Voldoening van de belasting, strafbepaling, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 29 juni 2004

Zoeken

Voldoening van de belasting, strafbepaling, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-strafbepaling-vervolging-geding-rechtbank-brugge-2004-06-29-ed2f

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
29 juni 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

77 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 29.06.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

in de zaak AR nr. 03/1621/A Rep. nr. 2004/9159

van

de BVBA D., voorheen BVBA A. E., gevestigd te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Gent onder nummer …, gekend bij de BTW-administratie onder nummer BE …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meester M. R., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Gewestelijke Directeur van het BTW, Registratie en Domeinen te Brugge, op vervolging en benaarstiging van het BTW-Ontvangantoor gevestigd te Oostende, wiens kantoor gevestigd is te 8400 Oostende, Administratief Centrum - Vrijhavenstraat nr.1, eerste verdieping,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 1 juni 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de geding inleidende dagvaarding van 21 mei 2003 met verzet tegen een dwangbevel van 31 maart 2003;

2. de conclusie voor verweerder van 18 juli 2003;

3. de conclusie voor eiseres van 7 oktober-2003 en

4. de conclusie voor verweerder van 20 november 2003.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van verweerder ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is BTW-plichtige en dient kwartaalaangiften in.

Voor het derde kwartaal van 2002 had eiseres een BTW-aangifte ingediend waaruit blijkt dat zij aan de Schatkist een bedrag van 17.920,23 euro BTW verschuldigd was. Eiseres liet evenwel na die schuld tijdig te betalen. Daarom werd door de diensten van verweerder op 7 januari 2003 een bijzondere rekening opgemaakt. Naast het bedrag van de BTW voor 17.920,23 euro, werden ook een verminderde proportionele boete van 1.790,00 euro en interest voor 334,48 euro, meer de wettelijke interest vanaf 21 december 2003 verschuldigd verklaard.

Eiseres werd per brief van 13 januari 2003 uitgenodigd om haar schuld tegen 13 februari 2003 te voldoen.

Er volgde geen betaling vanwege eiseres zodat de diensten van verweerder op 31 maart 2003 overgingen tot de opmaak van een dwangbevel. Daarin werd wel rekening gehouden met een tegoed dat eiseres staan had op haar BTW rekening-courant voor een bedrag van 4.943,94 euro dat werd overgeboekt naar de BTW-ontvangsten. In dat dwangbevel wordt verduidelijkt dat het bedrag van 4.943,94 euro als volgt werd aangerekend :

- voor 621,20 euro op interesten;

- voor 1.790,00 euro op de geldboete en

- voor 2.532,74 euro op de BTW.

Aldus bleef volgens het dwangbevel van 31 maart 2003 voor het derde kwartaal van 2002 nog een saldo aan BTW open van 15.387,49 euro, meer de interest en de vervolgingskosten.

Het dwangbevel werd op 4 april 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 10 april 2003 aan eiseres betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot onmiddellijke betaling.

Op 16 april 2003 werd, bij gebrek aan betaling, door gerechtsdeurwaarder W. een exploot van uitvoerend beslag op roerende goederen betekend ter inning van de schuld die het voorwerp uitmaakt van het dwangbevel van 21 maart 2003.

Met de dagvaarding van 21 mei 2003 tekende eiseres verzet aan tegen het dwangbevel van 21 maart 2003 en stelde zij haar huidige vordering in.

2. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert in hoofdorde dat de rechtbank het bestreden dwangbevel zou nietig verklaren en zou zeggen voor recht dat het dwangbevel geen enkel rechtsgevolg kan hebben, minstens zou vaststellen dat het bestaan van de vermeende belastingschuld niet bewezen is, of minstens de belastingschuld zou verminderen met het betaalde bedrag.

Subsidiair vordert eiseres dat de rechtbank de administratieve sanctie (de boete) zou nietig verklaren.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eiseres

Eiseres betwist dat zij een administratieve boete verschuldigd is, zodat de aanrekening van de bedragen niet juist is gebeurd.

Volgens haar is de boete nietig omdat artikel 6 EVRM en artikel 14 BUPO-verdrag zouden geschonden zijn. Zij voert daartoe aan dat de opgelegde boete een strafrechtelijk karakter zou hebben wanneer wordt rekening gehouden met de interne kwalificatie van de sanctie, de aard van de overtreden norm en de aard en de zwaarte van de sanctie. De administratieve boetes die krachtens artikel·70 W.BTW worden opgelegd, zouden aan de criteria voldoen om een strafrechtelijk karakter te hebben. Op aangeven van het Arbitragehof zou het Hof van Cassatie dat principe uiteindelijk erkend hebben in een arrest van 25 mei 1999.

Het gevolg. daarvan is volgens eiseres dat door verweerder ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden met het vermoeden van onschuld van eiseres. Doordat eiseres niet voorafgaandelijk gehoord werd, zouden ook haar rechten van de verdediging geschonden zijn.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder stelt dat hij het tegoed van 4.943,94 euro heeft aangerekend overeenkomst artikel 19 van KB nr. 24 van 29 december 1992, namelijk eerst op de kosten, dan op de interesten, vervolgens op de administratieve geldboeten en tenslotte op de belasting.

De boete is volgens verweerder wettelijk verschuldigd omdat eiseres nagelaten heeft de belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de aangifte, zoals voorzien in artikel 53, eerste lid, 3° en 4° W.BTW. De omvang van de boete, zo stelt verweerder, werd bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 1.1 en van het punt I, 2, A van de eerste afdeling van tabel G, gevoegd bij het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 W.BTW, namelijk op 10 procent van de verschuldigde BTW.

Verweerder stelt dat niet alle fiscale geldboeten een strafrechtelijk karakter hebben. Verweerder betwist in dat verband dat het hier zou gaan om een 'zeer zware' boete.

Zelfs dan nog is verweerder van mening dat de geldboete niet nietig is. Dat de geldboete werd opgelegd alvorens een gerechtelijke instantie is tussengekomen en zonder eiseres vooraf te horen, maken de boete volgens verweerder nog niet nietig omdat de boete verschuldigd is krachtens de wet zelf en verbonden is aan het materieel feit van de overtreding.

Hoogstens zou de rechtbank, als hij van oordeel is dat de boete een strafrechtelijk karakter heeft, slechts een toetsingsrecht hebben waarbij kan worden nagegaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, maar zonder om loutere redenen van opportuniteit en tegen de wettelijke regels in de boete te kunnen kwijtschelden of verminderen.

2.3. Beoordeling

De rechtbank kan slechts vaststellen dat de vraag of een fiscale boete al dan niet een strafrechtelijk karakter heeft (zodat overeenkomstig het arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens van 4 maart 2004 - in de zaak Silvester's Horeca Service vs. België - de volheid van beoordelingsbevoegdheid moet gelden), niet langer pertinent is in het licht van de bedoelingen van de Wetgever. Naar aanleiding van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, werd immers gedacht aan de gevolgen van de rechtspraak van het Arbitragehof waarin geoordeeld werd dat met volheid van bevoegdheid moet kunnen worden geoordeeld over een fiscale boete. Senator D. had immers een amendement ingediend waarmee hij wilde bekomen dat de bevoegdheidsomschrijving van de fiscale rechtbanken in artikel 569, eerste Iid, 32° Ger. W. uitgebreid zou worden tot 'geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet of de opportuniteit van een fiscale administratieve sanctie'. Dat amendement was ingegeven door de veronderstelling dat de belastingrechter alleen zou mogen oordelen over de wettelijkheid maar niet over de opportuniteit van een opgelegde administratieve boete. (ParI. St. Senaat, zitting 1998-99, 966/5, bij amendement nr. 38, p. 18-21). Tijdens de bespreking de senaatscommissie voor financiën en financiële aangelegenheden bleek dat de Minister het volgende standpunt had : De minister is het ten gronde volledig eens met dit amendement, maar vindt het toch overbodig : wanneer men spreekt over ''geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet", heeft men het eigenlijk over al de belastingwetgeving in haar geheel, met inbegrip van boetes, administratieve sancties, beslissingen na "willig" beroep, enz. De minister meent dat deze uitleg volstaat om het amendement weg te laten. (ParI. St. Senaat, zitting 1998-99, nr. 966/11, p. 213).

Hoe dan ook zijn het feit dat eiseres voorafgaand aan het opleggen van de boete niet gehoord werd en het feit dat de boete opgelegd werd zonder tussenkomst van een rechter, op zich geen redenen om de boete nietig te verklaren. Dat standpunt zou elke administratieve boete onmogelijk maken : boeten zouden alleen door de rechtbanken kunnen worden opgelegd.

Het recht waarvan eiseres de bescherming kan afdwingen, bestaat erin dat zij de vraag of en in welke mate zij een boete verschuldigd is, kan laten beoordelen door een onafhankelijke rechterlijke instantie. Op die manier kan zij haar argumenten naar voor brengen, zodat het ook niet van belang is dat zij voorafgaand niet gehoord werd. In dat verband laat verweerder met reden gelden dat hij niets meer moest doen dan de materiële invulling van een overtreding vaststellen, met name dat eiseres nagelaten heeft voor de betreffende periode om de BTW-schuld die ze zelf had aangegeven, tegelijk met de aangifte te betalen. Aangezien eiseres tegen het dwangbevel van 21 maart 2003 verzet heeft kunnen aantekenen en de huidige procedure voert, is een voldoende waarborg voor haar rechten op verdediging.

Zelfs nu - zoals hoger al uiteengezet - de rechtbank 'met volle rechtsmacht' en dus ook over de opportuniteit van een fiscale geldboete (of de omvang ervan) mag oordelen, kan de rechtbank slechts vaststellen dat eiseres in wezen geen elementen aanvoert die ertoe strekken een dergelijke toetsing te maken.

In elk geval is een boete van 10 procent verhoudingsbewijs een minimale sanctie en is ook rekening houdend met het doel van de boete en de administratieve kosten die het niet-betalen van verschuldigde BTW veroorzaakt (door het inwerkingtreden van een hele reeks administratieve formaliteiten), het concrete bedrag (1.790 euro) niet overdreven.

De vordering van eiseres is in die omstandigheden ongegrond.

3. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de vordering van eiseres niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor haar geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.

Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : 171,05 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op negenentwintig juni tweeduizend en vier.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter,

A. V., griffier

A. V. D. V.

Aangehaalde teksten

1