Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 21.01.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 21.01.2010
Nr. van de zaak : 2007/AR/3071
IN ZAKE VAN :
P. P. C., vennootschap naar het recht van de staat Delaware, met zetel te …, …, Verenigde Staten van Amerika, die woonst heeft gekozen op het kantoor van haar raadsman te …, …,
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester C. loco meester E. D. R., advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1030 Brussel, Paleizenstraat 48,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester J. B. loco meester J. H., advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….
R. 2010/553 Tussenarrest- HDD op 10.06.2010 om 14 u
In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.
PROCEDURE
Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 12 mei 2006, betekend op 22 oktober 2007, waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 20 november 2007.
FEITEN EN BESTREDEN BESLISSING
1. Appellante, buitenlandse belastingplichtige, vorderde voor de eerste rechter de erkenning van de NV N. als haar nieuwe aansprakelijke vertegenwoordiger, dit n.a.v. het faillissement op 5 mei 1998 van haar toenmalige aansprakelijke vertegenwoordiger, de NV A. F., alsmede de teruggaaf van de op de invoer van een zakenvliegtuig type Piper Malibu betaalde BTW ten bedrage van … EUR, meer de moratoire en gerechtelijke interesten.
Appellante verhuurde voormeld vliegtuig aan de NV A. F..
Appellante vorderde de teruggaaf van de BTW, nu het vliegtuig in 1998 werd verkocht en uitgevoerd.
Voormeld belastingkrediet van … EUR werd door geïntimeerde niet betwist.
Geïntimeerde stelde voor de eerste rechter wel een tegenvordering in tot compensatie van voormeld belastingkrediet met het door appellante verschuldigd bedrag van … EUR, zodat aan geïntimeerde nog het bedrag van … EUR toekomt.
De tegenvordering betreft enerzijds een herziening van de aftrek van de BTW op het vliegtuig, nu het huurcontract betreffende het vliegtuig werd beëindigd op 24 mei 1996, met ingang van 30 mei 1996, en anderzijds de navordering van de op de verhuur van het vliegtuig nog verschuldigde BTW.
Betreffende de herziening van de aftrek van de BTW en de navordering van de BTW werd op 19 juli 1999 een proces-verbaal opgesteld, dat volgde op een BTW-controle van appellante betreffende de periode van 1 januari 1995 tot 30 juni 1996.
De herziening gebeurde ten belope van vier vijfden van de afgetrokken BTW, hetzij 4/5 van … BEF = … BEF.
De nagevorderde BTW bedroeg het bedrag van … BEF.
De administratie vorderde aldus van de NV A. F., aansprakelijke vertegenwoordiger, in totaal :
BTW (… BEF) … EUR
geldboete (… BEF) … EUR
interesten op … EUR … EUR
… EUR
Nadat geïntimeerde in conclusie erop had gewezen dat de aanduiding van een nieuwe aansprakelijke vertegenwoordiger voor een belastingplichtige, die zoals appellante bevestigt dat er sedert 1996 geen belastbare handelingen in België werden gesteld en dat een BE-nummer derhalve niet gerechtvaardigd is, zinloos is, deed appellante voor de eerste rechter afstand van het eerste onderdeel van haar vordering.
2. Nu de curator van de NV A. F., failliet verklaard op 5 mei 1998, de vordering van geïntimeerde niet had betwist, besliste de eerste rechter dat deze vordering een zekere, vaststaande en opeisbare vordering is, die gedeeltelijk kon worden aangezuiverd door het voormelde belastingkrediet.
De eerste rechter verwierp voorts de verjaring van de vordering van geïntimeerde, opgeworpen door appellante.
De eerste rechter zegde dienvolgens voor recht dat de vordering van geïntimeerde van … EUR wordt aangezuiverd met het nog openstaande krediet ten bedrage van … EUR, en veroordeelde appellante dienvolgens tot betaling van het bedrag van … EUR.
Appellante werd in de kosten verwezen.
GRIEVEN
Appellante betwist het zekere, vaststaande en opeisbare karakter, evenals het effen karakter van de vordering van geïntimeerde.
Ook is die vordering, volgens appellante, verjaard.
Appellante streeft derhalve de hervorming van het bestreden vonnis na, en vraagt aan het hof geïntimeerde te veroordelen tot betaling van het bedrag van … EUR, vermeerderd met de moratoire interesten sedert 15 juli 1998 en de gerechtelijke interesten sedert de gedinginleidende dagvaarding, en de kosten.
Zij vraagt de tegenvordering af te wijzen als ongegrond.
Geïntimeerde nodigt het hof uit het bestreden vonnis te bevestigen, met veroordeling van appellante tot de kosten.
DE SCHULDVERGELIJKING
1. Het onderhavige geschil betreft in wezen de mogelijkheid om tot een gerechtelijke schuldvergelijking over te gaan.
Voor de gerechtelijke schuldvergelijking zijn dezelfde eisen gesteld als voor de wettelijke schuldvergelijking, behalve dat de twee wederzijdse schulden niet effen moeten zijn, d.w.z. vaststaan en dus niet het voorwerp zijn van een (ernstige) betwisting.
De schulden moeten daarentegen wel opeisbaar zijn. Zijn aldus uitgesloten: schulden onder termijn, schulden onder voorwaarde, natuurlijke verbintenissen, in beslag genomen schuldvorderingen.
2. De eerste rechter volgde volledig de argumentering van geïntimeerde, gesteund op de regeling van de intrekking van de erkenning van de aansprakelijke vertegenwoordiger.
Overeenkomstig artikel 55, tweede lid, W.BTW, voor de vervanging door de wet van 7 maart 2002 - en niet artikel 55, vierde paragraaf, W.BTW, zoals verkeerdelijk aangehaald door partijen, hierin ten onrechte gevolgd door de eerste rechter - wordt de aansprakelijke vertegenwoordiger in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan deze zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van het W.BTW, en is de vertegenwoordiger met zijn lastgever hoofdelijk gehouden ter voldoening van de belasting, interesten en geldboeten die de lastgever verschuldigd is krachtens het W.BTW.
Zelfs na de vervanging van de aansprakelijke vertegenwoordiger of na het stopzetten van de werkzaamheid van de buitenlandse belastingplichtige, blijft de aansprakelijke vertegenwoordiger, in de regel, gedurende de door artikel 81 W.BTW vastgestelde invorderingstermijn gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten ter zake van handelingen verricht onder zijn aansprakelijkheid.
Uit de ervaring is evenwel gebleken dat deze regel moest worden gemilderd, teneinde ermee rekening te houden dat de aansprakelijke vertegenwoordiger, soms buiten zijn toedoen, moeilijkheden zou kunnen ondervinden om van zijn buitenlandse lastgever, waarmee hij niet meer in betrekking is, de belasting, interesten en geldboeten, die van hem na zijn ontslag zouden worden gevorderd, terug te krijgen. Daarom heeft de administratie beslist dat de aansprakelijke vertegenwoordiger aan het Centraal BTW-kantoor mag vragen binnen zes maanden na de datum van de intrekking van zijn erkenning een grondige controle uit te voeren van de onder zijn aansprakelijkheid verrichte handelingen. Indien deze controle geen aanleiding geeft tot enige correctie of indien, na correctie, een regeling wordt getroffen naar genoegen van de administratie, mag de aansprakelijke vertegenwoordiger worden ontslagen van zijn aansprakelijkheid, onder dit voorbehoud evenwel dat hij gehouden blijft voor de gevolgen van de onregelmatigheden die daarna zouden worden ontdekt, wanneer wordt vastgesteld dat zij het resultaat zijn van zijn eigen daden of van verstandhouding tussen hem en zijn buitenlandse lastgever of andere personen (J. MARCKX, De aansprakelijke vertegenwoordiger op het stuk van de BTW, in Fiscaal Praktijkboek 1995-96 Indirecte Belastingen, Kluwer, 1996, 10).
Op basis van voormelde regeling besliste de eerste rechter terecht dat de aansprakelijke vertegenwoordiger niet was ontslagen van zijn aansprakelijkheid en dat de BTW-regelgeving ook niet voorziet in een ontslag van de aansprakelijkheid bij faillissement van de aansprakelijke vertegenwoordiger, en dat bijgevolg de BTW-controle bij de aansprakelijke vertegenwoordiger kon gebeuren.
De eerste rechter overwoog dan ook terecht : "Aangezien de NV A. F., aansprakelijke vertegenwoordiger van (appellante), bij vonnis van 5 mei 1998 (...) in faling werd verklaard en er een belastingkrediet bestond afkomstig van voor het faillissement, kon (geïntimeerde) overgaan tot een grondige controle vooraleer het belastingkrediet uit te betalen. Het belastingkrediet steunt immers op de door de aansprakelijke vertegenwoordiger verschafte gegevens.
De verschillende vastgestelde onregelmatigheden zijn afkomstig van een periode van voor het faillissement. Indien de aansprakelijke vertegenwoordiger zijn periodieke aangiften correct had ingevuld dan zou er geen belastingkrediet zijn ontstaan.
De curator is na het vonnis van faillietverklaring de enige bevoegde persoon om de NV A. F. te vertegenwoordigen, maar dit impliceert niet dat de aansprakelijke vertegenwoordiger ontslagen is van zijn aansprakelijkheid''.
De volgende overweging van de eerste rechter kan daarentegen niet worden onderschreven : "De curator bevindt zich in dezelfde toestand als de gefailleerde schuldenaar ten opzichte van de fiscale schuldvordering van de staat. Als de curator akkoord gaat met de schuldvordering van de staat of geen fiscaal verhaal instelt dan wordt de schuldvordering definitief.
De vordering is derhalve wel een zekere, vaststaande en opeisbare vordering die gedeeltelijk kan worden aangezuiverd door het desbetreffend belastingkrediet aangezien de curator, de wettige vertegenwoordiger van de gefailleerde, de vordering niet betwistte".
In het kader van de gerechtelijke schuldvergelijking, hier aan de orde, is het immers niet het akkoord van de curator van de failliet verklaarde aansprakelijke vertegenwoordiger die de schuldvordering van geïntimeerde zeker en vaststaand maakt, maar beslist de rechter daarover.
3. Appellante put verkeerdelijk argument uit de eigen briefwisseling van geïntimeerde, het gemeenrecht en het fiscaal recht, om staande te houden dat vanaf het faillissement de NV A. F. niet meer kon worden aanzien als de aansprakelijke vertegenwoordiger.
Voor doeleinden van de schuldvordering van geïntimeerde ten bedrage van … EUR doet het niet terzake of de NV A. F. vanaf haar faillietverklaring nog kon worden aanzien als de aansprakelijke vertegenwoordiger van appellante.
De belastingplichtige is en blijft immers appellante.
Dit wordt overigens impliciet bevestigd door artikel 55, derde lid W.BTW, vóór de vervanging door de wet van 7 maart 2002 - en niet artikel 55, vierde paragraaf, in fine W.BTW, zoals verkeerdelijk aangehaald door partijen, hierin ten onrechte gevolgd door de eerste rechter.
Overeenkomstig dit artikel is de vertegenwoordiger met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten, die de lastgever verschuldigd is krachtens het W.BTW.
Het betreft derhalve in de eerste plaats de BTW-schuld van appellante, waarvoor artikel 55, derde lid W.BTW de hoofdelijke gehoudenheid van de aansprakelijke vertegenwoordiger voorziet.
Overigens kwam aan de opdracht van de aansprakelijke vertegenwoordiger reeds vóór de faillietverklaring een einde, nl. toen appellante haar werkzaamheid in België stopzette, meer bepaald toen het huurcontract betreffende het vliegtuig werd beëindigd op 24 mei 1996, met ingang van 30 mei 1996.
4. De vordering van geïntimeerde ten bedrage van … EUR staat derhalve vast en wordt en onrechte betwist door appellante. Ook is die vordering opeisbaar.
De voorwaarden van de gerechtelijke schuldvergelijking zijn derhalve verenigd.
Tevergeefs roept appellante nog de regels van de samenloop in. De samenloop zou, volgens appellante, zijn ontstaan vooraleer de voorwaarden van de schuldvergelijking waren vervuld, welke schuldvergelijking geen nadeel mag toebrengen aan verkregen rechten van derden. Meer bepaald argumenteert appellante dat de vordering van geïntimeerde maar effen werd door het onderschrijven van de akkoordverklaring door de curator van de failliet verklaarde aansprakelijke vertegenwoordiger na de samenloop.
Zoals hierboven gesteld, betreft het evenwel de BTW-schuld van appellante. Het al of niet akkoord van de curator van de failliet verklaarde aansprakelijke vertegenwoordiger verandert daar niets aan.
5. Volgens het proces-verbaal van 19 juli 1999 gebeurde de BTWcontrole door "inzage (...) van het BTW-dossier bijgehouden door de bevoegde BTW-controle (...) van de NV A. F. (...), aansprakelijke vertegenwoordiger van (appellante)".
Appellante bekritiseert deze BTW-controle, die volgens haar niet kon gebeuren via een controle van de aansprakelijke vertegenwoordiger.
Appellante merkt "ten overvloede" op "dat geïntimeerde alle middelen had om zich tot (appellante) te wenden; uit de voorgebrachte stukken blijkt dat er regelmatig schriftelijke contacten waren zodat geïntimeerde haar onderzoek op tegensprekelijke wijze had kunnen voeren. Zij verkoos die tegenspraak integendeel te vermijden, waarbij zij er van op aan kon dat zij van de curatele niet te veel tegenwind zou krijgen nu de afwikkeling toch niet rechtstreeks de boedel raakte en enkel betrekking had op een vertegenwoordiging" (conclusie, blz. 5).
De BTW-controle kon nochtans niet bij appellante gebeuren, nu volgens de vaststellingen van het proces-verbaal het BTW-dossier bij haar aansprakelijke vertegenwoordiger werd bijgehouden, hetgeen logisch is.
Overigens was op basis van het fiscaal recht, d.i. artikel 55, tweede lid, W.BTW en het administratieve standpunt dienaangaande (zie supra), de BTW-controle volledig regelmatig.
Zoals hierboven gesteld, put appellante verkeerdelijk argument uit de eigen briefwisseling van geïntimeerde, het gemeenrecht en het fiscaal recht, om staande te houden dat vanaf het faillissement de NV A. F. niet meer kon worden aanzien als de aansprakelijke vertegenwoordiger.
De door appellante bedoelde schriftelijke contacten tussen haar en de administratie betreffen enkel de al dan niet noodzaak om een nieuwe aansprakelijke vertegenwoordiger aan te stellen, en dus niet de grond van de zaak, d.i. de schuldvordering van geïntimeerde ten bedrage van … EUR.
Tenslotte, indien de NV A. F. nog als aansprakelijke vertegenwoordiger van appellante te aanzien was op het ogenblik van de BTW-controle, was de tegenspraak opzichtens appellante tijdens die controle gewaarborgd.
Weliswaar voorziet het gemeenrecht, d.i. artikel 2003 B., dat de lastgeving eindigt door het kennelijk onvermogen van de lastgever of de lasthebber, voor de toepassing van welke bepaling het faillissement met het kennelijk onvermogen wordt gelijkgesteld.
Evenwel leidt het faillissement van de lasthebber/lastgever op zich niet tot de van rechtswege beëindiging van het mandaat, indien het werd verleend in het gemeenschappelijk belang van de lastgever en een derde (B. TILLEMAN, Lastgeving, in Algemene Praktische Rechtsverzameling, Deurne, E. Story-Scientia, 1997, nr. 601).
Het is duidelijk dat het mandaat van de aansprakelijke vertegenwoordiger werd verleend in het gemeenschappelijk belang van enerzijds de buitenlandse belastingplichtige die in België belastbare handelingen stelt en voor wie de aansprakelijke vertegenwoordiger de verplichtingen en formaliteiten vervult die aan de lastgever in België worden opgelegd door of ter uitvoering van het W.BTW, en van anderzijds de administratie, door dewelke de aansprakelijke vertegenwoordiger immers dient te worden erkend.
DE VERJARING
Overeenkomstig artikel 81 W.BTW, vóór de wijziging bij de wet van 15 maart 1999, verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag waarop die vordering is ontstaan.
De dag waarop de vordering ontstaat is het ogenblik vanaf hetwelk de administratie de belasting kan vorderen. Dit tijdstip situeert zich op de datum waarop de belastingplichtige uiterlijk zijn BTWaangifte moet indienen.
Luidens artikel 83, eerste lid W.BTW, inhoudelijk niet gewijzigd door de wet van 15 maart 1999, wordt ten aanzien van de voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 e.v. B.W.
Aldus wordt de verjaring gestuit doordat de belastingschuldige de belastingschuld erkent.
Voor het eerste gecontroleerde kwartaal diende appellante haar BTW-aangifte in te dienen uiterlijk op 20 april 1995.
De verjaring begon aldus te lopen vanaf 21 april 1995, zodat de vordering tot voldoening verjaarde op 20 april 2000.
Geïntimeerde stelde de vordering in bij conclusie, op de griffie van de eerste rechter neergelegd op 6 september 2004, en niet op 31 augustus 2004, zoals partijen verkeerdelijk stellen, hierin ten onrechte gevolgd door de eerste rechter.
Geïntimeerde beroept zich op de verjaring stuitende werking van de gedeeltelijke betaling op 8 december 1999 van het bedrag van … EUR door de NV K., die hij "de hoofdelijk aansprakelijke medeschuldenaar van appellante" noemt (syntheseconclusie, blz. 14).
Volgens geïntimeerde zou op 9 december 1999 aldus een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar zijn beginnen te lopen, die verstreek op 9 december 2004. Hij meent dat toen hij op 31 augustus 2004, in werkelijkheid 6 september 2004 (zie supra), zijn vordering instelde, de verjaring nog niet was bereikt.
Allicht betaalde de NV K. als borg waarvan de administratie de aanstelling had geëist.
Partijen concluderen hieromtrent echter geenszins en evenmin omtrent de door appellante opgeworpen vraag te weten hoe een betaling door een derde, gehouden als borg, kan gelden als een erkenning in de zin van artikel 2248 B.W. lastens appellante als hoofdschuldenaar.
Het hof beveelt op dit punt de heropening der debatten.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk,
Alvorens ten gronde uitspraak te doen, beveelt de heropening der debatten op de zitting van 10 juni 2010 om 14.00 uur (20') van de zesde kamer, omtrent de verjaring stuitende werking van de betaling door de NV K.,
Legt hiertoe de volgende conclusietermijnregeling vast en zegt voor recht dat partijen hun conclusies op de griffe van het hof dienen neer te leggen als volgt :
- geïntimeerde, uiterlijk op 4 maart 2010
- appellante, uiterlijk op 15 april 2010
- geïntimeerde, uiterlijk op 27 mei 2010
Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 21.01.2010.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
P. V., alleenzetelend raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. P. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.