---
title: "Vordering in rechte, Ambtshalve wijziging door de rechter · Hof van Cassatie van België, 17 februari 2005, C.03.0423.F"
description: "Vordering in rechte, Ambtshalve wijziging door de rechter, rechtsvordering. Hof van Cassatie van België, 17 februari 2005, C.03.0423.F."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vordering-in-rechte-ambtshalve-wijziging-cassatie-brussel-2005-02-17-17dc"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/demande-justice-modification-office-juge-cassation-bruxelles-2005-02-17-5f1a"
---

# Vordering in rechte, Ambtshalve wijziging door de rechter, rechtsvordering

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Rolnummer**

C.03.0423.F

**Datum**

17 februari 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

97 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 17.02.2005 (C.03.0423.F)

*Vordering in rechte - Ambtshalve wijziging door de rechter*

## Wettelijke bepalingen

Art. 54, W.BTW

Artt. 1319, 1320 et 1322, Burgerlijk Wetboek

## Samenvatting

Krachtens het beschikkingsbeginsel kan de rechter het onderwerp van de vordering niet ambtshalve wijzigen door het ofwel aan te vullen ofwel een eis door een andere te vervangen.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie

**dd. 17.02.2005**

**(C.03.0423.F)**

1\. BANQUE BELGOLAISE, naamloze vennootschap,

2\. FORTIS BANK, naamloze vennootschap,

3\. AXA BANK BELGIUM, naamloze vennootschap,

4\. CBC BANK, naamloze vennootschap, Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, ten aanzien van

1\. S. C. J.,

2.a. C. W.,

2.b. B. P.,

2.c. J. H.,

2.d. J. Y.

## I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 14 maart 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

## II. Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

## III. Cassatiemiddelen

De eiseressen voeren twee middelen aan.

*Het eerste luidt als volgt :*

*Geschonden wettelijke bepalingen*

\- de artikelen 702, 3°, 807, 1042 en 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek ;

\- het [artikel 54 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-54), ingevoerd bij de wet van 3 juli 1969 (hierna B.T.W.-Wetboek), welk artikel 54 is gewijzigd bij de wet van 27 december 1977 ;

\- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ;

\- het artikel 149 van de Grondwet ;

\- het algemeen beginsel van het recht van verdediging ;

\- algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, neergelegd in de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.

*Aangevochten beslissingen en redenen*

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerder gegrond, doet het beroepen vonnis van 4 april 1986 teniet en verklaart de oorspronkelijke vorderingen niet gegrond.

Het beslist aldus op de volgende gronden :

"T.I.A.C. poogt voor de uitvoer vrijstelling van B.T.W. te krijgen op basis van de facturen waarvan zij, althans vandaag, weet dat zij betrekking hebben op een niet bestaande uitvoer en verband houden met een omvangrijke B.T.W.-ontduiking. De eerste rechter heeft haar dat recht toegekend. De administratie betwist die beslissing.

De administratie betoogt terecht dat het voldoende is dat wordt aangetoond dat T.I.A.C. niet aan de door haar aangevoerde vrijstellingsvoorwaarden voldoet opdat de B.T.W. op de door T.I.A.C. opgemaakte facturen niet in aanmerking zou kunnen komen voor teruggave, wat de dwangbevelen verantwoordt. Kwade trouw of bedrieglijke verstandhouding hebben geen invloed op de beslechting van het geschil.

De B.T.W. is verschuldigd zodra de factuur wordt opgemaakt op grond van de door artikel 54 van het B.T.W.-wetboek ingevoerde fictie.

T.I.A.C. brengt het B.T.W.-bedrag dat op de facturen van Vidéophone staat, in aftrek en doet, op basis van de onjuiste facturen die zij opmaakt en die bestemd zijn voor de door V. gecontroleerde Luxemburgse vennootschappen, alsook op basis van valse vervoerbewijzen, die door oplichters zijn bezorgd, pogingen om vrijstelling van B.T.W. te verkrijgen voor intracommuntaire export.

T.I.A.C. heeft de facturen opgemaakt voor de producten die op die facturen vermeld staan. Zij is dus krachtens artikel 54 B.T.W. verschuldigd op die facturen.

Zij kan daarvoor vrijstelling krijgen, in zoverre zij aantoont dat de gefactureerde producten bestemd zijn voor de export.

Niet alleen slaagt zij er niet in de uitvoer van de producten aan te tonen, wat nochtans een vereiste is om die vrijstelling te verkrijgen, maar bovendien verklaart zij dat er nooit uitvoer heeft plaatsgevonden en dat de papieren die voornoemde export bewijzen, vals zijn.

Zij beroept zich evenwel op haar goede trouw.

Artikel 54 van het B.T.W.-wetboek geldt echter niet enkel in het geval van kwade trouw. Het is voldoende een factuur op te maken opdat de B.T.W. verschuldigd zou zijn op de gefactureerde producten, behoudens vrijstelling.

Voor de toepassing van de regels van het B.T.W.-wetboek is het evenwel voldoende dat de administratie aantoont dat de door T.I.A.C. aangevoerde vrijstellingsvoorwaarden niet vervuld zijn opdat laatstgenoemde zich niet zou kunnen beroepen op de vrijstelling van B.T.W. op de door haar opgemaakte facturen.

T.I.A.C. toont niet aan dat zij in de voorwaarden verkeert om vrijstelling van B.T.W. te krijgen voor de door haar aan de Luxemburgse vennootschappen gefactureerde producten, aangezien die producten nooit zijn uitgevoerd.

De uitoefening van het recht op aftrek waarvan sprake is in de 6e richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 strekt zich niet uit tot de belasting die uitsluitend verschuldigd is omdat zij vermeld wordt op een factuur (arrest Genius, Arr. H.v.J., 13 december 1989).

De omstandigheid dat oplichting, waarvan T.I.A.C. beweert het slachtoffer te zijn geweest, er de oorzaak van is dat geen uitvoer heeft plaatsgehad, heeft geen invloed op de beslechting van het geschil.

Het recht stemt hierin trouwens overeen met de billijkheid. Er is geen enkele reden waarom de Belgische Staat en dus de Belgische burger zou moeten opdraaien voor de ongewenste gevolgen van het commerciële risico dat verbonden was aan het door T.I.A.C. aan haar klanten voorgestelde financiële product. De door haar gedane betalingen zijn geschied naar aanleiding van dit financiële product, zonder dat er enige passende controle was op de werkelijkheid van de door haar persoonlijk gefactureerde handelingen. Zij baseerde zich daarvoor op valse facturen die waren opgemaakt door haar klanten die oplichters bleken te zijn en van wie zij het slachtoffer beweert te zijn geweest.

De tekst van artikel 54 is formeel. Een ieder die een bedrag aanrekent als B.T.W., wordt schuldenaar van die belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur. Vergeefs betoogt T.I.A.C. dat zij haar facturen zonder B.T.W. heeft opgemaakt. Het bedrag van de B.T.W. staat weliswaar niet vermeld op de voor de export bestemde facturen, maar T.I.A.C. heeft op die facturen alsook op de erbij gevoegde stukken het bedrag van de B.T.W. aangerekend teneinde de terugbetaling ervan te verkrijgen. Artikel 54 van het B.T.W.-wetboek moet derhalve zonder voorbehoud op T.I.A.C. worden toegepast".

*Grieven*

*1. Eerste onderdeel*

(1) Zowel de oorspronkelijke vorderingen van T.I.A.C. als de vorderingen die de eiseressen en verweerder in hoger beroep hebben ingesteld, hadden betrekking op de vraag of T.I.A.C. het recht had de B.T.W. en de bijzondere heffingen op de luxeartikelen die door de b.v.b.a. Vidéophone van april tot december 1984 aan T.I.A.C. waren gefactureerd, in aftrek te brengen of zich te doen teruggeven.

De eerste oorspronkelijke vordering van T.I.A.C. die was ingesteld bij een op 19 februari 1985 aan verweerder betekend exploot en die was vervolledigd door op 23 juli en 26 december 1985 in de zaak A.R. nr. 2.929 neergelegde aanvullende conclusies, strekte ertoe "voor recht te horen zeggen dat (T.I.A.C.) de B.T.W.

en de bijzondere heffingen, ten bedrage van in totaal 179.197.803 frank, op de haar door de b.v.b.a.

Vidéophone van april tot december 1984 gefactureerde luxeartikelen terecht heeft afgetrokken in haar maandelijkse B.T.W.-aangiftes ; (verweerder) te doen veroordelen om aan (T.I.A.C.) het door (verweerder) op die dag ten onrechte achtergehouden bedrag van 173.883.697 frank, te betalen; (verweerder) te doen veroordelen tot betaling van de moratoire interest tegen de wettelijke rentevoet van één pct. per mand op de onverschuldigd achtergehouden bedragen (...) ; (verweerder) te doen veroordelen tot betaling van de gerechtelijke interest (...)".

De tweede oorspronkelijke vordering van T.I.A.C. die was ingesteld bij verzet tegen het op 7 november 1985 in de zaak AR. Nr. 21.241 aan verweerder betekende dwangbevel, strekte ertoe "het op 28 oktober 1985 aan (T.I.A.C.) (...) ter kennis gebrachte dwangbevel tot betaling van het B.T.W. -bedrag van 179.197.903 frank , een geldboete van 187.654.796 frank en verwijlinterest ten bedrage van 4.025.193 frank (...), nietig te doen verklaren".

In hun appèlconclusie betoogden de eiseressen "dat uit de voorafgaande gedachtegang volgt dat (T.I.A.C.) wel degelijk het recht had om, zoals zij gedaan heeft, de B.T.W. en de bijzondere heffingen, ten bedrage van in totaal 179.197.803 frank, op de haar door de b.v.b.a. Vidéophone van april tot december 1984 gefactureerde luxeartikelen, in aftrek te brengen en de teruggave ervan te verkrijgen" en derhalve verzochten zij het hof van beroep om het beroepen vonnis van 4 april 1986, dat de oorspronkelijke vorderingen van T.I.A.C.

volledig had toegewezen, in zijn geheel te bevestigen.

In zijn appèlconclusie verzocht verweerder van zijn kant het hof van beroep om het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo van 4 april 1986 te wijzigen en, in hoger beroep in de zaak AR. nr. 2.929 "voor recht te zeggen dat (T.I.A.C.) het B.T.W.-wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan heeft overtreden door de belasting over de toegevoegde waarde en de bijzondere heffingen, ten bedrage van in totaal 179.197.903 frank, op de haar door de b.v.b.a. Vidéophone van april tot december 1984 gefactureerde luxeartikelen, in aftrek te brengen in haar periodieke B.T.W.-aangiftes" en "derhalve (T.I.A.C.) te doen veroordelen om (aan verweerder) het bedrag van 179.197.903 frank te betalen, zijnde het totaalbedrag van de door (T.I.A.C.) ten onrechte gedane aftrekverrichtingen (...)" en, in hoger beroep in de zaak A.R.

nr. 14.241, "het door (T.I.A.C.) tegen het dwangbevel gedane verzet ontvankelijk maar niet gegrond te verklaren". (2) De rechter mag de door de partijen aangevoerde redenen alleen ambtshalve door andere vervangen, indien hij noch het onderwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt (artikelen 702, 3°, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek) en hij zodoende het recht van verdediging van de partijen eerbiedigt (algemeen beginsel van het recht van verdediging).

Door te verklaren dat "T.I.A.C. voor de uitvoer vrijstelling van B.T.W. poogt te krijgen op basis van de facturen waarvan zij althans vandaag, weet dat zij betrekking hebben op een niet bestaande uitvoer en verband houden met een omvangrijke B.T.W.-ontduiking. De eerste rechter heeft haar dat recht toegekend.

De administratie betwist die beslissing", wijzigt het arrest het onderwerp en de oorzaak van de oorspronkelijke vorderingen van T.I.A.C. en van de door de eiseressen in hoger beroep ingestelde vordering, aangezien uit de supra sub (1) weergegeven overwegingen blijkt dat noch T.I.A.C. noch de eiseressen met die vorderingen B.T.W.-vrijstelling op de litigieuze export wilden verkrijgen, maar enkel voor recht wilden doen zeggen dat T.I.A.C. wel degelijk het recht had om, zoals zij gedaan heeft, de B.T.W. en de bijzondere heffingen op de luxeartikelen die haar door de b.v.b.a. Vidéophone van april tot december 1984 waren gefacgtureerd, in aftrek te brengen en zich te doen teruggeven door verweerder.

In zoverre het arrest beslist dat "de administratie terecht betoogt dat het voldoende is dat wordt aangetoond dat T.I.A.C. niet aan de door haar aangevoerde vrijstellingsvoorwaarden voldoet opdat de B.T.W. op de door T.I.A.C. opgemaakte facturen niet in aanmerking zou kunnen komen voor teruggave, wat de dwangbevelen verantwoordt", wijzigt het daarenboven het onderwerp en de oorzaak van de door verweerder in hoger beroep ingestelde vordering, aangezien uit de supra sub (1) weergegeven overwegingen blijkt dat die vordering enkel strekte tot verwerping van het recht op teruggave van de B.T.W. en van de speciale heffingen op de door de b.v.b.a. Vidéophone van april tot december 1984 aan T.I.A.C. gefactureerde luxeartikelen, en dat derhalve de verwerping van het recht op teruggave van de B.T.W. en van de bijzondere heffingen op de door T.I.A.C. aan de buitenlandse kopers gefactureerde luxeartikelen niet het onderwerp of de oorzaak van die vordering was.

Zodoende heeft het arrest op onwettige wijze het onderwerp en de oorzaak van de oorspronkelijke vorderingen van T.I.A.C. en van de door de eiseressen en verweerder in hoger beroep ingestelde vorderingen gewijzigd (schending van de artikelen 702, 3°, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek) en, doordat het de eiseressen niet de gelegenheid heeft gegeven verweer te voeren over de aldus gewijzigde vorderingen, heeft het hun recht van verdediging geschonden (schending van het algemeen beginsel van het recht van verdediging).

Door het onderwerp en de oorzaak van de vorderingen van de partijen aldus te wijzigen, doet het arrest bovendien uitspraak over niet gevorderde zaken (schending van de artikelen 702, 3°, 807, 1042 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, en van het in het middel vermelde algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, dat is neergelegd in de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek).

(3) Ten slotte volgt uit de supra sub (1) weergegeven bewoordingen van de derde conclusie, die T.I.A.C.

op 26 december1985 heeft neergelegd, van het door T.I.A.C. op 7 november 1985 aan verweerder betekende verzet tegen het dwangbevel, en van de hoofdconclusie van de eiseressen in hoger beroep, dat de oorspronkelijke vorderingen van T.I.A.C. en de door de eiseressen in hoger beroep ingestelde vordering enkel ertoe strekten recht op aftrek te krijgen, alsook, derhalve, de teruggave van de B.T.W. en van de bijzondere heffingen op de door de b.v.b.a. Vidéophone van april tot december 1984 aan T.I.A.C. gefactureerde luxeartikelen.

Door te oordelen dat "T.I.A.C. voor de uitvoer vrijstelling van B.T.W. poogt te krijgen (...)", beslist het arrest dat de voormelde processtukken vermeldingen bevatten die daarin niet voorkomen, aldus daaraan een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en derhalve de bewijskracht ervan miskent (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

Bovendien volgt uit de hierboven sub (1) weergegeven bewoordingen van de hoofdconclusie van verweerder in hoger beroep dat verweerders weigering tot teruggave enkel betrekking heeft op de B.T.W. en de bijzondere heffingen op de door de b.v.b.a. Vidéophone van april tot december 1984 aan T.I.A.C. gefactureerde luxeartikelen.

Door te oordelen dat de door laatstgenoemden geweigerde teruggave betrekking heeft op "de B.T.W. op de door T.I.A.C. (aan de buitenlandse kopers) geadresseerde facturen", beslist het arrest dat voormelde processtukken vermeldingen bevatten die daarin niet voorkomen, daaraan aldus een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en derhalve de bewijskracht ervan miskent (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

## IV. Beslissing van het Hof

*Eerste middel :*

*Eerste onderdeel :*

Overwegende dat de vorderingen van de vennootschap T.I.A.C. ertoe strekten, enerzijds, voor recht te doen zeggen dat die vennootschap de belasting over de toegevoegde waarde en de bijzondere heffingen, ten bedrage van 179.197.803 frank, op de haar door een zekere vennootschap Vidéophone van april tot december 1984 gefactureerde producten, terecht had afgetrokken in haar maandelijkse B.T.W.-aangiftes, verweerder te doen veroordelen om haar het door laatstgenoemde ten onrechte achtergehouden bedrag van 173.883.697 frank te betalen, benevens de moratoire en de gerechtelijke interest, te doen betalen en, anderzijds, het dwangbevel dat door verweerder aan de vennootschap T.I.A.C. was betekend tot betaling van 179.197.803 frank, benevens de geldboeten en de moratoire interest, nietig te doen verklaren ;

Dat verweerder zelf, appellant, voor het hof van beroep de appèlrechters erom verzocht voor recht te doen zeggen dat de vennootschap T.I.A.C. het B.T.W.-wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan had overtreden door de belasting over de toegevoegde waarde en de bijzondere heffingen ten bedrage van 179.197.803 frank, op de haar door de vennootschap Vidéophone van april tot september 1984 gefactureerde artikelen in aftrek te brengen in haar periodieke B.T.W.-aangiftes, alsook om het verzet tegen voormeld dwangbevel niet gegrond te verklaren ;

Overwegende dat het arrest vermeldt dat de vennootschap T.I.A.C. voor de uitvoer vrijstelling van B.T.W.

poogt te krijgen "op basis van de facturen waarvan zij, althans vandaag, weet dat zij betrekking hebben op een niet bestaande uitvoer" en de beslissing van de eerste rechter teniet doet op grond van de overweging dat de vennootschap T.I.A.C. niet voldoet aan de voorwaarden "om vrijstelling van B.T.W. te krijgen op de door haar gefactureerde producten" ;

Dat het arrest, aangezien het aldus het onderwerp van de vorderingen van de vennootschap T.I.A.C. wijzigt, artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek schendt ;

Dat, in zoverre, het onderdeel gegrond is ;

Overwegende dat de vernietiging van de beslissing waarbij het arrest uitspraak doet over het hoger beroep van verweerder leidt tot de vernietiging van de beslissing waarbij het uitspraak doet over de vordering tot terugbetaling, door de eiseressen, van het bedrag dat hun door verweerder is betaald wegens de gedwongen tenuitvoerlegging van het beroepen vonnis ;

En overwegende dat de eiseressen belang erbij hebben dat het arrest bindend zou worden verklaard voor de te dien einde voor het Hof in de zaak opgeroepen partijen ;

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF**

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep en de dagvaarding tot bindendverklaring van het arrest ontvankelijk verklaart ;

Verklaart dit arrest bindend voor C. J. S. in de hoedanigheid van vereffenaar van de naamloze vennootschap Trade & Industry Acceptance Corporation (Belgium), alsook voor W. C., P.B., H. J. en Y. J., in de hoedanigheid van bestuurders van die vennootschap ;

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent over aan de feitenrechter ;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Christian Storck, waarnemend voorzitter, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Daniel Plas en Philippe Gosseries, en in openbare terechtzitting van zeventien februari tweeduizend en vijf uitgesproken door raadsheer Christian Storck, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Ernest Waûters en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 54](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-54) 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### België

1

Hof van beroep te Gent 22.06.2010

#### [Belastbare handeling, bewijs, controlemaatregel, teruggaaf van belasting, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbare-handeling-bewijs-controlemaatregel-teruggaaf-hof-van-beroep-gent-2010-06-22-7136)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Margeregeling tweedehandsvoertuigen, Belastingplichtige wederverkoper, Rechtszekerheids-en vertrouwensbeginsel, winstmargeregeling, tweedehands voertuig](https://juriel.be/nl/rechtspraak/margeregeling-tweedehandsvoertuigen-belastingplichtige-rechtbank-brussel-2021-12-13-0290) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Ontbreken van een GKS](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-ontbreken-gks-rechtbank-2023-05-30-187c) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan kassa, Niet-proportionele fiscale geldboeten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-2021-03-29-34a4) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Interest, Systeem van verrekening, Tarief interest](https://juriel.be/nl/rechtspraak/interest-systeem-verrekening-tarief-strijdigheid-cassatie-brussel-2023-03-24-9b56) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Uitvoer, Bewijs, Geldigheid van het dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-uitvoer-omzet-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-2020-12-15-9f0f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa, Niet-proportionele geldboeten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-2021-03-29-a73f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa, Niet-proportionele geldboeten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-2021-10-18-b86f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa, Niet-proportionele geldboeten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-namen-2022-09-06-d10a) 1 gemeenschappelijke bepalingen
