Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 18.12.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van Beroep te Brussel, Zesde fiscale kamer
Nr. van de zaak : 2004/AR/1147
Openbare terechtzitting van 18/12/208
INZAKE VAN :
1. De heer H. S.,
2. Mevrouw A. D. H., samenwonende te …, …
appellanten,
vertegenwoordigd door Meester I. V. V., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, vertegenwoordigd .door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester L. V. H., advocaat te …, …,
Het hof, na beraad, spreekt m openbare terechtzitting volgend arrest uit :
.Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 19 maart 2004 (A.R. nr. 02/1398/A), vonnis waarvan geen betekeningsakte voorligt en waartegen door appellanten een naar vorm
R. 2008/9421 EINDARREST - gedeeltelijk gegrond
en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 5 mei 2004.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
Het vonnis verklaarde de vordering van appellanten, zoals in het verzoekschrift gesteld, ontvankelijk, doch ongegrond. Het verwees de zaak naar de bijzondere rol in afwachting dat partijen de zaak in staat stelden met betrekking tot de nieuwe vordering door appellanten in hun besluiten gesteld.
De vordering van appellanten, zoals in het verzoekschrift gesteld, strekte ertoe te horen zeggen voor recht dat de door de NV Z. V. (hierna afgekort : Z.) uitbetaalde som niet belastbaar is als pensioen, de terugbetaling van de ingehouden bedrijfsvoorheffing te bekomen en de volledige ontheffing te horen verlenen van de aanslag in de personenbelasting (PB), aanslagjaar 1997, kohierartikel …. In ondergeschikte orde stelden appellanten in besluiten een vordering tot schadevergoeding in tot beloop van de betwiste belasting, met inbegrip van verhogingen en nalatigheidinteresten.
I. De feiten
Eerste appellant werkte in Nederland als notaris binnen het juridische kader van een notarisvennootschap, de BV H.J.C.M. S., waarvan hij tot 30 juni 1992 directeur en enig aandeelhouder was. Nadien werd de naam van deze vennootschap gewijzigd in BV L. en bleef eerste appellant hoofdaandeelhouder met 99,75 % van de aandelen (na overdracht van één aandeel aan zijn zoon).
Eerste appellant was tot 16 juni 1993 (volgens de inschrijving in het Rijksregister) of tot 16 december 1992 (volgens zijn verklaring in zijn aangifte in de PB voor het aanslagjaar 1993) woonachtig in ….
Door de BV H.J.C.M. S., en nadien door de BV L., werd in eigen beheer een pensioen opgebouwd voor eerste appellant. De pensioenrechten van eerste appellant werden vastgelegd in een pensioenbrief d.d. 15 april 1986, die bepaalde dat de aan eerste appellant verleende pensioenaanspraken zouden worden gedekt door vorming van een pensioenreserve op het passief van de balans van de vennootschap.
Op 1 december 1994 werd door eerste appellant als verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde een kortlopende levensverzekeringsovereenkomst afgesloten bij Z. met een looptijd tot 1 juni 1996. Er werd door de BV L. een eenmalige premie·betaald ten bedrage van … BEF, zijnde de pensioenaanspraken van eerste appellant volgens voormelde pensioenbrief van 15 april 1986.
Toen Z. bij de uitbetaling van de levensverzekering bedrijfsvoorheffing wilde inhouden, protesteerde eerste appellant, die meende geen belasting verschuldigd te zijn.
In de loop van de maand februari 1996 wisselden appellanten, via de fiduciaire BVBA M. & G., en de administratie briefwisseling uit omtrent de belastbaarheid van de door Z. uit te betalen uitkering.
Op 1 juni 1996 ging Z. over tot betaling aan eerste appellant van het bedrag waarop hij recht had, nl. … BEF, bedrag waarop door haar een bedrijfsvoorheffing ten belope van … BEF werd ingehouden. Voor dit bedrag werd door Z. een pensioenfiche 281.11 opgemaakt.
Op 15 juni 1998 werd door de administratie voor het aanslagjaar 1997 een eerste aanslag gevestigd onder kohierartikel …, waarbij een bedrag van … BEF in de belastbare grondslag als roerende inkomsten werd opgenomen (code 155). De ingehouden bedrijfsvoorheffing werd niet in mindering gebracht van de verschuldigde belastingen.
Op 25 oktober 1999 verzond de administratie een bericht van wijziging, waarbij zij meedeelde dat het bedrag van de in 1994 betaalde premie ten bedrage van … BEF zou worden belast als pensioen (code 214) en de betaalde bedrijfsvoorheffing in mindering diende te worden gebracht onder code 215. Tevens diende het bedrag vermeld onder code 155 te worden vermeerderd tot … BEF.
Ondanks het niet-akkoord van appellanten werd op 20 december 1999 de bestreden supplementaire aanslag voor het aanslagjaar 1997 gevestigd onder kohierartikel ….
De door appellanten op 30 juni 1997 en op 7 januari 2000 ingediende bezwaarschriften werden bij beslissing van de gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven van 10 april 2002 afgewezen.
Op 5 juli 2002 legden appellanten een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
Bij het bestreden vonnis van 19 maart 2004 wees de rechtbank te Leuven de vordering van appellanten, zoals ingesteld in hun verzoekschrift, af. De .eerste rechter oordeelde dat de door de administratie verstrekte inlichtingen geen gewettigde verwachtingen konden doen ontstaan en bijgevolg niet dienden te worden gehonoreerd op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur. Verder oordeelde de rechtbank dat appellanten tijdens de pensioenopbouw geen beschikkingsrecht hadden met betrekking tot hun pensioenaanspraken, zodat de uitkering van het kapitaal op de eindvervaldag van het individuele levensverzekeringscontract terecht werd belast als pensioen in de zin van art. 34, § 1 WIB 1992.
De rechtbank verwees de zaak naar de bijzondere rol in afwachting dat partijen de zaak in staat stelden met betrekking tot de nieuwe vordering door appellanten in hun besluiten ingesteld, vordering strekkende tot het verkrijgen van een schadevergoeding jegens geïntimeerde tot beloop van de betwiste belasting (met inbegrip van de verhogingen en nalatigheidinteresten).
II. Discussie
A. TEN GRONDE
A.1. Wat de beweerde schending van art. 39, 2° WIB 19921 betreft
1. Op de eerste plaats roepen appellanten een schending in van art. 39, 2° WIB 1992 in samenhang met de administratieve circulaire van 31 maart 1969 - Ci.RH.241/240.4832. Krachtens deze circulaire dienen pensioenen die in het buitenland opgebouwd zijn op een tijdstip dat de genieter niet de hoedanigheid van Belgisch rijksinwoner had, te worden onderworpen aan het belastingregime dat van toepassing zou zijn geweest indien de begunstigde van het pensioen op het ogenblik van de pensioenopbouw een Belgisch rijksinwoner zou zijn geweest In toepassing daarvan dient het de belastingregime van de betrokken uitkering te worden beoordeeld alsof de reserveringen, die in Nederland gebeurden, in België waren verricht in dezelfde omstandigheden.
Appellanten menen dat in deze toepassing dient te worden gemaakt van art. 39, 2° WIB 1992; dat bepaalt dat pensioenen niet belastbaar zijn als beroepsinkomsten, indien. de belastingplichtige - of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is - het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en geen vrijstelling werd toegepast overeenkomstig bepalingen die voor aanslagjaar 1993 van toepassing waren en de belastingverminderingen van de artikelen 145, 1, 2° en 145, 17, 1° WIB 1992 niet zijn verleend, voorwaarden die volgens appellanten in deze vervuld zijn. Appellanten menen dat geïntimeerde, daarin gevolgd door de eerste rechter, ten onrechte voorhoudt dat de pensioenreserves niet werden aangelegd in het definitieve en uitsluitende voordeel van eerste appellant en dat deze laatste tijdens de pensioenopbouw geen definitief verworven pensioenaanspraken zou hebben verkregen.
2. Op de tweede plaats roepen appellanten een schending in van art. 39, 2° WIB 1992 in samenhang met art. 364ter WIB 1992. Zelfs indien zou moeten worden aanvaard dat de passivering van de pensioenverplichtingen op de balans van de BV niet onmiddellijk aanleiding heeft gegeven tot individuele en definitieve aanspraken in hoofde van eerste appellant, dan nog menen appellanten dat minstens moet worden aanvaard dat de betaling of toekenning van het pensioen zich heeft voorgedaan naar aanleiding van de overdracht van de pensioenaanspraken naar Z. ingevolge de storting van de eenmalige premie door de BV L. op het individuele leveIisverzekeringscontract. Zij stellen dat naar aanleiding van deze storting een individueel en definitief voordeel werd toegekend aan eerste appellant, en dat het heffingsmoment naar Belgisch recht zich uiterlijk op dat ogenblik heeft voorgedaan.
3. Het hof stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat door appellanten tijdens de pensioenopbouw geen enkele vrijstelling op grond van art. 54, 2°, b WIB 1964 of op grond van art. 13, § 1, 1° van de Wet van 7 december 1988, en evenmin enige belastingvermindering op grond van art. 145, 1, 2° WIB 1992 werd toegepast.
4. Het hof is van oordeel dat geïntimeerde ten onrechte voorhoudt dat voormelde circulaire van 31 maart 1969 in deze geen toepassing zou vinden omdat deze beweerdelijk slechts betrekking zou hebben op pensioenen die voor het aanslagjaar 1977 werden uitgekeerd.
De principes van deze circulaire, waarvan de geldigheid uitdrukkelijk werd bevestigd door het Hof van Cassatie3, blijven van toepassing voor de beoordeling van de belastbaarheid van pensioenen die nadien werden en worden uitgekeerd. Verder meent het hof dat deze circulaire een algemene betekenis heeft, ongeacht de vorm van pensioenopbouw4.
5. Anderzijds meent het hof dat deze circulaire op zich niets toevoegt aan de juridische verantwoording van het fiscale regime van de in het buitenland opgebouwde pensioenen die worden uitgekeerd aan een Belgisch inwoner5. Het feit dat volgens punt 2 van de circulaire de belastbaarheid van de uitkeringen moet worden beoordeeld vanuit de veronderstelling dat de genieters op het ogenblik van de pensioenopbouw Belgische rijksinwoners waren en de pensioenopbouw in België gebeurde, dient als een loutere bevestiging te worden beschouwd van het feit dat het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag enkel de heffingsbevoegdheid regelt en dat de wijze van belastbaar stellen moet worden beoordeeld vanuit Belgisch intern recht.
6. Cruciaal in de discussie in deze zaak is de vraag of het in 1996 door Z. uitgekeerde kapitaal op één of andere wijze moet worden beschouwd als zijnde het gevolg van de vroegere beroepswerkzaamheid van eerste appellant. In bevestigend geval is de uitkering door Z. in beginsel belastbaar als pensioen voor het aanslagjaar 1997. In ontkennend geval moet het in 1996 door Z. uitgekeerde kapitaal worden beschouwd als een uitkering ingevolge verzekering en niet als een pensioen.
7. Op de eerste plaats dient het hof na te gaan of eerste appellant tijdens de pensioenopbouw definitief verworven pensioenaanspraken heeft verkregen.
Ten onrechte houdt geïntimeerde voor dat in de hypothese van financiering van een pensioentoezegging 'in eigen beheer' geen definitief verworven individuele pensioenaanspraken zouden kunnen ontstaan in de fase van de pensioenopbouw6.
Eveneens ten onrechte heeft geïntimeerde ingeroepen dat er slechts sprake kan zijn van definitief verworven rechten indien de pensioenrechten te allen tijde gevrijwaard zijn. Dit zou naar zijn oordeel in deze niet het geval zijn, nu de pensioenaanspraken het ondernemingsrisico hebben ondergaan en derhalve theoretisch niet opeisbaar hadden kunnen worden, bijvoorbeeld in de hypothese van een faillissement van de Nederlandse BV. Indien deze omstandigheid op zich niet determinerend is, is het wel zo dat dit element, samen met andere, in aanmerking kan worden genomen om te besluiten tot de afwezigheid van stortingen in het individuele en definitieve voordeel van de belastingplichtige (zie verder onder nr. 10, hierna).
8. Op de tweede plaats dient te worden gekeken naar de situatie op het ogenblik van de storting als enige premie, waardoor de via de stortingen door de Nederlandse BV opgebouwde pensioenrechten in feite werden omgezet in een individuele levensverzekering.
Inzake de fiscale consequenties van deze omzetting (met name de vraag of het blijft gaan om een pensioen, dan wel of de uitkering gebeurt op grond van een verzekering) dient te worden nagegaan of de begunstigde ter gelegenheid van deze omzetting al dan niet heeft beschikt over de opgebouwde pensioenrechten in de fiscale zin van het woord, anders uitgedrukt of het door de BV in eigen beheer opgebouwde kapitaal al dan niet wordt geacht aan de begunstigde te zijn toegekend op het ogenblik van voormelde omzetting in 1994.
In bevestigend geval werd het opgebouwde kapitaal in beginsel belastbaar op het ogenblik van voormelde omzetting en komt het in 1996 uitgekeerde kapitaal voort van de levensverzekering.
In ontkennend geval werd het opgebouwde kapitaal niet belastbaar op het ogenblik van voormelde omzetting, dient het in 1996 uitgekeerde kapitaal te worden geacht een gevolg te zijn van de vroegere beroepswerkzaamheid van de begunstigde en is dit uitgekeerde kapitaal te beschouwen als een pensioen dat in beginsel in 1996 (aanslagjaar 1997) belastbaar is.
9. Cruciaal in deze discussie is bijgevolg de vraag of de door de Nederlandse BV gedane stortingen voor de opbouw van de pensioenrechten al dan niet tot het vermogen van de begunstigde, eerste appellant, behoorden.
Er wordt aangenomen dat de stortingen definitief, in het patrimonium van de begunstigde zijn overgegaan indien deze stortingen in het definitieve en uitsluitende voordeel van de begunstigde zijn gebeurd.
10. Appellanten houden ten onrechte voor dat in deze is voldaan aan de voorwaarde dat de stortingen in het individuele en definitief verworven voordeel van eerste appellantzijn gedaan.
Dit blijkt met name uit de volgende elementen :
- De pensioenbrief d.d. 15 april 1986 bepaalt uitdrukkelijk dat indien het dienstverband tussen eerste appellant en de BV L. voor de 62ste verjaardag van eerstgenoemde eindigt, anders dan als gevolg van diens overlijden, hij aanspraak behoudt op een uitgesteld ouderdomspensioen tot verminderd bedrag, ingaande op zijn 62ste verjaardag, alsmede op weduwenpensioen tot verminderd bedrag. In tegenstelling tot hetgeen door appellanten wordt voorgehouden, waren de pensioenreserves bijgevolg niet definitief door eerste appellant verworven;
- Ingevolge de boeking van de voorziening op de passiefzijde van de balans ontstaat ten aanzien van eerste appellant geen schuld, waarvan het bedrag zeker en vaststaand is7;
- De juridische en feitelijke machtspositie van eerste appellant in de BV L., zoals ingeroepen door appellanten, is niet ter zake doende, en kan op zich niet tot gevolg hebben dat eerste appellant een beschikkingsmacht verwerft over een pensioenvoorziening die hem niet toebehoort8;
- Evenmin is ter zake doende het feit dat in de pensioenbrief wordt verzaakt aan de bescherming van de Nederlandse Pensioen- en Spaarfondsenwet, hetgeen de mogelijkheid van afkoop door de begunstigde afdwingbaar maakt. De mogelijkheid van afkoop is niet determinerend, wel de vraag of de pensioenrechten al dan niet bleven deel uitmaken van het vermogen van de vennootschap en of eerste appellant al dan niet slechts op de datum van de afkoop kon beschikken over het kapitaal9;
- Tot zekerheid voor en ter vrijwaring van de betaling van de pensioenuitkering werd geen hypotheek genomen op de bedrijfsgebouwen van de BV10;
- In de pensioenbrief werd niet bepaald dat een wijziging van de pensioenregeling niet tot gevolg mag hebben dat de pensioenrechten worden aangetast11;
- In de verzekeringspolis Z. wordt gepreciseerd dat dit contract voortvloeit uit een pensioentoezegging gedaan door de werkgever en dat de financiering gebeurt door middel van een overdracht van de daartoe bij de BV L. aanwezige reserves.
Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door wat door appellanten wordt ingeroepen, nl. :
- het feit dat in de pensioenbrief van 15 april 1986 geen enkele uitsluitingsgrond was voorzien met betrekking tot de pensioenaanspraken van eerste appellant. Zoals gezegd, worden diens pensioenaanspraken in bepaalde gevallen verminderd;
- de ondertekening' door eerste appellant van deze pensioenbrief 'voor akkoord'.
11. Anderzijds verlegt geïntimeerde, daarin gevolgd door de eerste rechter, het debat wel onterecht naar de vraag of de begunstigde de uitkering kon opeisen op een tijdstip dat hij vrijelijk en naar eigen goeddunken kon kiezen. Dit criterium maakt een te enge interpretatie uit van het begrip 'individueel en definitief verworven' en is op zich niet doorslaggevend; het maakt hoogstens één element uit dat naast andere in aanmerking kan worden genomen12.
12. Eveneens ten onrechte leidt bepaalde rechtspraak en rechtsleer uit het hiervoor aangehaalde cassatiearrest van 11 april 2002 af dat indien uit het pensioenreglement zou blijken dat het pensioen pas betaalbaar is vanaf de pensioenleeftijd (zoals dat in deze het geval is), het Hof van Cassatie van oordeel zou zijn dat dit een indicatie is dat er geen individuele en definitief verworven rechten zouden zijn. Dergelijke gevolgtrekking is niet correct. Het feit dat het pensioen pas betaalbaar is vanaf de pensioenleeftijd, maakt immers een loutere betalingsmodaliteit uit13.
13. Nu het hof tot het besluit komt dat de stortingen niet in het definitieve en uitsluitende voordeel van de begunstigde zijn gebeurd, hebben deze stortingen het patrimonium van de BV niet verlaten. '
14. Om reden dat eerste appellant niet kon beschikken over de pensioenreserves, houden appellanten tevens ten onrechte in ondergeschikte orde voor dat het tot belasting aanleiding gevend feit zich heeft voorgedaan naar aanleiding van de overdracht, in de loop van het jaar 1994, van de pensioenaanspraken naar Z. ingevolge de betaling van de eenmalige premie door de BV. L..
Ten onrechte houden appellanten voor dat eerste appellant door de door hemzelf uitgevoerde eenmalige premiestorting op de polis Z. daadwerkelijk over zijn pensioenaanspraken beschikt zou hebben. Dit argument is niet correct, nu eerste appellant bij de kwestieuze storting van de premie als orgaan van de BV L. is opgetreden. Bijgevolg gebeurde de storting van de eenmalige premie uiteindelijk door de BV L. zelf.
Overigens bepaalt de polis, die werd onderschreven bij Z., dat de Nederlandse Pensioen- en Spaarfondsenwet op deze polis van toepassing was, hetgeen met name betekent dat de polis door eerste appellant niet vervroegd kon worden afgekocht en deze laatste bijgevolg niet de beschikking kreeg over de door de BV L. betaalde premie. Ook na de betaling van deze premie kreeg eerste appellant geen beschikkingsmacht over de gelden in kwestie.
Wel houden appellanten terecht voor dat de Nederlandse Pensioen- en Spaarfondsenwet op dit punt in strijd is met de dwingende bepalingen van de Wet van 25 april 1992 op de Landverzekeringsovereenkomsten (meer bepaald de artikelen 3 en 114 daarvan), alsook van het K.B. van 17 december 1992 (meer bepaald art. 16, § 1 daarvan), die het afkooprecht van de verzekeringnemer bepalen.
In deze vindt de Wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht geen toepassing, nu art. 127, § 1, lid 1 daarvan bepaalt dat deze wet het recht bepaalt dat van toepassing is op de rechtshandelingen en rechtsfeiten die zich voordoen na de inwerkingtreding ervan14. Wel vindt in deze toepassing het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst15, en meer bepaald art. 7. 1. daarvan, dat letterlijk luidt als volgt :
"Bij de toepassing ingevolge dit Verdrag van het recht van een bepaald land kan gevolg worden toegekend aan de dwingende bepalingen van het recht van een ander land waarmede het geval nauw is verbonden, indien en·voor zover deze bepalingen volgens het recht van laatstgenoemde land toepasselijk zijn, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. Bij de beslissing of aan deze dwingende bepalingen gevolg moet worden toegekend, wordt rekening gehouden met hun aard en strekking, alsmede met de gevolgen die uit de toepassing of niet-toepassing van deze bepalingen zouden voortvloeien”.
Het hof is van oordeel dat appellanten terzake terecht voorhouden dat het in voornoemde Wet op de Landverzekeringsovereenkomst opgenomen afkooprecht zich opdringt aan de Belgische rechter, ook indien de polis, die hem ter beoordeling wordt voorgelegd, naar de Nederlandse Pensioen- en Spaarfondsenwet verwijst.
Wel herhaalt het hof hetgeen het hiervoor onder nr. 10 heeft gezegd, nl. dat de mogelijkheid van afkoop niet determinerend is, wel de vraag of de pensioenrechten al dan niet bleven deel uitmaken van het vermogen van de vennootschap en of eerste appellant al dan niet slechts op de datum van de afkoop kon beschikken over het kapitaal.
Het hof beantwoordt beide vragen bevestigend.
Het hof komt dan ook tot het besluit dat eerste appellant naar aanleiding van de betaling van de eenmalige premie in 1994 geen individueel en definitief voordeel heeft toegekend gekregen.
Hieruit vloeit voort dat de uitkering in 1996 als een pensioen moet worden beschouwd en dat deze uitkering op dat ogenblik belastbaar werd.
A.2. Wat de beweerde schending van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag betreft
15. Appellanten zijn verder van oordeel dat de toekenning van het pensioen vrijgesteld was van Belgische P.B. op grond van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag.
16. Terzake wijst het hof erop dat, nu de in 1996 uitgekeerde som als een pensioen kwalificeert, de artikelen 18 en 22 van het toenmalige op de feiten toepasselijke dubbelbelastingverdrag toepassing vinden, op basis waarvan de heffingsbevoegdheid aan België als woonstaat toekomt.
Derhalve kan er van een schending van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag geen sprake zijn.
A. 3. Wat de beweerde schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft
17. Appellanten menen dat de belastingadministratie er, op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur (in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel), toe gehouden is haar initiële stellinginname te honoreren.
18. Het Hof stelt·vast dat eerste appellant op 15 februari 1996, via de fiduciaire BVBA M. & G., een schrijven richtte aan de hoofdcontroleur van de controle der belastingen te Diest, waarin hij letterlijk het volgende schreef :
"Eind 1994 sloot ik een levensverzekering met nummer (...) af bij de maatschappij Z. L..Het contract ging in op 01.12.1994 en zal eindigen op 01.06.1996. In bijlage zend ik U kopie van de polis alsmede van de bijzondere voorwaarden.
Zoals blijkt uit mijn persoonlijke belastingaangifte werd de premie niet aangegeven onder de uitgaven die recht geven op een belastingvermindering - lange termijn sparen.
De verzekeringsmaatschappij meldt mij dat zij bedrijfsvoorheffing zal inhouden bij de uitkering van het kapitaal. Aangezien nooit enige premie-aftrek is gebeurd, lijkt het mij echter dat de uitkering niet aan enige Belgische belasting onderworpen is. Een inhouding van bedrijfsvoorheffing is dan ook overbodig.
Kunt U mij bevestigen dat op het uitgekeerde kapitaal inderdaad geen Belgische personenbelasting verschuldigd is in volgende twee gevallen :
- eenmalige uitbetaling van het kapitaal
- uitbetaling van het kapitaal gespreid in de tijd;
Uiteraard zal ook voor het inkomstenjaar 1995 - aanslagjaar 1996 geen premieaftrek toegepast worden".
Op 19 februari 1996 antwoordde de hoofdcontroleur van de controle van de belastingen te Diest als volgt op dit schrijven :
“Hoewel er tot op heden, uit hoofde van uw levensverzekeringscontract nooit belastingvermindering is verkregen, kan ik inderdaad niet bevestigen dat op het uitgekeerde kapitaal geen Belgische personenbelasting is verschuldigd. Artikel 19, § 1, 3° en § 4 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziet immers in de mogelijkheid tot belastingheffing op inkomsten uit levensverzekeringscontracten die nooit aanleiding hebben gegeven tot belastingverminderingen (...)" .
Daarop schreef de fiduciaire BVBA M. & G. op 22 februari 1996 als volgt naar de hoofdcontroleur :
"Kunt u zich akkoord verklaren met volgende zienswijze ?
Aangezien nooit belastingvermindering is verkregen uit hoofde van het levensverzekeringscontract kan er geen sprake zijn van taxatie als pensioen - kapitalen en afkoopwaarden die afzonderlijk belastbaar zijn (...).
Daartegenover staat, zoals U terecht opmerkt, een belasting in het kader van artikel 19, § 1, 3° en § 4 van het WIB 1992.
Kunt U ons bevestigen dat de enige inhouding die de verzekeringsmaatschappij dient te doen de belasting is met betrekking tot het artikel 19, § 1, 3° ?
(...) Hoe gebeurt de taxatie indien niet het volledige kapitaal wordt uitgekeerd op de vervaldag, maar als de uitkering gebeurt in de vorm van lijfrente ?".
Op 26 februari 1996 antwoordde de hoofdcontroleur daarop dat "er bij het verstrijken van het contract geen taxatie zal dienen te gebeuren van het uitgekeerde kapitaal zoals voorzien in artikel 34, § 1, 2° en er uit dien hoofde geen inhouding dient te gebeuren. Bij een eventuele taxatie op grond van artikel 19, § 1, 3° en § 4 van het WIB 92, heeft de belastbare basis het karakter van roerend inkomen en is de uitkering in beginsel aan R.V. onderworpen".
19. Met reden deed de eerste rechter terzake gelden dat appellanten niet kunnen eisen dat de administratie, gelet op de brieven van de hoofdcontroleur van de controle van de belastingen te Diest, de wet niet zou toepassen.
Vanzelfsprekend sluiten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur het recht op rechtszekerheid in. Dit recht houdt met name in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrag- of beleidsregel krachtens dewelke de openbare diensten de door hen bij hem gewekte gerechtvaardigde verwachtingen moeten inlossen16.
Het recht op rechtszekerheid is evenwel niet absoluut en kan met name geen afwijking van de wet rechtvaardigen en leiden tot een beleid dat tegen de wet ingaat17.
Het recht op rechtszekerheid kan derhalve niet tot gevolg hebben dat eventuele foutieve inlichtingen vanwege de administratie aan de belastingplichtige gegeven ertoe leiden dat de administratie bij de vestiging van de aanslag de wet niet zou moeten toepassen.
A. 4. Wat de eis tot schadevergoeding betreft
A. 4. 1. Wat de toepassing van art. 807 Ger. W. betreft
20. Geïntimeerde meent dat appellanten, door in aanvullende besluiten voor het eerst te vorderen dat een schadevergoeding zou worden toegekend overeenkomstig art. 1382 B.W., zijn overgegaan tot wijziging niet alleen van het voorwerp van de gedinginleidende akte (schadevergoeding), hetgeen mogelijk is, maar ook van de oorzaak daarvan (het bewijs van feitelijke fout en schade in de zin van art. 1382 B.W. en van het oorzakelijk verband tussen beide), hetgeen niet mogelijk is.
21. Overeenkomstig art. 807 Ger.W. kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, worden uitgebreid of gewijzigd indien de nieuwe, op tegenspraak genomen besluiten berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.
Deze bepaling laat toe dat het voorwerp van de eis - zijnde wat wordt gevorderd - wordt uitgebreid en gewijzigd en dat aan deze eis een nieuwe juridische omschrijving wordt gegeven, mits de oorzaak van de eis - zijnde het geheel van de (rechts)feiten en/of (rechts)handelingen die het geschil hebben uitgelokt en die de eiser aanvoert tot staving van het gevorderde - niet wordt gewijzigd.
Art. 807 Ger. W. is krachtens art. 1042 Ger. W. eveneens van toepassing in graad van hoger beroep. Ook in hoger beroep is dus enkel vereist dat de uitbreiding of wijziging van de eis berust op een feit of akte die in de dagvaarding werd aangevoerd.
De op het geschil toepasselijke rechtsregels vormen de oorzaak van de vordering niet18.
De wijziging of uitbreiding van de vordering tot schadevergoeding is geen nieuwe eis, wanneer die virtueel in de oorspronkelijke vordering is begrepen19.
22. In deze meent het hof dat de vordering tot schadevergoeding inderdaad virtueel begrepen was in de oorspronkelijke vordering. In hun op 5 juli 2002 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven neergelegde verzoekschrift verwijzen appellanten immers naar het antwoord van de Belgische taxatie dienst en roepen zij een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in.
Welnu, in het licht van art. 1382 B. W. dienen twee soorten van onrechtmatig handelen te worden onderscheiden: enerzijds het onrechtmatig handelen wegens de schending van een (grond-) wettelijke of reglementaire norm die een bepaald gebod of verbod oplegt en anderzijds het onrechtmatig handelen wegens een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm20.
Uit hetgeen hiervoor onder nr. 19 werd gezegd, blijkt dat het in deze enkel om een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm kan gaan. Welnu, in de rechtspraak werd de algemene zorgvuldigheidsnorm geconcretiseerd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur21.
Derhalve was de vordering tot schadevergoeding reeds virtueel begrepen in de oorspronkelijke vordering, en dient de wijziging of uitbreiding van' de eis toelaatbaar te worden verklaard op grond van art. 807 Ger. W.
A. 4. 2. Wat de beweerde verjaring betreft
23. Geïntimeerde stelt, onder verwijzing naar een cassatiearrest van 19 juni 2000, dat de inleidende vordering niet automatisch de verjaring stuit ten aanzien van de nieuwe vordering en dat als principe geldt dat de stuiting van de verjaring door de inleidende akte enkel betrekking heeft op de vordering die daarmee wordt ingeleid en niet ten aanzien van een andere vordering, zoals de later gewijzigde of uitgebreide vordering.
24. Er dient evenwel te worden aangenomen dat de inleidende akte niet alleen de verjaring stuit voor de eis die ze inleidt, maar ook voor de eis die virtueel daarin begrepen is22.
Nu het hof hiervoor onder nr. 22 tot het besluit kwam dat de vordering tot schadevergoeding reeds virtueel begrepen was in de oorspronkelijke vordering, heeft de gedinginleidende akte (in deze het tegensprekelijk verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 5 juli 2002) ook de verjaring van de vordering tot schadevergoeding gestuit.
25. Wel dient te worden gewezen op art. 100, lid 1, 1° van de Gecoördineerde Wetten op de Rijkscomptabiliteit (hierna afgekort : G.W.R.) dat bepaalt dat buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen tegen de Staat verjaren na 5 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het kalenderjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.
Hoewel deze bepaling werd opgeheven door de Wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat23 en er werd bepaald dat de verjaringsregels van het gemene recht voortaan van toepassing zijn, was deze wet nog niet in werking getreden op het ogenblik van de neerlegging van het tegensprekelijk verzoekschrift op 5 juli 2002. Bovendien bepaalt art. 131, lid 1 van voornoemde Wet van 22 mei 2003 bij wijze van overgangsbepaling dat art. 100, lid 1 G.W.R. van toepassing blijft op schuldvorderingen die zijn ontstaan voor de inwerkingtreding van deze wet.
In deze meent het hof dat de schuldvordering tegen de Belgische Staat is ontstaan voor de inwerkingtreding van de Wet van 22 mei 2003.
Dit is alleszins het geval voor zover deze schuldvordering de supplementaire aanslag in de P.B. betreft. Er dient te worden aangenomen dat een rechtsvordering uit onrechtmatige daad ontstaat vanaf het ogenblik dat alle constitutieve bestanddelen aanwezig zijn, met name de tot aansprakelijkheid aanleiding gevende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide. In dat verband is niet vereist dat de schade reeds tot uiting is gekomen of dat de aanspraakgerechtigde er kennis van heeft24. De schade zelf ontstond op datum van inkohiering van de belasting, dit is wat de in het geding zijnde supplementaire aanslag betreft op 20 december 1999.
Naast de supplementaire aanslag in de P.B. heeft de schuldvordering van appellanten tegen de Belgische Staat ook betrekking op de door Z. op 1 juni 1996 ingehouden bedrijfsvoorheffing. Nu deze inhouding door Z. gebeurde en niet door de Belgische Staat, kan men bezwaarlijk voorhouden dat de door appellanten op dat ogenblik geleden schade toe te rekenen was aan de Belgische Staat. In de eerste aanslag d.d. 15 juni 1998 werd er geen rekening gehouden met de ingehouden bedrijfsvoorheffing. Dit is pas gebeurd in de supplementaire aanslag d.d. 20 december 1999. Pas op dat ogenblik werd de ingehouden bedrijfsvoorheffing in aanmerking genomen door de Belgische Staat, en kan men voorhouden dat de door appellanten geleden schade toe te rekenen valt aan de Belgische Staat.
In het licht van art. 100, lid 1, 1° G.W.R. begon derhalve de verjaring voor de schuldvordering, zowel wat de supplementaire aanslag betreft, als wat de bedrijfsvoorheffing betreft, te lopen op 1 januari van het jaar van inkohiering van de supplementaire aanslag in de P.B., d.w.z. op 1 januari 1999.
Derhalve werd de vordering op grond van art. 1382 B.W. tijdig ingesteld op grond van art. 100 G.W.R.
26. Wel bepaalt art. 101 G.W.R. dat de verjaring wordt gestuit door een gerechtsdeurwaarderexploot, daar waar in deze de vordering aanhangig werd gemaakt met een tegensprekelijk verzoekschrift.
Er kan evenwel redelijkerwijze worden aangenomen dat een vordering gebaseerd op art. 1382 B.W. tegen de Belgische Staat uit hoofde van een gevestigde supplementaire aanslag in de personenbelasting een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet in de zin van art. 569, 32° Ger. W. uitmaakt, geschil dat krachtens art. 1385decies Ger. W. wordt ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak25.
Derhalve dient te worden aangenomen dat de verjaring in deze werd gestuit door het tegensprekelijk verzoekschrift.
A. 4. 3. Ten gronde
27. In hoofdorde roept geïntimeerde in dat, nu het WIB 1992 zelf regels betreffende de taxatieprocedure bevat, er voor geschillen betreffende de berekening van de belastbare grondslag en de vestiging van de belasting geen beroep kan worden gedaan op de bepalingen van het B.W. Geïntimeerde stelt dat het principieel verboden is om op onrechtstreekse wijze via het B.W. te vorderen datgene wat men niet rechtstreeks via de voorgeschreven procedure kan verkrijgen. Het verplichte en openbare orde-karakter van de fiscale procedure kan niet worden omzeild middels het instellen van burgerrechtelijke vorderingen.
Uiterst ondergeschikt houdt geïntimeerde voor dat er geen fout in hoofde van de optredende ambtenaar kan worden aangenomen, gelet op de misleidende vraagstellingen van appellanten.
28. Een belastingplichtige kan niet op onrechtstreekse wijze via het B.W. vorderen wat hij rechtstreeks via de voorgeschreven fiscale procedure kan verkrijgen, maar heeft nagelaten te vorderen.
In deze hebben appellanten de geëigende fiscale procedure evenwel correct doorlopen door vooreerst tegen de inhouding door Z. van de bedrijfsvoorheffing én tegen de supplementaire aanslag een bezwaar in te dienen en door nadien, na het tussenkomen van de voor hen ongunstige directoriale beslissing, een procedure in te leiden bij de territoriaal bevoegde rechtbank van eerste aanleg.
De zienswijze van geïntimeerde, zoals uiteengezet onder nr. 27, zou er in feite op neerkomen dat in fiscale geschillen, waarvoor een bijzondere fiscale procedure geldt, nooit een op art. 1382 B.W. gebaseerde vordering in schadevergoeding tegen de Belgische Staat zou kunnen worden ingesteld.
Deze zienswijze gaat in tegen de cassatierechtspraak26, die het hof bijtreedt, en waarin het Hof van Cassatie op algemene wijze heeft gesteld dat geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel de administratieve overheid in de uitoefening van haar taak vrijstelt van de verplichting voortvloeiend uit de artikelen 1382 en 1383 B.W. Derhalve is de administratieve overheid op basis van de artikelen 1382 en 1383 B.W. gehouden de door haar fout aan een ander toegebrachte schade te vergoeden. Dit uitgangspunt geldt ook in fiscale aangelegenheden.
29. Ten onrechte houdt geïntimeerde voor dat appellanten misleidende vraagstellingen hebben gericht aan de optredende ambtenaar.
Zo voegden appellanten bij hun oorspronkelijk schrijven van 15 februari 1996 een kopie van de polis Z., alsook van de bijzondere voorwaarden, waarin uitdrukkelijk het volgende staat vermeld : "Dit contract vloeit voort uit een pensioentoezegging gedaan door de werkgever van de verzekerde, L. BV te … Nederland. De financiering gebeurt door middel van overdracht van de daartoe aanwezige reserves bij deze vennootschap”27.
Verder verwijzen appellanten in hun tweede schrijven van 22 februari 1996 uitdrukkelijk naar hun initiële schrijven van 15 februari 1996 en het antwoord daarop van de behandelende ambtenaar van 19 februari 199628. Het is derhalve duidelijk dat het tweede schrijven van appellanten wel degelijk ook op hun persoonlijke zaak betrekking had.
Geïntimeerde kan bijgevolg geenszins voorhouden dat hij door appellanten werd misleid.
Derhalve heeft geïntimeerde wel degelijk foutieve inlichtingen verstrekt en zodoende een fout begaan.
30. Nu vaststaat dat door geïntimeerde verkeerde inlichtingen werden verstrekt, dient te worden onderzocht of ook de twee andere bestanddelen van art. 1382 B.W., nl. de schade en het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade, voorhanden zijn.
Wat het oorzakelijk verband betreft, stelt het hof vast dat appellanten op 22 februari 1996 de administratie hebben ondervraagd omtrent twee alternatieve mogelijkheden, nl. de uitkering van een eenmalig kapitaal en de uitkering in de vorm van een lijfrente, en dat zij op grond van het antwoord van de administratie van 26 februari 1996 een keuze hebben gemaakt tussen deze twee mogelijkheden.
Derhalve waren het wel degelijk de verkeerde inlichtingen van de administratie die de schade in hoofde van appellanten hebben veroorzaakt. Bijgevolg staat het oorzakelijk verband tussen fout en schade vast.
Wat het bedrag van de door hen geleden schade betreft, stellen appellanten dat hun schade bestaat uit de betwiste belasting met inbegrip van verhogingen en nalatigheidinteresten.
Een nuance is hier evenwel op zijn plaats. In haar voormeld antwoord van 26 februari 1996 verwijst de administratie uitdrukkelijk naar art. 19 WIB. 1992, dat betrekking heeft op de taxatie als roerende inkomsten. Dat het door Z. uitgekeerde bedrag in ieder geval aanleiding geeft tot een belasting als roerende inkomsten, wordt overigens niet betwist door appellanten, die de oorspronkelijke aanslag voor het aanslagjaar 1997, gevestigd onder kohier artikel …, niet bestrijden29.
De betwisting van appellanten slaat op de ingehouden bedrijfsvoorheffing, alsook op de supplementaire aanslag voor het aanslagjaar 1997, gevestigd onder kohierartikel …30.
Het hof gaat met appellanten akkoord dat het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing deel uitmaakt van de door hen geleden schade.
Hetzelfde geldt evenwel niet zonder meer voor de supplementaire aanslag ten belope van … BEF (… EUR). In deze supplementaire aanslag werd immers terecht het bedrag van de afzonderlijk belastbare roerende inkomsten (code 155).opgetrokken van … BEF tot …. Het hof verwijst terzake naar de oordeelkundige motieven van de gewestelijke directeur op pagina 4 van de directoriale beslissing31. Voor zover de supplementaire aanslag betrekking heeft op het bedrag van de afzonderlijk belastbare roerende inkomsten, met inbegrip van de crisisbelasting en de gemeentebelasting, dient dan ook te worden aangenomen dat deze geen deel uitmaakt, van de door appellanten geleden, schade.
Voor het eventuele overige van de supplementaire aanslag is dat wel het geval.
Teneinde het bedrag van de door appellanten uit hoofde van de supplementaire aanslag eventueel geleden schade te berekenen, beveelt het hof een herberekening van deze aanslag in functie van de loutere verhoging van het bedrag van de afzonderlijk belastbare roerende inkomsten, en dus zonder in acht name van de afzonderlijk belastbare beroepsinkomsten of van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. Op het resultaat van deze berekening dient vervolgens het bedrag van de supplementaire aanslag ten belope van … BEF (… EUR) in mindering te worden gebracht.
Geeft deze berekening een positief verschil, dan dient dit bedrag in mindering te worden gebracht van het bedrag van de door Z. ingehouden bedrijfsvoorheffing. Geeft deze berekening daarentegen een negatief verschil, dan dient dit verschil te worden gevoegd bij het bedrag van de door Z. ingehouden bedrijfsvoorheffing.
Aldus komt men uit op het bedrag in hoofdsom van de door appellanten geleden schade.
Dit bedrag dient dan nog te worden vermeerderd met de verhogingen, alsook met de nalatigheidinteresten te rekenen vanaf de neerlegging door appellanten van huil verzoekschrift ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (op 5 juli 2002) (zie onder nr. 22, hiervoor).
Het hof stelt vast dat geïntimeerde op voormelde punten inzake het oorzakelijk verband en de door appellanten geleden schade zelfs geen verweer voert.
Derhalve dient de eis tot schadevergoeding van appellanten in de hiervoor bepaalde mate te worden ingewilligd.
B. WAT DE KOSTEN BETREFT
Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak.
Ter openbare zitting van het hof van 20 november 2008 verklaarden beide partijen terzake de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van … EUR te begroten.
OM DEZE'REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak,
Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond;,
Doet het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 19 maart 2004 teniet en, opnieuw rechtsprekend,
Kent aan appellanten een schadevergoeding toe, te berekenen zoals hiervoor onder nr. 30 uiteengezet;
Wijst het meergevorderde af;
Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot in graad van hoger beroep op … EUR voor appellanten en op … EUR voor geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 18/12/2008.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
J. V., raadsheer d.d. voorzitter,
P. V., raadsheer,
C. V., raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. C. V. P. V. J. V.
____
1 Thans art. 39, § 2, 2°, a WIB 1992.
2 Bull. Bel. 1969, 654.
3 Zie : Cass. 17 februari 2000, T.F.R.-net 2001 / n 28.
4 In dezelfde zin, zie : Antwerpen 19 oktober 1999, T.F.R. 2000, 309; Antwerpen 19 september 2000, T.F.R. 2001, 207; Antwerpen 10 oktober 2000, Fiscoloog 2000, nr. 773, p. 6; T.F.R. 2001, 204, waarbij het hof terecht is teruggekomen op zijn eerdere rechtspraak van 28 april 1998, T. Verz. 2000, 302.
5 zie : K. VAN DUYSE, "Een stappenplan voor pensioenen opgebouwd in het buitenland en de aldaar definitief verworven rechten", noot onder Cass. 11 april 2002, T.F.R. 2002, nr. 11, p. 807.
6 Zie : Cass. 20 juni 1986, A.F.T. 1987, 85, dat terzake van interne pensioenreservering de mogelijkheid van het ontstaan van definitief verworven rechten tijdens de opbouwfase niet principieel uitsluit. zie ook: Antwerpen 18 september 1995, A.F.T. 1996, 85; Antwerpen 22 oktober 1996, A.F.T. 1997, 93; Fisc. Koer. 1996, 622; F.J.F. 1997, N° 97/99; Antwerpen 16 maart 1999, Fiscoloog nr. 710, 2 juni 1999, 11.
7 zie : Antwerpen 1.9 oktober 1.999, voormeld, waarbij het hof terecht is teruggekomen op zijn eerdere rechtspraak van 22 oktober 1996, voormeld.
8 zie : Antwerpen 19 oktober 1999, voormeld, waarbij het hof terecht is teruggekomen op zijn eerdere rechtspraak van 18 september 1995, voormeld.
9 Zie : Cass. 20 juni 1986, voormeld; Antwerpen 19 oktober 1999, voormeld.
10 Zoals wel het geval was in Antwerpen 18 september 1995, voormeld.
11 Zoals wel het geval was in Brussel 24 oktober 2007, T.F.R. 2008, 868.
12 Zie : Cass. 11 april 2002, Arr. Cass. 2002, 961; Pas. 2002, 871; T.F.R. 2002, 801.
13 In dezelfde zin, zie : T. LEEUWERCK, "Nederlandse pensioenen : misvatting over cassatiearrest beheerst recente rechtspraak", Fisc. Act., 2006, nr. 31, pp. 1. e.v.
14 De inwerkingtreding van deze wet werd bepaald op de eerste dag van de derde maand na die waarin zij is bekendgemaakt in het B.S., d.w.z. op 1 oktober 2004.
15 Door België geratificeerd bij Wet van 14 juli 1987, B.S. 9 oktober 1987.
16 Zie : Cass. 27 maart 1992, N.F.M. 1993, 70; R.C.J.B. 1995, 53; R.W. 1991-1992, 1466.
17 Zie o.m. : Cass. 14 juni 1999, R.W. 1999-2000, 1450; Cass.. 6 november 2000, Fisc. Koer. 2001, 4; F.J.F. 2000, N° 2000/271; T.F.R. 2001, 164; Cass. 26 oktober 2001, F.J.F. 2001, N° 2001/271.
18 Zie : Cass. 16 januari 1989, Arr. Cass. 1988-1989, 585; Pas. 1989, I, 523.
19 Zie : Cass. 8 september 1986, Arr. Cass.1986-1987, 29; Pas. 1987, I, 28.
20 Zie : J. VELU, conclusies van de Advocaat-Generaal bij Cass. 13 mei 1982, J.T. 1982, 780.
21 Zie : L. CORNELIS, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, I, Antwerpen, Maklu, 1989, 39; K. LEUS, "Het zorgvuldigheidsbeginsel", in I. OPDEBEEK en M. VAN DAMME (ed.), Beginselen van behoorlijk bestuur, Brugge, Die Keure, 2006, nr. 147, p. 107; I. OPDEBEEK, Rechtsbescherming tegen het stilzitten van het bestuur, Brugge, Die keure, 1992, 30 e.v.
22 Zie : Cass. 7 mei 2001, R.W. 2001-2002, 992; J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS en P. THIRIAR, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, 'p. 495, voetnoot 1; W. WILMS, Dagvaarding en verjaring, Antwerpen, Maklu, J.990, nrs. 132-133, pp. 83-85.
23 B.S. 3 juli 2003.
24 In dezelfde zin, zie : J. BAECK, “Buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen tegen de overheid", N.j.W. 2006, 872.
25 In dezelfde zin, zie : J.-P. MAGREMANNE, D. LAMBOT, M. MARLIERE en B. DE CLIPPEL, Le contentieux de l'impôt sur les revenus, Brussel, Editions Kluwer, 2000, nr. 426, p. 474.
26 Zie o.m. : Cass. 3-3 mei 3-982, Arr. Cass. 1981-1982, 3-134; J.T. 1982, 772 met conclusies van de Advocaat-Generaal J. VELU; R.W. 1984-1985, 606; Cass. 10 juni 1994, Arr. Cass. 3-994, 594; Bull. 1994, 572; Pas. 1994, I, 572; T. Gem. 1995, 282.
27 zie : stukken LV 19 en volgende van het administratief dossier.
28 zie : stukken LV 15 en volgende van het administratief dossier.
29 zie : pagina 3 van hun op 15 april 2005 ter griffie van het hof neergelegde synthesebesluiten.
30 Zie : pagina 2 van dezelfde synthesebesluiten.
31 zie : stuk LV 1 / 4 van het administratief dossier.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.