---
title: "Voldoening van de belasting, teruggaaf van belasting · Hof van beroep te Gent, 2 juni 2009"
description: "Voldoening van de belasting, teruggaaf van belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging. Hof van beroep te Gent (België), 2 juni 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-teruggaaf-strafbepaling-administratieve-hof-van-beroep-gent-2009-06-02-1c6a"
lang: "nl"
---

# Voldoening van de belasting, teruggaaf van belasting, strafbepaling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

2 juni 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

121 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 02.06.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent - 5b****e** **kamer**

Nr. **2008/AR/1795**

in de zaak van :

**D. R. R.**, begrafenisondernemer, wonende te …, …; ingeschreven in kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **S. P.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem, wiens kantoren gevestigd zijn te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **L. G.** loco mr. **V. A. E.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 21.2.2005 dagvaardde de appellant de geïntimeerde voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent teneinde uitspraak te horen doen over zijn verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door **W. H.**, eerstaanwezend inspecteur, ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem op 24.4.2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28.4.2003 door **J. V.**, e.a. inspecteur te Zottegem 2, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellant : een bedrag van … EUR aan BTW + een geldboete krachtens [artikel 70, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en [70, § 1bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) BTW-wetboek van … EUR + een bedrag van … EUR als vervallen intresten verschuldigd krachtens [artikel 91, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), berekend tot 20.5.2003, hetzij samen … EUR, vermeerderd met de intrest krachtens [artikel 91, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.5.2003, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel ingevolge [artikel 91, § 4 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), de vervolgingskosten.

Voor de eerste rechter vorderde de appellant dat zou gezegd worden voor recht dat het dwangbevel nietig is en de erin vermelde sommen, hetzij BTW, hetzij boeten en intresten, niet verschuldigd zijn, en in ondergeschikte orde dat de nalatigheidsintresten zouden worden herleid tot … EUR.

Bij vonnis van 7.4.2008 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, werd de vordering van de appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en werd de appellant veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 8.7.2008 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat de appellant in het bestreden vonnis zou hebben berust.

Volgens vermelding onder meer in de conclusie door de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 23.3.2009 (p. 4), werd het bestreden vonnis aan de appellant betekend op verzoek van de geïntimeerde bij gerechtsdeurwaardersexploot van 13.6.2008. De akte van betekening wordt echter niet voorgelegd.

Ook indien men aanneemt, zonder nader bewijs, dat het vonnis op 13.6.2008 werd betekend, is het hoger beroep tijdig en regelmatig.

Voor het Hof van Beroep vordert de appellant :

"

## A. MET BETREKKING TOT DE PROCEDURE

1.1. Te zeggen dat de verjaring van de vordering van de belastingen, de boeten en de intresten is bekomen sinds 1 januari 1999, en dat het dwangbevel d.d. 24.04.2003 nietig is.

Derhalve te zeggen dat de toegerekende en ingehouden bedragen dienen te worden terugbetaald, vermeerderd met de nalatigheidsintresten a rato van 0,8 % conform [artikel 91, § 3 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) vanaf de dag van de toerekening/inhouding tot de dag der algehele betaling.

Minstens

1.2. Te zeggen dat de verjaring van vordering van de belastingen, de boeten en de intresten is bekomen sinds 6 mei 2008.

Derhalve te zeggen dat de toegerekende en ingehouden bedragen dienen te worden terugbetaald, vermeerderd met de nalatigheidsintresten a rato van 0,8 % conform [artikel 91, § 3 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) vanaf de dag van de toerekening/inhouding tot de dag der algehele betaling.

Minstens

1.3. Te zeggen dat ingevolge betaling van het verschuldigde op datum van 31.07.1999 het dwangbevel d.d. 24.04.2003 nietig is, de verjaring van de vordering derhalve bekomen sinds 1 januari 1999, minstens sinds 6 mei 2008.

Derhalve te zeggen dat de toegerekende en ingehouden bedragen dienen te worden terugbetaald, vermeerderd met de nalatigheidsintresten a rato van 0,8. % conform [artikel 91, § 3 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) vanaf de dag van de toerekening/inhouding tot de dag der algehele betaling.

## B. MBT TOT DE GRIEVEN

### Mbt de eerste grief

Te zeggen dat de dading nietig is door aantasting van een wilsgebrek.

Derhalve te zeggen dat alle betaalde en toegerekende/ingehouden bedragen dienen te worden terugbetaald vanaf de dag der betaling/toerekening/inhouding vermeerderd met de intresten als volgt :

\- … euro (… frank) te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 25.12.2008, vermeerderd met de gerechtelijke intresten tot de dag der algehele betaling.

\- … euro (… frank) te vermeerderen met de nalatigheidsintresten à rato van 0,8 % vanaf de dag der toerekening 31.07.1999 tot de dag der algehele terugbetaling.

\- … euro (… frank) te vermeerderen met de nalatigheidsintresten à rato van 0,8 % vanaf de dag der toerekening 20.11.2000 tot de dag der algehele terugbetaling.

\- … euro (… frank) te vermeerderen met de nalatigheidsintresten à rato van 0,8 % vanaf de dag der toerekening 31.07.2001 tot de dag der algehele terugbetaling.

\- … euro te vermeerderen met de nalatigheidsintresten à rato van 0,8 % vanaf 30.04.2002 de dag der toerekening tot de dag der algehele terugbetaling.

\- … euro te vermeerderen met de nalatigheidsintresten à rato van 0,8 % vanaf 31.10.2002 de dag der toerekening tot de dag der algehele terugbetaling.

Minstens

1.2. te zeggen dat de dading nietig is door dwaling

Derhalve te zeggen dat alle betaalde en toegerekende/ingehouden bedragen dienen te worden terugbetaald vanaf de dag der betaling/toerekening/inhouding vermeerderd met de intresten als volgt :

\- … euro (… frank) te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 25.12.2008, vermeerderd met de gerechtelijke intresten tot. de dag der algehele terugbetaling.

\- … euro (… frank) te vermeerderen met de nalatigheidsintresten à rato van 0,8 % vanaf de dag der toerekening 31.07.1999 tot de dag der algehele terugbetaling.

\- … euro (… frank) te vermeerderen met de nalatigheidsintresten à rato van 0,8 % vanaf de dag der toerekening 20.11.2000 tot de dag der algehele terugbetaling.

\- … euro (… frank) te vermeerderen met de nalatigheidsintresten à rato van 0,8 % vanaf de dag der toerekening 31.07.2001 tot de dag der algehele terugbetaling.

\- … euro te vermeerderen met de nalatigheidsintresten à rato van 0,8 % vanaf 30.04.2002 de dag der toerekening tot de dag der algehele terugbetaling.

\- … euro te vermeerderen met de nalatigheidsintresten à rato van 0,8 % vanaf 31.10.2002 de dag der toerekening tot de dag der algehele terugbetaling.

Minstens

1.3. te zeggen dat de dading zich beperkt tot de bedragen welke zich op het recapitulatieblad bevinden meer bepaald :

BTW : … euro (… frank)

Interesten : … euro (… frank)

Boete herleide boete : … euro (… frank)

Te zeggen dat volledige betaling werd gedaan op 31.07.1999.

Te zeggen dat het resterende toegerekende bedrag van … frank (… euro) dient te worden teruggegeven vermeerderd met de nalatigheidsintresten a rato van 0,8 % conform [artikel 91, § 3 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) vanaf 31.07.1999, tot de dag der algehele terugbetaling.

Te zeggen dat de overige ingehouden bedragen dienen te worden teruggegeven vanaf de dag ter inhouding vermeerderd met de intresten a rato van 0,8 % conform [artikel 91, § 3 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) tot de dag der algehele betaling.

### Mbt de tweede grief

Te zeggen dat, vooraleer ten gronde te oordelen, zal overgegaan worden tot getuigenverhoor van de heer **M.**, Mevrouw **G. K.** en de heer **N. J.**.

## C. IN UITERST ONDERGESCHIKTE ORDE

Te zeggen dat de nalatigheidsintresten conform [artikel 91 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) dienen berekend te worden op … euro (… frank) vanaf 21 januari 1997 tot en met 20.01.1999.

Te zeggen dat de teveel toegerekende en ingehouden bedragen dienen te worden teruggegeven vermeerderd met 0,8 % conform [artikel 91, § 3 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) vanaf de dag van de toerekening/inhouding tot de dag der algehele betaling."

De geïntimeerde van zijn kant vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard en dat de appellant zou worden afgewezen in al zijn eisen door de vordering van de administratie in het dwangbevel van 6.5.2003 te bekrachtigen temeer, benevens de vrijwillige betaling, de reeds toegerekende en ingehouden tegoeden uit de rekening-courant van de appellant ter vereffening van die schuldvordering te bekrachtigen.

2\. De appellant voert aan dat de vordering van de geïntimeerde tot voldoening van belasting, intrest en boeten is verjaard.

a.

Uit de minnelijke inregelstelling (stuk 1 van de geïntimeerde) blijkt dat de door de geïntimeerde ingevorderde BTW betrekking heeft op de periode van 1.1.1994 tot 31.12.1996. Dit houdt in dat de oudste BTW-schuld niet kan dateren van vóór 1.1.1994, zodat de administratie aanvankelijk minstens over een termijn beschikte van vijf jaar ([artikel 83, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83)) vanaf 1.1.1994 om de BTW-schulden en accessoria in te vorderen, d.i. minstens tot 1.1.1999.

b.

De verjaring werd gestuit door de ondertekening van de minnelijke inregelstelling door de gevolmachtigde van de appellant op 20.11.1998 (stuk 1 van de geïntimeerde), houdende erkenning van de schuld door de appellant ([artikel 83, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) in zijn te dezen toepasselijke versie en artikel 2448 B.W.), d.i. binnen de eerste termijn van vijf jaar. Aldus begon een (nieuwe) termijn van vijf jaar te lopen vanaf 20.11.1998 d.i. tot 20.11.2003.

In de minnelijke inregelstelling staat uitdrukkelijk te lezen dat de appellant erkent aan de geïntimeerde verschuldigd te zijn … BEF (… EUR) BTW onverminderd de intresten van [artikel 91 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91). In fine van de minnelijke inregelstelling, vóór de "handtekening van de gevolmachtigde staat geschreven : "gelezen en goedgekeurd voor de som van … frank. **D. R. R.** is niet akkoord met de boete en behoudt zich het recht voor een verzoekschrift in te dienen”.

Deze minnelijke inregelstelling kan niet beschouwd worden als een dading, nu de appellant hierin enkel de door de administratie vastgestelde schulden erkent en de administratie geen enkele toegeving doet. Bij gebrek aan wederzijdse toegevingen, constitutief bestanddeel van een dadingsovereenkomst, is geen dading voorhanden maar enkel een fiscaal akkoord (dat weliswaar door de appellant kan bestreden worden door aan te tonen dat dit akkoord is aangetast door een dwaling in feite of in rechte dan wel door een ander wilsgebrek) (zie ook verder).

Tevergeefs poogt de appellant de zaken nu voor te stellen aan de hand van zijn later bezwaarschrift (d.d. 12.12.1998) als zou hij met de minnelijke inregelstelling de BTW-schuld niet hebben erkend, in strijd met de duidelijke bewoordingen van de minnelijke inregelstelling. Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat, zo de appellant in zijn bezwaarschrift stelt dat hij de inregelstelling tekende, hoewel hij zich in principe hiermee niet akkoord kon verklaren, om een jarenlange procedure te vermijden o.m. gelet op zijn gezondheidstoestand, hij hiermee enkel de (volgens hem) achterliggende beweegredenen van de minnelijke inregelstelling opgeeft, wat geen afbreuk kan doen aan de erkenning zelf. Hij bevestigt integendeel zijn wil om de minnelijke inregelstelling aan te gaan.

c.

Stuiting gebeurde eveneens met de kennisgeving van 6.5.2003 van het dwangbevel (artikel 85, § BTW-wetboek) (stuk 17 van de appellant). Ingevolge deze laatste stuiting liep de verjaringstermijn tot 6.5.2008.

d.

[Artikel 83 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83), in zijn toepasselijke versie, bepaalt : "Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring indien geen rechtsgeding hangende is".

Uit deze bepaling volgt dat de verjaring gestuit wordt gedurende het rechtsgeding door de appellant ingeleid bij wijze van verzet tegen het .dwangbevel van 24.4.2003 (vergelijk met Cass. 16.10.2008, rolnr. [C.06.0433.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-verzet-rechtsgeding-geding-cassatie-brussel-2008-10-16-257e), www.cass.be ).

Dit rechtsgeding werd ingeleid bij dagvaarding van 21.2.2005, opeen ogenblik dat de verjaring ingevolge de hoger aangehaalde stuitingen nog niet bereikt was. De stuiting neemt een aanvang met de dagvaarding en blijft voortduren, indien er hoger beroep is, tot op de dag van de uitspraak van het arrest dat een einde maakt aan het geding (vergelijk met Cass. 30,6.1997, Pas. 1997, nr. 309 p. 772).

De appellant kan dan ook niet gevolgd worden in zijn stelling dat de vordering van de geïntimeerde verjaard was sedert 6.5.2008, omdat deze datum tussenkwam na het vonnis van de eerste rechter, maar vóór het neerleggen van het verzoekschrift hoger beroep, en de verjaring dan niet meer verder zou gestuit worden in deze periode.

De gecombineerde artikelen 56 en 97 van de wet van 15.3.1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, houden, anders dan voorgehouden door de appellant, geen afwijking in van het zojuist uiteengezette systeem.

e.

De appellant diende bezwaar in op 12.12.1998, verzocht om kwijtschelding van de geldboete en bracht eveneens zijn betwisting omtrent de nalatigheidsintresten aan bij de gewestelijke directeur van de BTW te Gent.

Op 25.12.1998 betaalde de appellant een bedrag van … EUR.

Bij directorale beslissing van 2.2.1999 (stuk 6 van de geïntimeerde) werd het als dusdanig beschouwd verzoek van de appellant tot vrijstelling van de intresten afgewezen, maar werd de boete ten uitzonderlijke titel verminderd van … BEF (… EUR) tot … BEF (… EUR).

Op 8.2.2009 werd aan de appellant een uitnodiging tot betaling van het saldo verstuurd, rekening houdend met zijn betaling van … EUR. Er werd nog een bedrag gevorderd van … BEF (… EUR) BTW + … BEF (… EUR) intrest berekend tot 20.3.1999, hetzij in totaal … BEF (… EUR) (stuk 9 van de appellant).

Per brief van 6.3.1999 liet de appellant aan de geïntimeerde weten de bedragen op het betalingsbericht formeel te betwisten (stuk 8 van de geïntimeerde).

Per brief van 15.4.1999 van de appellant wordt deze betwisting bevestigd (stuk 10 van de appellant).

Op 3.5.1999 wordt door de geïntimeerde aan de appellant opnieuw een betalingsuitnodiging gestuurd voor hetzelfde bedrag aan BTW, maar met aanpassing van de intresten, en wordt tot een totaal verschuldigd bedrag gekomen van … BEF (… EUR) (stuk 11 van de appellant).

Op de diverse berichten vervolgens aan de appellant gestuurd met betrekking tot inhoudingen en toerekeningen en een uitnodiging van 18.10.1999 tot betaling van het saldo (stukken 12 tot 16) blijkt door de appellant niet te zijn gereageerd, tenzij misschien door zekere Heer **N.** (zie het stuk 16b van de appellant), die volgens conclusie van de appellant zijn boekhouder is.

Uit niets kan echter afgeleid worden dat de appellant ondertussen zijn betwisting had laten varen, en de inhoudingen en toerekeningen met zijn instemming gebeurden.

Na kennisgeving van het dwangbevel van 24.4.2003 is de appellant nogmaals zijn BTW-schuld gaan betwisten voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent en zet hij deze betwisting voort voor het Hof van Beroep te Gent. Hij vordert zelfs terugbetaling van alle bedragen.

In de voormelde omstandigheden mocht de geïntimeerde ervan uitgaan dat de appellant in de administratieve fase zijn schuld bleef betwisten, wat trouwens bevestiging vindt in zijn huidige voortgezette betwisting. De geïntimeerde heeft dan ook terecht een dwangbevel uitgevaardigd en er kennis van gegeven aan de appellant. Gezien de gevoerde betwisting kunnen de betalingen, toerekeningen en inhoudingen immers niet beschouwd worden als een voldoening van de (betwiste) schuld (vergelijk met [Cass. 9.3.2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak/inbrengrecht-geruisloze-fusie-apport-societe-cassatie-brussel-2006-03-09-18a7), Pas., 2006, nr. 140, p. 572).

Tevergeefs poogt de appellant dan ook de verjaring stuitende werking aan het dwangbevel te ontnemen door voor te houden dat de schuld werd voldaan en het dwangbevel dan nietig of zonder voorwerp is.

f.

Uit het voorgaande volgt dat het middel van verjaring ongegrond is.

3.

a.

In de minnelijke inregelstelling staat duidelijk vermeld wat verschuldigd zal zijn door de appellant. Op p. 2 ervan (stuk 1 van de appellant) wordt eerst uiteengezet welke de BTW is die de appellant erkent verschuldigd te zijn, wordt erbij vermeld dat deze schuld "onverminderd de intresten van [artikel 91 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91)" is, en wordt aangehaald welke boete verschuldigd is en hoe ze verminderd wordt krachtens welke toepasselijke bepalingen.

Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat BTW, intrest en boeten verschuldigd zijn.

Aan de appellant werd verder in de minnelijke inregelstelling duidelijk diets gemaakt dat het bedrag van … BEF (… EUR) intresten vermeld op het laatste blad (p. 12) van de minnelijke inregelstelling niet de volledige intrestschuld omvat. Niet alleen wordt er uitdrukkelijk verteld dat het gaat om "tussentijdse" intresten, maar de berekening ervan op p. 11 van de minnelijke inregelstelling toont aan dat deze tussentijdse intresten enkel betrekking hebben op :

• drie maanden intrest op een BTW-aftrek van … BEF (… EUR) die drie maanden te vroeg werd uitgeoefend, hetzij een intrest van … BEF (… EUR), dit met betrekking tot de aankoop van een lijkwagen;

• twaalf maanden intrest voor de voldoening van een bedrag van … BEF (… EUR) BTW op de verkoop van een lijkwagen, hetzij een·intrest van … BEF (… EUR);

Uit de uiteenzetting met betrekking tot deze tussentijdse intrest op p. 11 van de minnelijke inregelstelling blijkt dat de intrest berekend wordt tot en met het vierde kwartaal van 1996, hetzij tot 20.1.1997 (uiterste datum indiening BTW-aangifte en van betaling voor dit kwartaal). In de minnelijke inregelstelling werd dus cijfermatig de schuld opgegeven, met inbegrip van de intrest, op datum van 20.1.1997. De verdere berekening van de intrest kon dan gebeuren vanaf 20.1.1997 (zie het stuk 9 van de geïntimeerde).

Dat de administratie op een of andere wijze zou hebben afgezien van de nalatigheidsintrest blijkt uit niets, en zeker niet uit de minnelijke inregelstelling waarin integendeel vermeld staat dat de intrest van [artikel 91 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) verschuldigd is.

Tevergeefs houdt de appellant voor dat het hem niet mogelijk was de draagwijdte van de zinsnede "onverminderd de intresten van [artikel 91 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91)" te begrijpen. Van de appellant, BTW-plichtige handelaar (begrafenisondernemer en kleinhandel in dranken, zie p. 1 van de minnelijke inregelstelling), mag verwacht worden dat, zo hij al niet zelf op de hoogte is van zijn verplichtingen inzake van BTW en van de gevolgen van de miskenning ervan, hij zich zal laten bijstaan door bevoegde personen. Te dezen blijkt dat de appellant zich liet bijstaan door een boekhouder, de Heer **N.** (zie bvb. de vermelding van diens aanwezigheid bij de ondertekening van de minnelijke inregelstelling, stuk 3 van de geïntimeerde, p. 3), die als professioneel moet geacht worden te weten dat nalatigheidsintrest verschuldigd is, hoe die berekend wordt en vanaf welke datum (en dus hoeveel die bedraagt), en wat een minnelijke inregelstelling is. Noch de wet noch enig beginsel van behoorlijk bestuur vereisen dat de intresten, waarvan de berekening trouwens moet aangepast worden in functie van de data van betaling, volledig zouden uitgerekend worden in de minnelijke inregelstelling.

Het ondertekenen van de minnelijke inregelstelling zoals ze is opgesteld, nl. met de vermelding dat de intrest van [artikel 91 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) verschuldigd is, en met enkel de berekening van de tussentijdse intrest en het bedrag ervan, is niet te begrijpen indien het de wens was van de appellant dat de volledige afrekening, incluis de volledige verschuldigde intrest op de minnelijke inregelstelling zou worden vermeld (zie het reeds aangehaald stuk 3 van de geïntimeerde p. 3). Dergelijke vermelding is er helemaal niet, en men mag verwachten dat de appellant, of zijn gevolmachtigde, bijgestaan door de voormelde boekhouder, dan de minnelijke inregelstelling niet zou ondertekenen of minstens zou eisen dat de volledig verschuldigde intrest zou vermeld worden vóór hij zou ondertekenen. In de (niet bewezen) veronderstelling dat de appellant van oordeel was dat hij de minnelijke inregelstelling ondertekende in de waan dat geen intresten buiten de vermelde tussentijdse intrest verschuldigd waren, was dit in de gegeven omstandigheden lichtzinnig en is de door de appellant ingeroepen dwaling niet verschoonbaar, en kan zij niet leiden tot nietigheid van de minnelijke inregelstelling inzake van BTW is.

Meteen staat ook vast dat het horen van getuigen zoals door de appellant voorgesteld niet nuttig kan worden bevolen, daar eventuele getuigenverklaringen in de door de appellant gewenste zin niet tot het bewijs van een vernietigende dwaling kunnen leiden, nog daar gelaten de vraag of de betrokkenen, thans meer dan 10 jaar na de feiten, zich deze feiten nog met voldoende duidelijkheid zouden kunnen herinneren.

Om dezelfde reden kan ook niet aangenomen worden dat de administratie de beginselen van behoorlijk bestuur zou hebben geschonden, of de beweerde overeenkomst (het betreft immers geen dading) niet te goeder trouw zou hebben uitgevoerd. De administratie heeft enkel de fiscale wet toegepast, vertrekkende van de door de appellant in de minnelijke inregelstelling erkende gegevens. De minnelijke inregelstelling is voldoende duidelijk, en indien de appellant al zou gemeend hebben iets anders te erkennen dan in de minnelijke inregelstelling werkelijk opgenomen, dan is dit te wijten aan een onverschoonbare foute inschatting van zijnentwege zoals hoger uiteengezet, terwijl op geen enkele wijze blijkt dat de administratie zou gepoogd hebben hem te misleiden of onjuiste of onvoldoende informatie te verschaffen.

b.

Uit de afrekening door de geïntimeerde voorgelegd als stuk 9 en de uitleg die hij verschaft op p. 3 van zijn syntheseconclusie voor het Hof van Beroep te Gent volgt dat op 20.5.2003 de intrestschuld wel degelijk … EUR bedroeg zoals weergegeven in het bestreden dwangbevel. Bij de intrestberekening werd rekening gehouden met de betalingen/inhoudingen/toerekeningen volgens het bepaalde in [artikel 19, eerste lid van het KB nr. 24](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-24-december-betrekking-voldoening-belasting-toegevoegde-9d45#ar24-art19) d.d. 29.12.1992 (met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde), zoals blijkt uit de afrekening (stuk 9 van de geïntimeerde). Inhoudingen zijn wettelijk mogelijk ([artikel 76 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) en 8/1, § 3 KB nr. 4 van 29.12.1969 in de toepasselijke versie) en hebben het karakter van een bewarend beslag (vergelijk met Cass. 6.11.2003, RW 2005-2006, p. 1376).

In het dwangbevel van 24.4.2003 wordt eveneens melding gemaakt van de tussentijdse intresten, berekend tot 20.1.1997 (… EUR). Dit is uiteraard niet in strijd met de berekening van de intrest tot 20.5.2003.

Dit alles is evenmin in strijd met de berekening van de intresten op het bedrag van … BEF (… EUR) op 25.12.1998, daar deze berekening nog geen rekening hield met de betaling door de appellant van het bedrag van … BEF (… EUR) (zie de afrekening, stuk 9 van de geïntimeerde). Hetzelfde geldt voor het bedrag van … BEF (… EUR).

Ten onrechte houdt de appellant voor dat geen intresten kunnen worden aangerekend op de BTW die betrekking heeft op de levering van goederen die niet kaderen in de economische levenssfeer, maar behoren tot de privésfeer. Deze BTW is niet op te nemen in de BTW-aangiften, aldus de appellant, zoals bvb. de BTW-schuld met betrekking tot de nieuwbouw. De BTW in kwestie werd ten onrechte in aftrek gebracht op de BTW-aangiften, nu deze betrekking heeft op privé-uitgaven wat onterechte vermindering van de aan Belgische Staat verschuldigde BTW tot gevolg heeft gehad. Terecht werd de ten onrechte afgetrokken BTW als verschuldigd aangemerkt in de minnelijke inregelstelling en werden hierop de nalatigheidsintresten aangerekend. Dit wordt in de minnelijke inregelstelling afdoende duidelijk gemaakt, meer bepaald op p. 3 tot 8 ervan (stuk 1 van de appellant). Zo wordt in verband met de door de appellant aangehaalde nieuwbouw gesteld (p. 7 van de minnelijke inregelstelling) : "De voorbelasting op de nieuwbouw welke opgericht wordt, werd tot op heden telkens volledig in aftrek gebracht. Aangezien deze nieuwbouw echter slechts gedeeltelijk als beroepsmatig kan aanzien worden dient op basis van de onderstaande gegevens en berekeningen de ten onrechte afgetrokken belasting teruggestort te worden aan de Staat".

Dat periodiek een BTW-aangifte moet worden ingediend en de BTW ook periodiek moet worden betaald is een evidentie voor elke BTW-plichtige, werd ook door de appellant gedaan (hoewel blijkbaar niet op correcte wijze zoals blijkt uit de minnelijke inregelstelling), en het is dan ook niet nodig dat in de minnelijke inregelstelling in dat verband expliciet zou verwezen worden naar [artikel 53 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) (in zijn te dezen toepasselijke versie).

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer bis**, recht doende in fiscale zaken, op **TWEE JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN**.

Aanwezig de Heren :

**G. T.**, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.**

## Aangehaalde teksten

6

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 15 voorkomens

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 3 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

[KB nr. 24 art. 19](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-24-december-betrekking-voldoening-belasting-toegevoegde-9d45) 1 voorkomen

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 1 voorkomen

[WBTW art. 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, bewijswaarde van het proces-verbaal, feitelijke vermoedens, proportionele boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-bewijswaarde-feitelijke-vermoedens-hof-van-beroep-gent-2016-11-29-d2ca) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Formele wettigheid van de kennisgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-formele-wettigheid-kennisgeving-rechtbank-namen-2020-04-30-3b6e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd tarief, Nieuw gebouw, Werken in onroerende staat, Bouwwerken](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-nieuw-gebouw-werken-rechtbank-brussel-2023-05-31-57ac) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Tegoed op de rekening-courant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-tegoed-rekening-courant-rechtbank-brussel-2023-01-18-76d4) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Geldboeten, Vermindering van de geldboeten bij wijze van gunst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldboeten-vermindering-wijze-gunst-uitstel-hof-van-beroep-luik-2021-10-26-7d90) 3 gemeenschappelijke bepalingen
