, weliswaar opzichtens een andere schuldenaar.

Artikel 77 § 1, 7° W BTW Is enkel van toepassing op een partij die de btw aan de Staat heeft betaald en deze wil terugkrijgen omdat haar schuldvordering, bv. door een faillissement, is verloren gegaan. Er anders over oordelen, komt neer op een verkeerde lezing van het voormeld artikel.

Hieruit volgt dat appellante geen recht heeft op teruggaaf van btw ten bedrage van 211.355,24 euro op basis v.an het voormeld artikel.

Er Is geen schending van het gelijkheidsbeginsel omdat, zoals hiervoor uiteengezet, de rechtsposities van appellante als afnemer en nv D. als leverancier opzichtens de Staat fundamenteel verschillend zijn.

Er is ook geen schending van het neutraliteits- of doeltreffendheidsbeginsel. Creditnota's creëren In hoofde van de leverancier een vordering ten opzichte van de Staat. Deze vordering komt tot uiting In de periodieke btw-aangifte door aangifte van de te recupereren btw vermeld op uitgereikte creditnota's In het rooster 64, waardoor deze btw In aftrek komt van de terzelfdertijd in rooster xx aangegeven verschuldigde belasting. Met andere woorden de Staat blijft In dergelijke situatie geen houder van niet langer verschuldigde btw, zodat er ook geen grond kan bestaan voor een rechtstreekse vordering door de afnemer betreffende deze btw ten opzichte van de Staat. Dit kan niet vergeleken worden met de problematiek die aan bod kwam in het door appellante Ingeroepen arrest van 15 maart 2007 van het Hof van Justitie inzake Reemtsma Cigarettenfabriken GmbH t./Ministero delle Finanze (C-35/5); In deze zaak betrof het immers btw die door de Staat ten onrechte was geïnd op een vrijgestelde dienstverlening en die nog steeds door de Staat werd behouden. In onderhavig geschil toont appellante echter geenszins aan dat In hoofde van nv D. de btw van de creditnota's nog niet zou zijn gerecupereerd of minstens praktisch niet meer zou kunnen gerecupereerd worden.

11\. Appellante vordert geïntimeerde te veroordelen tot een schadevergoeding van 2.112.390,64 euro op grond van artikel 1382 ev. BW.

Zij stelt steeds haar volledige medewerking te hebben verleend ten aanzien van de fiscale administratie, zowel tijdens de controles als nadien.

Daarentegen zou geïntimeerde zich inlaten met insinuaties, zou geïntimeerde de door appellante verstrekte Informatie nooit hebben onderzocht, meer zelfs werd door geïntimeerde Inzake bewijsvoering het onmogelijke gevraagd.

Door deze fouten zou appellante commerciële, financiële en morele schade ten belope van 2.112.390,64 euro (i.e. het totaal van de twee betwiste dwangbevelen) geleden hebben.

12\. Het hof is van oordeel dat aan de voorwaarden van artikel 1382 ev. BW niet is voldaan. Geïntimeerde heeft enkel de btw-wetgeving toegepast.

13\. Belde partijen worden deels In het ongelijk gesteld. Het hof verdeelt de kosten zoals hierna bepaald.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN, HET HOF,**

Rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen In gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van nv C.B. ontvankelijk en gegrond als volgt; Vernietigt:

het op naam van nv C.B. op 29 november 2011 uitgevaardigde dwangbevel btw, met artikelnummer 311.1128.31273 voor een bedrag van 1.102.892,59 euro (zijnde 799.519,79 euro btw, 79.510,00 euro boete en 223.862,80 euro Interesten), dat samen met het proces-verbaal van 28 november 2011 aan haar op 30 november 2011 ter kennis werd gebracht, alsook het op naam van C.B. op 11 december 2012 uitgevaardigde dwangbevel btw, met artikelnummer 312.1207.19271 voor een bedrag van 1.009.498, euro (zijnde 731.522,45 euro btw, 73.150,00 euro boete en 204.825,60 euro interesten), dat samen met het proces-verbaal van 7 december 2012 aan haar op 13 december 2012 ter kennis werd gebracht

In de mate dat bij het bepalen van de btw-vordering de door nv C.B. voor de kalenderjaren 2008 en 2009 op naam van nv F. uitgeschreven facturen niet op grond van artikel 44 § 31 5° W BTW van btw werden vrijgesteld;

Beveelt de terugbetaling aan nv C.B. van de aldus ten onrechte betaalde btw, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 § 4 W BTW;

Wijst het meer gevorderde af als ongegrond;

Laat de kosten van de procedure in eerste aanleg en In hoger beroep ten laste van de partij die ze gemaakt heeft. Deze kosten dienen bijgevolg niet te worden vastgesteld.

Dit arrest werd gewezen door de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit …

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

8

[WBTW art. 77](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) 7 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 3 voorkomens

[WBTW art. 42](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-42) 2 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 13](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) 1 voorkomen

[C-453/05, arrest van 21 juni 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-453-05-arrest) 4 voorkomens

[C-235/00, arrest van 13 december 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-235-00-arrest) 1 voorkomen

[C-308/96 en C-94/97, arrest van 22 oktober 1998](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-308-96-arrest) 1 voorkomen

[C-349/96, arrest van 25 februari 1999](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-349-96-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Vrijstelling, concurrentieverstoring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-concurrentieverstoring-hof-van-beroep-brussel-2026-03-19-4658) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, Recht op aftrek, Onroerende verhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-recht-aftrek-onroerende-verhuur-hof-van-beroep-luik-2020-10-07-7434) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wetboek-belasting-toegevoegde-waarde-art-grondwettelijk-hof-brussel-2021-12-02-914d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, Zelfstandige groeperingen van personen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-zelfstandige-groeperingen-personen-artikel-cassatie-brussel-2020-09-25-c17f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek, Vrijstelling, Onroerende verhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-vrijstelling-onroerende-verhuur-overdracht-rechtbank-luik-2020-10-08-d465) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Teruggaaf, Valse facturen, Strafrechtelijke veroordeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-teruggaaf-valse-facturen-rechtbank-brussel-2023-02-22-e0c1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-belastingplicht, zorgflat, belastingplichtige, serviceflat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-belastingplicht-zorgflat-belastingplichtige-serviceflat-rechtbank-brussel-2019-12-11-e22c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, Beroepsopleiding, Beroepsherscholing, Onderwijs, Opleiding tot beroepsbestuurder van vliegtuigen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-beroepsopleiding-beroepsherscholing-onderwijs-rechtbank-bergen-2021-03-25-ed7f) 2 gemeenschappelijke bepalingen
