---
title: "28 januari 2010 · Voldoening van de belasting, strafbepaling · Hof van beroep te Gent"
description: "Voldoening van de belasting, strafbepaling, strafrechtelijke sanctie. Hof van beroep te Gent (België), 28 januari 2010."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-strafbepaling-strafrechtelijke-sanctie-hof-van-beroep-gent-2010-01-28-8d28"
lang: "nl"
---

# Voldoening van de belasting, strafbepaling, strafrechtelijke sanctie · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

28 januari 2010

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

181 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 28.01.2010

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Gent, derde kamer, recht doende in correctionele zaken**

Nr. **468/09** – 28/01/2010

Nr. **C/124/10** van het arrest

Not. **BG 75.96.722-99-BI**

In de zaak van het Openbaar Ministerie en van de burgerlijke partij :

**DE BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat, 14, op vervolging van de Administratie van de invordering, Sector AOIF, in de persoon van de Administratie van de Bijzonder Belastinginspectie, met kantoren te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan, 6/801

**tegen :**

1\. Nr. 177

**B. P. R.**, geboren te … op …, zonder beroep, wonende te …, …

2\. Nr. 178

**M. N. J. A.**, geboren te … op …, zelfstandige, wonende te …, …

Beklaagd van:

De eerste en de tweede :

Als daders, ofwel om een misdaad of een wanbedrijf hieronder omschreven te hebben uitgevoerd, ofwel om aan de uitvoering rechtstreeks te hebben medegewerkt, ofwel om door enige daad, tot de uitvoering ervan zodanige hulp te hebben verleend dat, zonder hun bijstand, de misdaad of het wanbedrijf niet had kunnen worden gepleegd, ofwel om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, rechtstreeks het misdrijf te hebben uitgelokt,

A. Bij inbreuk op artikel 73bis W.BTW, met het oogmerk om een van de in artikel 473 W.BTW bedoelde misdrijven te plegen, onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de fiscale geldboeten, als belastingplichtige en/of als mededader, de bepalingen van dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen te hebben overtreden, meer bepaald door :

A.1) in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften, valsheid te hebben gepleegd, namelijk door valse facturen te hebben doen laten opstellen, meer bepaald om de indruk te doen ontstaan dat de diensten en/of goederen werden geleverd aan de BVBA **M.** met BTW-nummer … (in faling sedert 23 september 1999) door de NV **I. D. J.**, terwijl deze in werkelijkheid aan de verdachten werden geleverd en met het oogmerk onder de tenlastelegging B1 omschreven feiten te plegen,

te … en te … in de periode van 16 juni 2000 tot en met 24 augustus 2001.

A.2) in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften, valsheid te hebben gepleegd, namelijk door valse facturen te hebben doen laten opstellen, meer bepaald om de indruk te doen ontstaan dat de diensten en/of goederen werden geleverd aan de BVBA **M.** met BTW-nummer … (in faling sedert 23 september 1999) door de BVBA **B. F. O.**, terwijl deze in werkelijkheid aan de verdachten werden geleverd en met het oogmerk onder de tenlastelegging B2 omschreven feiten te plegen,

te … en te … in de periode van 24 augustus 2001 tot en met 15 maart 2006.

De eerste en de tweede :

te … in de periode van 01 januari 2000 tot en met 01 april 2006,

als daders, ofwel om een misdaad of een wanbedrijf hieronder omschreven te hebben uitgevoerd, ofwel om aan de uitvoering rechtstreeks te hebben medegewerkt, ofwel om door enige daad, tot de uitvoering ervan zodanige hulp te hebben verleend dat, zonder hun bijstand, de misdaad of het wanbedrijf niet had kunnen worden gepleegd, ofwel om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, rechtstreeks het misdrijf te hebben uitgelokt,

B. Bij inbreuk op artikel 53, eerste lid, 3° en 4°, artikel 530cties, § 1, 3de lid en artikel 73 W.BTW zoals van kracht met ingang van 01 januari 1993 (artikel 58 W. 28 december 1992, BS 31 december 1992) te hebben nagelaten periodiek aangifte te doen van het bedrag der in dit wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt in het kader van zijn economisch activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen en van de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te verzekeren en de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij artikel 53, eerste lid, 3° voorgeschreven aangifte en vanaf 01 januari 2004.

Bij inbreuk op artikel 73bis W.BTW, met het oogmerk om een van de in artikel 473 W.BTW bedoelde misdrijven te plegen, onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de fiscale geldboeten, als belastingplichtige en/of als mededader, de bepalingen van dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen te hebben overtreden, meer bepaald door bij inbreuk op 53 § 1, eerste lid 2° en 3° en artikel 53octies, § 1, 3 de lid W.BTW te hebben nagelaten periodiek een BTW-aangifte in te dienen in het kader van zijn economische activiteit, en de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij artikel 53, § 1, eerste lid, 2° voorgeschreven aangifte, namelijk door de hierna vermelde inkomsten niet op te nemen in de BTW-aangiften en de erop verschuldigde BTW niet te voldoen, namelijk door niet aangifte van de aankopen bij, noch van de verkopen van de aldus aangekochte dranken.

B1) dranken aangekocht bij de NV **I. D. J.**,

B1.1) ten bedrage van … euro (aan 21 %) en … euro (aan 6 %) in de periode van 16 juni 2000 tot en met 26 december 2000.

B 1.2) ten bedrage van … euro (aan 21 %) en … euro (aan 6 %) in de periode van 03 januari 2001 tot en met 24 augustus 2001.

B2) dranken aangekocht bij de BVBA **B. F. O.**,

B2.1) ten bedrage van … euro (aan 21 %) in de periode van 24 augustus 2001 tot en met 31 december 2001.

B.2.2) ten bedrage van … euro (aan 21 %) in de periode van 03 januari 2002 tot en met 31 december 2002.

B.2.3) ten bedrage van … euro (aan 21 %) in de periode van 04 januari 2003 tot en met 31 december 2003.

B.2.4) ten bedrage van … euro (aan 21 %) en … euro (aan 6 %) in de periode van 06 januari 2004 tot en met 31 december 2004.

B.2.5) ten bedrage van … euro (aan 21 %) en … euro (aan 6 %) in de periode van 13 januari 2005 tot en met 31 december 2005.

B.2.6) ten bedrage van … euro (aan 21 %) en … euro (aan 6 %) in de periode van 05 januari 2006 tot en met 14 maart 2006.

B3) dranken aangekocht bij de NV **I. A.** (**B. F**)

B.3.1) ten bedrage van … euro (aan 21 %) op 15 juni 2002 en op 17 juni 2002,

en waardoor over de jaren 2000 tot en met 2006 de totaal verschuldigde en niet betaalde BTW … euro bedraagt.

DE EERSTE en DE TWEEDE :

Als daders, ofwel om een misdaad of een wanbedrijf hieronder omschreven te hebben uitgevoerd, ofwel om aan de uitvoering rechtstreeks te hebben medegewerkt, ofwel om door enige daad, tot de uitvoering ervan zodanige hulp te hebben verleend dat, zonder hun bijstand, de misdaad of het wanbedrijf niet had kunnen worden gepleegd, ofwel om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, rechtstreeks het misdrijf te hebben uitgelokt.

C. Bij inbreuk op artikel 450, lid 1 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (kort : WIB1992) :

C.1) Met het oogmerk om een van de in artikel 449, WIB1992 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, handelsgeschriften of private geschriften, valsheid te hebben gepleegd, door de NV **I. D. J.** valse facturen te hebben doen opstellen, meer bepaald met het oogmerk de indruk te doen ontstaan dat de dranken werden geleverd aan de BVBA **M.** met BTW-nummer … (in faling sedert 23 september 1999) terwijl deze in werkelijkheid aan de verdachten werden geleverd en met het oogmerk de onder tenlastelegging D1 omschreven feiten te plegen,

te … en te … in de periode van 16 juni 2000 tot en met 24 augustus 2001.

C.2) Met het oogmerk om een van de in artikel 449, WIB1992 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, handelsgeschriften of private geschriften, valsheid te hebben gepleegd, door de BVBA **B. F. O.** valse facturen te hebben doen opstellen, meer bepaald met het oogmerk de indruk te doen ontstaan dat de dranken werden geleverd aan de BVBA **M.** met BTW-nummer … (in faling sedert 23 september 1999) terwijl deze in werkelijkheid aan de verdachten werden geleverd en met het oogmerk de onder tenlastelegging D1 omschreven feiten te plegen,

te … en te … in de periode van 24 augustus 2001 tot en met 15 maart 2006.

De eerste en de tweede :

Als daders, ofwel om een misdaad of een wanbedrijf hieronder omschreven te hebben uitgevoerd, ofwel om aan de uitvoering rechtstreeks te hebben medegewerkt, ofwel om door enige daad, tot de uitvoering ervan zodanige hulp te hebben verleend dat, zonder hun bijstand, de misdaad of het wanbedrijf niet had kunnen worden gepleegd, ofwel om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, rechtstreeks het misdrijf te hebben uitgelokt,

D. Bij inbreuk op artikel 449 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (kort : WIB 1992) onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de administratieve sancties, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit wetboek of de ten uitvoering ervan gegeven regelen te hebben overtreden, namelijk door bij inbreuk op artikel 305 WIB 1992, als belastingplichtige die aan de personenbelasting is onderworpen, niet ieder jaar aan de Administratie der Directe Belastingen aan aangifte te hebben overgelegd in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot 311 WIB 1992, meer bepaald geen aangifte te hebben gedaan van de inkomsten verkregen uit de verkoop van de sub A1, B1, C1 en A2, B2, C2 geleverde goederen evenals van de sub B3 geleverde goederen,

*1)* *inkomsten 2000/aanslagjaar 2001 :*

\- de winst ingevolge de verkoop van de door de NV **I. D. J.** geleverde goederen ten bedrage van … euro en door de fiscus geraamd op … euro, te Brugge op 30 juni 2001.

*2)* *inkomsten 2001/aanslagjaar 2002 :*

\- de winst ingevolge de verkoop van de door de NV **I. D. J.** geleverde goederen ten bedrage van … euro en door de BVBA **B. O. F.** geleverde goederen ten bedrage van … euro en door de fiscus geraamd op … euro, te … op 30 juni 2002.

*3)* *inkomsten 2002/aanslag jaar 2003 :*

\- de winst ingevolge de verkoop van de door de BVBA **B. O. F.** geleverde goederen ten bedrage van … euro en van de door de NV **I. A.** (drankenhandel **F.**) geleverde goederen ten bedrage van … euro en door de fiscus geraamd op … euro, te … op 30 juni 2003.

4) *inkomsten 2003/aanslagjaar 2004 :*

\- de winst ingevolge de verkoop van de door de BVBA **B. O. F.** geleverde goederen ten bedrage van … euro en door de fiscus geraamd op … euro, te … op 30 juni 2004.

*5)* *inkomsten 2004/aanslagjaar 2005 :*

\- de winst ingevolge de verkoop van de door de BVBA **B. O. F.** geleverde goederen ten bedrage van … euro en door de fiscus geraamd op … euro, te … op 30 juni 2005.

*6)* *inkomsten 2005/aanslag jaar 2006 :*

de winst ingevolge de verkoop van de door de BVBA **B. O. F.** geleverde goederen ten bedrage van … euro en door de fiscus geraamd op … euro, te … op 30 juni 2006.

*7)* *inkomsten 2006/aanslagjaar 2007 :*

\- de winst ingevolge de verkoop van de door de BVBA **B. O. F.** geleverde goederen ten bedrage van … euro, te … op 30 juni 2007.

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 16 e kamer, zetelende in correctionele zaken d.d. 25 maart 2009, op tegenspraak gewezen, werd als volgt beslist :

Verbetert de verschrijving in de dagvaarding voor wat betreft tenlastelegging A.1 en A.2 in "BTW-nummer …" i.p.v. "BTW-nummer …"

Verbetert de verschrijving in de dagvaarding voor wat betreft tenlastelegging A in "artikel 73, W.BTW" i.p.v. artikel 473, W.BTW".

## In hoofde van de eerste beklaagde

Verklaart de feiten B.3 en D.3 wat betreft de door NV **I. A.** geleverde goederen ten bedrage van … EUR in hoofde van deze gedaagde niet bewezen, spreekt hem vrij en ontslaat hem uit dien hoofde van alle verdere vervolging, zonder kosten.

Verklaart de feiten sub A (A.1 en A.2), B1, B2, C (C.1 en C.2) en D, met uitzondering van de door NV **I. A.** geleverde goederen ten bedrage van … EUR bewezen en veroordeelt deze gedaagde uit dien hoofde, voor al deze feiten samen, bij toepassing van art. 65 , lid 1 Sw., tot een gevangenisstraf van **TWAALF MAANDEN** en een geldboete van **… (…) EURO**;

Beveelt dat, bij gebrek aan betaling binnen de door de wet bepaalde tijd, voormelde geldboete zal mogen vervangen worden door een gevangenisstraf van drie maanden.

De Rechtbank stelt vast dat deze veroordeelde nog geen veroordeling opgelopen heeft tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden (artikel 4 van de wet van 10 februari 1994) en meent dat een opdeproefstelling van aard is om de verbetering van deze veroordeelde te doen verhopen.

Gelet op artikel 8 der wet van 29 juni 1964, beveelt dat de tenuitvoerlegging van onderhavig vonnis binnen de perken van artikel 14 van dezelfde wet, uitgesteld wordt voor een termijn van **drie jaar** voor wat betreft de uitgesproken gevangenisstraf.

Verwijst deze veroordeelde tevens tot het betalen van een vergoeding van … (…) EUR.

Verplicht deze veroordeelde om boven de correctionele hoofdstraf een bedrag van … EUR + … decimes = … EUR te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders opgericht binnen de begroting van de federale overheidsdienst Justitie. (artikelen 28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985, in werking getreden door het K.B. van 18 december 1986, en laatst gew. bij K.B. van 31.10.2005).

## In hoofde van de tweede beklaagde

Verklaart de feiten sub A (A.1 en A.2), B (B1 , B2 en B3), C (C.1 en C.2) en D bewezen en veroordeelt deze gedaagde uit dien hoofde, voor al deze feiten samen, bij toepassing van art. 65, lid 1 Sw., tot een gevangenisstraf van **TWAALF MAANDEN** en een geldboete van **… (…) EURO**;

Beveelt dat, bij gebrek aan betaling binnen de door de wet bepaalde tijd, voormelde geldboete zal mogen vervangen worden door een gevangenisstraf van **drie maanden**.

De Rechtbank stelt vast dat deze veroordeelde nog geen veroordeling opgelopen heeft tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden (artikel 4 van de wet van 10 februari 1994) en meent dat een opdeproefstelling van aard is om de verbetering van deze veroordeelde te doen verhopen.

Gelet op artikel 8 der wet van 29 juni 1964, beveelt dat de tenuitvoerlegging van onderhavig vonnis binnen de perken van artikel 14 van dezelfde wet, uitgesteld wordt voor een termijn van drie jaar voor wat betreft de uitgesproken gevangenisstraf.

Verwijst deze veroordeelde tevens tot het betalen van een vergoeding van … (…) EUR.

Verplicht deze veroordeelde om boven de correctionele hoofdstraf een bedrag van … EUR + … decimes = … EUR te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders opgericht binnen de begroting van de federale overheidsdienst Justitie. (artikelen 28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985, in werking getreden door het K.B. van 18 december 1986, en laatstgew. bij K.B. van 31.10.2005).

Verwijst deze veroordeelden tevens **solidair** tot de kosten van het geding, in totaal begroot op **… euro en … cent**.

Stelt het overtuigingsstuk met nummer … ter beschikking van het Openbaar Ministerie om ermee te handelen als naar recht.

## OP BURGERLIJK GEBIED

Verklaart de vordering van de burgerlijke partij **DE BELGISCHE STAAT** onontvankelijk.

---

Tegen voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld:

\- op 7 april 2009 door **N. M.** tegen alle schikkingen;

\- op 9 april 2009 door het Vervolgend Bestuur tegen **P. B.** en **N. M.** en dit tegen alle schikkingen;

\- op 9 april 2009 door het Openbaar Ministerie tegen **P. M.** en **N. M.** en dit tegen alle schikkingen.

---

Gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands :

\- de beklaagde **P. B.** in zijn middelen van verdediging, met machtiging van het Hof, waartegen het Openbaar Ministerie zich niet verzet, vertegenwoordigd door mr. **N. A.**, advocaat te …;

\- de beklaagde **N. M.** in haar middelen van verdediging, bijgestaan door mr. **J. V. C.**, advocaat te …;

\- mr. **L. D. S.**, advocaat te …, die de burgerlijke partij de Belgische Staat, FOD Financiën (BBl) vertegenwoordigt in haar eis;

\- mevrouw **E. V.**, Advocaat-generaal, in haar vordering;

---

De hogere beroepen werden tijdig en regelmatig ingesteld.

## 1. OP STRAFGEBIED

### 1.1. Voorafgaandelijk

#### 1.1.1. Verbeteringen en herkwalificatie

**1.1.1.1.** De eerste rechter heeft vooreerst terecht enkele verbeteringen aan de oorspronkelijke dagvaarding aangebracht, meer bepaald met betrekking tot de tenlasteleggingen A, A.1 en A.2.

**1.1.1.2.** Verder stelt het Hof vast dat de tenlastelegging B als volgt dient te worden geherkwalificeerd :

> *"B. bij inbreuk op artikel 73, W.BTW onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de fiscale geldboeten, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen te hebben overtreden, meer bepaald door :*
>
> \- *bij inbreuk op artikel 53, 1**e* *lid, 3° en 4° en artikel 53octies, § 1, 3**e* *lid W.BTW, zoals van kracht met ingang van 1.1.1993 (artikel 58 W 28.12.1992, BS 31.12.1992) te hebben nagelaten periodiek aangifte te doen van het bedrag der in dit wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt in het kader van zijn economische activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen en van de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te verzekeren en de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij artikel 53, 1**e* *lid, 3**e* *voorgeschreven aangifte;*
>
> *en vanaf 1 januari 2004* *:*
>
> \- *bij inbreuk op artikel 53, § 1, 1**e* *lid, 2**e* *en 3**e* *en artikel 53octies, § 1, 3**e* *lid W.BTW zoals van kracht met ingang van 1.1.2004 (artikelen 7 en 9 wet 28.1.2004, BS 10.2.2004), te hebben nagelaten periodiek een aangifte in te dienen, waarin hij het bedrag vermeldt der in dit wetboek bedoelde handelingen, die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt in het kader van zijn economische activiteit; van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen en van de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Gemeenschap uitgevaardigde regelgeving inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te waarborgen en de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij artikel 53, § 1 1**e* *lid, 2**e* *voorgeschreven aangifte, namelijk door de niet-aangifte van noch de aankopen, noch de verkopen van de aldus aangekochte dranken"*

De partijen werden van deze heromschrijving in kennis gesteld op de zitting van het Hof op 17 december 2009 en hebben hun verdediging dienaangaande aangepast (cf. zittingsblad).

#### 1.1.2. De toelating tot inzage en afschrift

Ter terechtzitting van het Hof van 17 december 2009 werd door het openbaar ministerie (copie van) de machtiging neergelegd, waarbij op 16 mei 2002 door het Parket-Generaal bij het hof van beroep te Gent aan de gewestelijke directeur van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie toelating tot inzage en afschrift van de stukken van het strafdossier werd verleend. Het Hof stelt vast dat de procedure hieromtrent volledig regelmatig is verlopen.

#### 1.1.3. De opgeworpen exceptio obscuri libelli

Volkomen ten onrechte wordt door de beklaagden opgeworpen dat zij niet kunnen opmaken voor welke feiten zij worden vervolgd. In de dagvaarding wordt immers op duidelijke wijze verwezen naar de facturen die bedoeld zijn onder de tenlasteleggingen A en C :

\- onder de tenlasteleggingen A.1 en C.1 worden de facturen bedoeld die de beklaagden hebben doen opstellen door de NV **I. D. J.** *"in de periode van 16 juni 2000 tot en met 24 augustus 2001"* - uit een (eenvoudige) lezing van het strafdossier blijkt dat copies van al deze facturen (samen met overzichtelijke listings per jaar) werden afgegeven door **P. P.**, depotmanager van het bedoelde depot in … en opgenomen zijn in het strafdossier (onder kaft V – stukken 4 tot en met 7), bovendien (mooi) geklasseerd naar factuurdatum, namelijk (in omgekeerde volgorde) van 24 augustus 2001 tot 16 juni 2000 (kaft V - stukken 7 strafdossier);

\- onder de tenlasteleggingen A.2 en C.2 worden de facturen bedoeld die de beklaagden hebben doen opstellen door de BVBA **B. F. O.** *"in de periode van 24 augustus 2001 tot en met 15 maart 2006"* - uit een (eenvoudige) lezing van het strafdossier blijkt dat copies van al deze facturen op de correctionele griffie te Brugge onder nummer … (kaft VI - stuk 68 : "Inventaris van overtuigingsstukken : Eén doos met als inhoud copies van alle verkoopfakturen van de BVBA **B. F. O.** aan de BVBA **M.** met betrekking tot de boekjaren 2001 tot en met 2006"), waarbij in het strafdossier Iistings werden opgenomen met betrekking tot deze facturen, waaruit duidelijk blijkt dat de eerste factuur dateert van 24 augustus 2001 en de laatste factuur van 14 maart 2006 (kaft VI - stukken 69 tot en met 87 strafdossier).

Naar het oordeel van het Hof geven deze stukken van het strafdossier, waarnaar in de oorspronkelijke dagvaarding wordt verwezen (de facturatieperiode loopt immers volkomen gelijk met de geïncrimineerde periode), aan de beklaagden alle noodzakelijk informatie om kennis te hebben van de feiten waarvoor zij worden vervolgd. Van enige schending van de rechten van de verdediging kan zeker geen sprake zijn.

**1.2.** **Met betrekking tot de beklaagde P. B.**

#### 1.2.1. De tenlasteleggingen

De eerste rechter heeft vooreerst terecht geoordeeld dat de tenlasteleggingen B.3 en D.3 (meer bepaald wat betreft de door NV **I. A.** geleverde goederen ten bedrage van … euro) in hoofde van de beklaagde **P. B.** niet afdoende bewezen zijn.

Verder zijn net als voor de eerste rechter ook voor het Hof de tenlasteleggingen A (A.1 en A.2), B.1, B.2 (tenlasteleggingen B zoals geherkwalificeerd), C (C.1 en C.2) en D (met uitzondering van de door NV **I. A.** geleverde goederen ten bedrage van … euro) in hoofde van de beklaagde **P. B.** afdoende bewezen gebleven. Het Hof verwijst vooreerst naar de pertinente motieven van de eerste rechter hieromtrent, beaamt deze motieven en neemt deze alhier over.

Ondermeer op grond van de uitgebreide bekentenissen van de beklaagden zelf blijkt onomstotelijk dat de beklaagden, die in de geïncrimineerde periode een koppel vormden, na het faillissement van de BVBA **M.** bewust een "zwarte" handel in dranken (voornamelijk vaten bier) hebben opgezet waarbij aan de leveranciers valse gegevens, noodzakelijk voor het opmaken van de facturen, werden medegedeeld (handelsnaam en handelsregisternummer van de BVBA **M.** ondanks het faillissement, leveringsadres namelijk ofwel depot … dat in werkelijkheid niet meer werd gebruikt ofwel "**D. B. B.**" … dat in werkelijkheid de bloemenzaak van de tweede beklaagde betrof).

Dat de beklaagden niet op de hoogte zouden zijn geweest van het faillissement van de BVBA **M.** (uitgesproken op 23 september 1999) is volkomen ongeloofwaardig. In opdracht van de Procureur des Konings hebben de verbalisanten zich reeds op 18 december 1999 bij de tweede beklaagde **N. M.** aangeboden met het oog op het aantreffen van de eerste beklaagde **P. B.**, teneinde *"hem aan te manen onverwijld contact op te nemen met de curator"* van het faillissement van de BVBA **M.** (kaft I - stuk 6 strafdossier) maar de tweede beklaagde **N. M.** weigerde toen elke samenwerking (kaft I - stuk 7 strafdossier). De eerste beklaagde **P. B.** werd op 10 augustus 2000 uiteindelijk in contact gebracht met de curator (kaft I/stuk 10 strafdossier).

Uit de diverse verhoren (en bekentenissen) van de eerste beklaagde **P. B.** blijkt overduidelijk dat hij na het faillissement van de BVBA **M.** doelbewust deze "zwarte" handel in dranken heeft opgezet, sterker nog, zelfs bleef voortzetten niettegenstaande hij reeds geïnterpelleerd was omtrent zijn strafbare praktijken :

\- in zijn eerste verhoor op 10 augustus 2000 zwijgt hij nog over de "zwarte" handel : *"Ik ontving de betekening inzake het faillissement van de firma* ***M.****, waarvan ik de zaakvoerder ben. Ik neem er kennis van dat ik mij zo spoedig mogelijk in verbinding moet stellen met de aangestelde curator. In uw bijzijn wordt de curator opgebeld, doch ik krijg er kennis van dat de heer* ***C.*** *het dossier behartigt doch pas terug uit verlof is vanaf woensdag 16/08/2000. Ik zal dan opnieuw telefonisch kontakt met hem opnemen."* (kaft I/stuk 12 strafdossier);

\- bij een volgend verhoor op 12 januari 2001 wordt evenmin melding gemaakt van zijn verdere actviteiten : *"Inzake het mij niet aanbieden bij de curator* ***C.*** *(...) kan ik u geen reden geven. Ik had er kennis van dat hij met verlof was tot 16.08.2000 (mijn verklaring van 10.08.2000 om 09.40 uur) doch ik heb echter nagelaten om hem vanaf dat tijdstip te contacteren. (...) Het is vanaf ongeveer juni/juli 1998 dat ik mijn zaak volledig heb gestopt. Gedurende dat trimester heb ik dan de resterende stock verkocht. (...). Inzake het actief van de vennootschap kan ik u zeggen dat er geen actief meer is. Volgens mij hebben* ***D. R. M.*** *en ik alles opgeleefd. Wij hebben er een ruimere levensstijl op na gehouden doch ikzelf heb niets meer over. (...) Inzake de oorzaken van de faling van de vennootschap kan ik dit volledig verklaren ingevolge wanbeheer. (...). Inzake mijn huidige activiteiten kan ik u het volgende meedelen. (...). Sedert 1998 doe ik volledig niets meer. Ik geniet geen werkloosheidsuitkering gezien ik zelfstandig ben. Ik geniet geen enkele vorm van uitkering. (...). Ik heb er geen idee van hoe ik de financiële put zal moeten vullen. Ik leef van niets gezien ik geen enkel inkomen heb."* (kaft III/stukken 5 en 6 strafdossier);

\- dat hij echter op het ogenblik van zijn (vorig) verhoor van 12 januari 2001 wel degelijk al (criminele) inkomsten had, blijkt uit zijn verhoor op 5 juni 2002 : *"Het is juist en volgens het dossier in uw bezit dat ik met mijn vriendin* ***N. M.*** *aankopen ben gaan doen in de jaren 2000 en 2001 bij de NV* ***I.*** *te …. Deze aankopen gebeurden in het begin als een soort voortzetting van de aankopen onder de naam van de BVBA* ***M.*** *(...) De aankopen bij de NV* ***I.*** *gebeurden met factuur gesteld op de BVBA* ***M.*** *en haar BTW-nummer. De NV* ***I.*** *was in het begin niet op de hoogte van dit faillissement en de praktijken die ik toen voor eigen rekening deed. Ik vond mijn afzet in diverse horeca-zaken die ik hier niet wil vernoemen. Ik zie het niet zitten om die mensen in de miserie te steken. Ik ken de consequenties terzake. Zoals gezegd handelde ik in die niet-officiële handel voor eigen rekening. (...) In het begin van de aankopen waren zij wel niet op de hoogte volgens ik denk; dat is pas later uitgekomen. Ik moest hiervoor enkele keren naar het bureau, gelet ook op het feit dat ik toch in hun ogen veel aankocht en zij mij vroegen waar ik mijn afzet had. Ik heb hen dit niet willen meedelen, en laten verstaan dat het om mijn handel ging. Zij lieten mij gerust tot op het moment dat de curator er achter kwam. Zodoende was het gedaan met bij de NV* ***I.*** *aan te kopen. (...). Het is juist dat ik zondag en maandag laatstleden nog biervaten in 'mijn' camionette had steken. Die zijn ondertussen verkocht. Ik wens u hier de namen van de afnemers niet te noemen om deze mensen niet de nodige last aan te doen en omdat ik mij nog wil tonen onder de mensen en zonder met de vinger te moeten gewezen worden. Over de aan- en verkoop van mijn handel houd ik geen documenten bij. 'Ik weet dat ik een handeltje drijf in dranken. Dat ik hiervoor geen aangifte doe in mijn belastingen. Ik heb geen inschrijving in het handelsregister en heb ook geen BTW-nummer. Ik zal mij in de toekomst onthouden op die manier nog verder handel te drijven. Ik weet dat ik op de hoger genoemde manier onwettig handelde, maar ik probeer ook enigszins aan een inkomen te geraken om in de familiale toestand enigszins toe te komen, wat niet gemakkelijk is na een voorafgaandelijk faillissement."* (kaft IV/subkaft 8 - stukken 25, 26 en 27 strafdossier);

\- bij zijn verhoor op 1 december 2005 bevestigt hij nogmaals de "zwarte" verkopen van de dranken die werden aangekocht bij het **I.** te … maar wordt nog steeds gezwegen over de criminele activiteiten die op dat ogenblik nog steeds werden verdergezet : *"Na het faillissement van de BVBA* ***M.*** *heb ik samen met mijn vriendin* ***N. M.*** *heel wat bestellingen gedaan bij het* ***I.-d.*** *te …. Deze bestellingen zijn gebeurd op het reeds gevolg aan het faillissement geschrapte BTW-nummer van de BVBA* ***M.****. Ofschoon ik in ruzie leef met* ***M. D.*** *kan ik hem in deze laatste aangelegenheid niets verwijten. Hij is daar absoluut niet in betrokken en zelfs niet van op de hoogte. Ik zat financieel aan de grond en had geen handelsregister meer of vennootschap via dewelke ik activiteiten kon ontplooien. Ik heb die bestellingen bij* ***I.*** *gedaan en ging ze afhalen bij* ***I.****, soms alleen, soms vergezeld van mijn vriendin* ***N.****. De ene keer tekende ik de afhalingsbons, de andere keer tekende zij. Ik heb daar een stommiteit begaan door aan te kopen via een geschrapt BTW-nummer. Die aankopen heb ik doorverkocht, in hoofdzaak aan horeca-instellingen, en in mindere mate aan particulieren. Het spreekt voor zich dat ik alle vaten die ik op die manier bij* ***I.*** *… heb aangekocht, heb doorverkocht aan de horeca. (...). De verkoopopbrengsten heb ik aangewend om persoonlijke schulden en boeten te betalen, maar ze hebben niet volstaan. Ik ben nog steeds niet uit mijn schulden. (...). Momenteel doe ik nog steeds een drankenhandel, maar via mijn vriendin* ***N. M.****, die uitbreiding genomen heeft van haar handelsregister voor een drankenhandel onder de reeds genoemde benaming* ***T. B. C.****”.* (kaft VI - stuk 29 strafdossier);

\- uit verder onderzoek bleek echter dat hij tot maart 2006 zijn "zwarte" handel in dranken bleef verderzetten, waarbij hij de aankopen bij een andere firma deed, wat hij in een verhoor van 24 september 2007 diende toe te geven : *"U deelt mij thans mede dat uit het verdere onderzoek gebleken is dat ik vanaf 2002 tot maart 2006 mij op dezelfde wijze bevoorraadde bij BVBA* ***B. F. O.*** *te …. U zegt mij ook dat uit het onderzoek, en meer bepaald uit de door* ***O.*** *ten name van* ***M.*** *uitgereikte facturen blijkt dat er daar door mij een veel omvangrijker bevoorrading is geweest dan bij het* ***I.-d.*** *te …. U zegt mij dat volgens de bevindingen vervat in uw proces-verbaal … er tussen 2002 en maart 2006 bestellingen/afhalingen zijn geweest door mij voor een totaal van ruim … euro. Het is best mogelijk dat ik dergelijke aanzienlijke hoeveelheid bij* ***O.*** *heb afgehaald. Voor dat bedrag aan dranken heb ik naar mijn schatting in al die jaren afgehaald bij* ***O.*** *onder de naam* ***M.****. Ik ging mij daar circa drie maal per week bevoorraden. Al deze bieren in vaten, frisdranken, bieren in flesjes heb ik doorverkocht. Ik verkocht de drank door in de regio Brugge en de volledige kuststrook van Knokke tot De Panne. De kopende horeca-instellingen hebben nooit facturen gevraagd en door mij werden er ook geen facturen opgemaakt. Zij betaalden mij in contanten. De eerste keer dat ik mij tot* ***O.*** *gewend heb, was nadat het* ***I.-d.*** *te … mij als afnemer geweigerd had. Immers, zij hadden bezoek gekregen van de fiscus die vastgesteld had dat ik en* ***N. M.*** *bij het* ***I.-d.*** *bestellingen en leveringsbons hadden getekend onder het niet meer actieve BTW-nummer van de BVBA* ***M.****. Toen ik mij als gevolg daaraan ging bevoorraden bij* ***F. O.****, heb ik er mij voorgesteld als zaakvoerder van de BVBA* ***M.*** *en gezegd dat ik daar bestellingen wenste te doen. De heer* ***F. O.*** *heeft geen nadere details gevraagd over die vennootschap of mijzelf. Ik heb hem de naam van die vennootschap en het niet meer actieve BTW-nummer genoemd waarop hij moest factureren. (...). Het afhalen en naar de klanten brengen, deed ik met het voertuig van mijn toenmalige vriendin* ***N. M.****. Het was een witte bestelwagen Mercedes Sprinter die op haar naam ingeschreven stond maar die ik permanent mocht gebruiken van haar. (...). Ze wist wel dat haar bestelwagen, die ik permanent ter beschikking had, door mij gebruikt werd voor mijn activiteit in de drankenbranche. (...). Ik ben niet bereid namen te noemen van horeca-instellingen die bij mij dranken hebben afgenomen. Ik weet wel dat zij aan die zwarte leveringen veel meer verdiend hebben dan ikzelf. Gezien het door de loop der jaren een soort vrienden zijn geworden van mij wens ik hen niet in mijn fiscale miserie te betrekken."* (kaft VI - stukken 89 t.e.m. 91 strafdossier).

#### 1.2.2. De bestraffing

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de beklaagde **P. B.** de feiten, zoals omschreven onder de tenlasteleggingen A (A.1 en A.2), B.1, B.2 (tenlasteleggingen B zoals geherkwalificeerd), C (C.1 en C.2) en D (met uitzondering van de door NV **I. A.** geleverde goederen ten bedrage van … euro) pleegde met eenzelfde misdadig opzet, zodat overeenkomstig artikel 65 Swb. slechts één straf werd opgelegd.

Het Hof is van oordeel dat in casu geen sprake kan zijn van enige overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 21ter Vt. Sv., artikel 6.1 E.V.R.M. of artikel 14 B.U.P.O.-verdrag. De gegevens van het uitgebreide strafdossier tonen aan dat terloops het gerechtelijk onderzoek, ondermeer rekening houdende met de omvang en de complexiteit van het onderzoek, de strafvervolging op ieder tijdstip op redelijke wijze werd benaarstigd. Ook de behandeling voor de eerste rechter kende geen enkele nit te verantwoorden vertraging.

De door de eerste rechter in hoofde van de beklaagde **P. B.** opgelegde bestraffing was naar het oordeel van het Hof volkomen wetmatig en gerechtvaardigd. Het Hof verwijst naar de pertinente motieven van de eerste rechter hieromtrent en neemt deze alhier over. De opgelegde bestraffing komt ook het Hof passend en afdoende voor om deze beklaagde te wijzen op de ernst van de door hem gepleegde feiten en om hem tot het besef te brengen dat zijn crimineel en asociaal gedrag niet kan getolereerd worden.

Terecht werd door de eerste rechter aan de beklaagde **P. B.** uitstel van tenuitvoerlegging verleend voor wat de uitgesproken gevangenisstraf betreft. Deze beklaagde verkeert nog in de wettelijke voorwaarden daartoe en het Hof verhoopt dat dit uitstel hem ervan zal weerhouden om in de toekomst nieuwe misdrijven te plegen.

Het Hof is de overtuiging toegedaan dat de opgelegde bestraffing op die wijze, zowel vanuit algemeen als vanuit individueel repressief en preventief oogpunt, in hoofde van de beklaagde **P. B.** volkomen effect zal sorteren.

De oordeelkundige beslissingen van de eerste rechter met betrekking tot de vervangende gevangenisstraf, de solidariteitsbijdrage, de bijzondere vergoeding, de kosten en de overtuigingsstukken dienen in hoofde van de beklaagde **P. B.** eveneens te worden bevestigd.

**1.3.** **Met betrekking tot de beklaagde N. M.**

#### 1.3.1. De tenlasteleggingen

Net als voor de eerste rechter zijn ook voor het Hof de tenlasteleggingen A (A.1 en A.2), B (B.1, B.2 en B.3 zoals geherkwalificeerd), C (C.1 en C.2) en D in hoofde van de beklaagde **N. M.** afdoende bewezen gebleven. Het Hof verwijst vooreerst naar de pertinente motieven van de eerste rechter hieromtrent, beaamt deze motieven en neemt deze alhier over.

Voor het Hof staat het vast dat de beklaagde **N. M.** actief heeft meegewerkt aan de "zwarte" handel in dranken en dat de misdrijven, waarvoor zij wordt vervolgd, zonder haar noodzakelijke hulp niet konden worden gepleegd. Zij stelde haar camionette ter beschikking van **P. B.**, ging samen met hem maar soms ook alleen dranken afhalen, ondertekende daartoe leveringsbons en gaf het adres van haar eigen bloemenzaak ("**D. B. B.**") op als het leveringsadres waarop kon worden gefactureerd. Naast de verklaringen van **P. B.** hieromtrent (zie hiervoor onder 1.2.1.) blijkt dit ondermeer uit volgende elementen :

\- de depotmanager van de **I.** te …, **P. P.**, verklaarde op 18 januari 2002 : *“Wij hebben nooit geleverd aan de BVBA* ***M.****, de goederen werden altijd afgehaald en contant betaald. Toen wij ter gelegenheid van een geboorte onze felicitaties aan de heer* ***B.*** *wensten over te maken, kwam het pakket, opgestuurd naar …, …, onbesteld terug. Toen wij hierover vragen stelden, kregen wij als antwoord dat het depot niet rendabel was en dat het depot niet meer in hun bezit was. Het facturatieadres werd '****D. B. B.*** *te …, …. Het correspondentie- en leveringsadres werd hier de vestiging te …. Gezien de betrokkenen altijd hier kwamen afhalen, was dat niet echt een probleem. Ik vond dit allemaal wat verdacht en liet het BTW-nummer natrekken. Daar vernam ik dat de BVBA* ***M.*** *al van 1999 failliet was. Het zou om een bedrieglijk faillissement gaan. Ik heb dan met de curator uit … telefonisch contact gehad, wij dienden alle leveringen te stoppen. Op het ogenblik dat ze voelden dat wij hen niet meer zomaar vertrouwden is de vriendin langs geweest en heeft alle leeggoed afgegeven en de openstaande facturen betaald. Dit gebeurde 's morgens vroeg toen niemand in het kantoor was. Ik heb nooit met de heer* ***B.*** *zelf gesproken, hij ontweek mij. Alles werd geregeld met zijn vriendin." (kaft V - stuk 4 strafdossier); blijkbaar gebeurde dit zeer regelmatig: "Bij* ***I.*** *te … vernemen wij dat zekere* ***N. M.****, somtijds vergezeld van haar vriend '****P.****' de dranken, waarvoor de bestaande facturen in de bundel, met een witte camionette is komen afhalen. Hier werden de meeste bestelbons door* ***N. M.*** *ondertekend. Deze bestellingen gebeurden regelmatig 2 à 3 maal per week, in het seizoen alle dagen."* (kaft V/subkaft 8 - stuk 35 strafdossier);

\- in haar eerste verklaring op 3 juni 2002 legde de beklaagde **N. M.** (na eerst alles te hebben ontkend) al (gedeeltelijke) bekentenissen af : *"Nadat enkele bestelbons met mijn handtekening op hier toegekomen zijn van* ***I.****, kan ik u nu in het kort verklaren wat precies is gebeurd. Ik ben inderdaad in de loop van de jaren 2000 en 2001 veelvuldig naar* ***I.*** *te … gereden om bestellingen drank af te halen. Bij de afhaling moest ik - ik was veelal alleen, soms vergezeld van '****P.****' - de bestelbons aftekenen. Bij de afhalingen van de dranken moest contant betaald worden. Ik kreeg het geld van* ***P.*** *'****P.*** ***B.****.(...). Ik haalde de vaten of dranken op bij* ***I.*** *en stopte met de bestelwagen aan de winkel '****B. B.****' te …. Ik gebruikte mijn geleasde bestelwagen Mercedes Sprinter, nrpl. …. Van aan de* ***B. B.*** *reed '****P.****' of* ***P. B.*** *dan naar een mij niet bekende bestemming. (...)* ***P. B.*** *doet momenteel nog leveranciers aan van vaten bier en dranken om bestellingen los te krijgen van dranken. Ik weet dat hij met mijn camionette dergelijke zaken gaat ophalen, maar hij daar niet loslippig over is tegenover mij. (...). Ik weet dus echt niet waar* ***P.*** *zich gaat bevoorraden voor de aankoop van dranken. Die vraag moet hem maar gesteld worden. Ik weet niets meer af van facturen die per adres gesteld worden op mijn zaak, zoals vroeger gebeurde met de BVBA* ***M.****, buiten mijn reguliere handel in bloemen." (*kaft V/subkaft 8 - stukken 8 en 9 strafdossier), wat werd bevestigd in haar verhoor van 1 december 2005 : *"Ik ben nog steeds samenwonende met mijn vriend* ***P. B.****. Hij is mijn levensgezel met enkele onderbrekingen niet te na genomen sedert eind de jaren ’80. Sinds wij een koppel vormen is* ***P. B.*** *meestal op mijn adres van inschrijving verblijvende. (...). Het klopt inderdaad dat de bestellingen onder naam van de failliete BVBA M. bij* ***I.*** *in feite een verderzetting waren van de activiteit in de drankenhandel. Met betrekking tot de wijze waarop bij* ***I.*** *werd besteld en geleverd, handhaaf ik mijn eerdere verklaring. Ik moet onderkennen dat ik veelal alleen deze bestellingen afhaalde en de corresponderende bestelbons aftekende. Occasioneel was ik vergezeld door '****P.****'. Ik betaalde deze afhalingen-Ieveringen met contanten die ik bekwam van* ***P.****. Ik wens hier te verduidelijken dat het eigenlijk zo was dat telkens bij de volgende afhaling de vorige contant werd betaald en dit met gelden die voortkwamen uit de verkoop aan de klanten van* ***P.****. Dat deze afhalingen bij* ***I.*** *gebeurden met een door mij geleasde bestelwagen is tevens correct. (...). Sinds 2003 heb ik ook op mijn naam een inschrijving in het handelsregister en BTW-nummer genomen voor handel in bieren en frisdranken. Het betreft in feite een activiteit die door '****P.****' wordt benaarstigd. Ik heb die inschrijving genomen op vraag van* ***P.*** *opdat hij ook een activiteit zou kunnen uitvoeren en dus ook iets zou kunnen verdienen. Die drankenactiviteit is tot op heden minimaal gebleven qua omzet."* (kaft VI - stukken 20 t.e.m. 23 strafdossier);

\- in tegenstelling tot wat de beklaagde **N. M.** beweerde bleef zij echter zeer actief in de "zwarte" handel in dranken; in zijn verhoor van 6 november 2007 verklaarde **F. O.** : *"Zoals u hebt vastgesteld aan de hand van de facturen die ik heb uitgereikt aan de BVBA* ***M.*** *ben ik daaraan beginnen verkopen in augustus 2001. De eerste contacten die ik had, verliepen met een genaamde* ***N.*** *die later leerde kennen als de echtgenote of vriendin van '****P.****', zeg* ***P. B.****. Het is* ***N.*** *die mij de coördinaten gegeven heeft van de BVBA* ***M.*** *waarop moest gefactureerd worden. Zij vermeldde dus het adres en het BTW-nummer. Het was ook zij die in de beginfase per fax of telefonisch de bestellingen doorgaf aan mij. (...). Ik weet ook dat die* ***N.*** *een bloemenwinkel heeft of had langs de … te …. Soms was ze ook vergezeld van haar 2 kinderen want ze hebben hier soms nog een zakje chips meegekregen. Het was ook zij die in de beginfase de bakken en vaten bier in haar witte Mercedes-bestelwagen laadde. Wij hebben er hier in het bedrijf nog schampere opmerkingen over gemaakt dat die vrouw met bakken en vaten moest sleuren. Ik herhaal dat vanaf augustus 2001 tot minstens oktober 2001 die* ***N.*** *steeds alleen was. Zij vertelde dat haar vriend* ***P.*** *een motorongeval had hij mee met haar maar bleef in of rond de camionette omdat hij nog te veel gehandicapt was om te kunnen helpen bij het inladen. Hij zat met zijn been in het gips en na het gips heb ik gehoord dat hij ook moest geopereerd worden. Het heeft zeker meer dan een jaar geduurd dat zij het laden van de bestelwagen alleen deed. Na verloop van een jaar kwamen ze nog steeds samen maar was hij fysiek opnieuw in staat om mee te helpen bij het inladen. Hier werd altijd cash betaald. Als* ***N.*** *alleen was, betaalde zij zelf uiteraard en als ze samen waren betaalde de ene keer* ***P.*** *en de andere keer* ***N.****. Ik schat dat zij toch circa 2 jaar hier de bestellingen is komen afhalen of mee komen afhalen. Nadien kwam ze nog sporadisch mee maar was het in feite* ***P.*** *alleen die de bestellingen kwam ophalen. Mijn leveringen aan de BVBA* ***M.****/****P.*** *zijn gestopt op 15/03/06 de dag dat ik het bezoek had gekregen van de heer* ***B. V.*** *van de BBI. Dan pas vernam ik dat* ***M.*** *een reeds jaren failliete vennootschap was en dat het mij door* ***N.*** *opgegeven BTW-nummer van die vennootschap niet meer actief was. Ofschoon* ***M.*** *een zeer belangrijke klant was van mij heb ik de relatie onmiddellijk afgebroken omdat ik met dergelijke BTW-praktijken vanwege* ***M.*** *niets wilde te maken hebben. Ik ontbood daarop* ***P.*** *naar mijn bureau. Ik deelde hem mee dat ik controle had gekregen van de BBI. Ik maakte mij boos, zei dat hij mij misleid had en dat ik, indien de BBI tegen mij zou reageren, ik door zijn schuld mijn zaak zou mogen sluiten. Bij die gelegenheid was* ***P.*** *alleen. Hij beweerde dat ik in deze aangelegenheid niets te vrezen had maar hij vreesde wel dat zijn vriendin* ***N.*** *in de zaak zou betrokken worden. Hij vroeg mij uitdrukkelijk om aan onderzoekers van de BBI niet te zeggen dat zijn vriendin* ***N.*** *hier ook talrijke keren geweest was om bestellingen te plaatsen en/of te komen afhalen. Daarop heb ik hem gezegd dat ik bij een eventueel verhoor de waarheid zou zeggen en niet zou verzwijgen dat* ***N.*** *hier een ruime periode alleen om de bestellingen gekomen is. (...). Ik overhandig u een uitprint van de coördinaten' van* ***M.*** *zoals opgeslagen in de elektronische klantenfiche. Ik herhaal dat de gegevens die ik daarop genoteerd heb, mondeling werden meegedeeld door* ***N.****."* (PV nr. …/kaft 11 - stuk 7 strafdossier);

\- in een eerste verhoor op 30 november 2007 ontkent de beklaagde **N. M.** nog dat ze ooit bij de bierhandel **O.** is geweest, wel geeft ze toe eenmaal bij de N.V. **I. A.** (**D. F.** te …) dranken te hebben afgehaald (noot Hof : deel van de tenlastelegging D.3) (PV nr. …/kaft 11 - stuk 6 strafdossier);

\- in een tweede verhoor op 30 november 2007 bekent de beklaagde **N. M.** uiteindelijk toch : *"Ik heb er thans over nagedacht en wens mijn verklaring die ik heden voormiddag aan u heb afgelegd te wijzigen terzake mijn bezoeken aan* ***B. F. O.****. Ik wens niet langer te ontkennen dat ik daar diverse keren alleen, zonder* ***P. B.*** *om vaten bier, bakken bier en frisdranken geweest ben. Het is juist dat ik vanaf augustus 2001 daar genoemde dranken ben gaan afhalen. Het was ik trouwens die aan* ***F. O.*** *de naam, BTW-nummer en adres van BVBA* ***M.*** *heb opgegeven waarop hij moest factureren. Dat was in samenspraak met* ***P. B.*** *die toen gehospitaliseerd was ten gevolge van een moto-ongeval hem begin augustus 2001 overkomen waarbij hij zijn voet en schouder gebroken had. Het is eveneens juist zoals* ***F.*** ***O.*** *u blijkt verklaard te hebben dat ik in de eerste maanden van de afhalingen steeds alleen was. (...). In de periode augustus-november 2001 toen* ***B.*** *nog niet volledig gerevalideerd, was, heb ik de bij* ***O.*** *aangekochte dranken met mijn bestelwagen geleverd aan diverse horeca zaken in de streek van …-…-…. Ik heb niet geleverd aan de … (…) en ook niet aan de … voorbij … richting …. Ik ontving in die periode het cashgeld van de horeca-uitbaters. Uiteraard nam ik daarop een winstmarge in samenspraak met* ***P.****. Ik durf mij moeilijk vastpinnen. op een vast cijfer qua winstpercentage. Ik schat dat ik zowat … EURO winst nam op een vat bier van 50 liter en … EURO per bak bier, Er was toen een zeer sterke concurrentie van andere personen die de horeca in het "zwart" bevoorraadden. Als u mij zegt dat volgens facturen door* ***O.*** *aan M. uitgereikt er ongeveer twee tot drie bevoorradingen per week waren, kan dat juist zijn. Ik heb geen facturen opgemaakt naar de horecazaken toe, al de leveringen die ik en* ***P.*** *deden waren zwarte verkopen waarvan ik ook geen melding maakte in mijn boekhouding. Dat kon ik immers niet doen want* ***M.*** *was de aankoper. U brengt mij mijn vroegere verklaring in herinnering waarin ik gezegd heb dat ik bij het einde van de bevoorrading bij* ***I.*** *te …, rond juli 2001 voor het eerst vernomen heb van de baas van dat depot dat* ***M.*** *failliet was en dat het BTW-nr. van die vennootschap niet meer correct of actief was. (...). Onze klanten bleven naar de GSM van* ***P.*** *bellen, uiteraard om te vragen naar de voortzetting van de leveringen die ze voordien van ons altijd in het zwart gekregen hadden.* ***P.*** *heeft me dan de raad gegeven, afhalingen van dranken te doen bij* ***O.****. Ik stond daar eerst weigerachtig tegenover omdat ik dacht dat* ***O.*** *onmiddellijk zou opmerken dat er iets fout was met het BTW-nr. Blijkbaar merkte hij dat niet op en konden wij ons vlot bevoorraden bij* ***O.*** *en even vlot als voordien een afzet vinden naar het reeds bestaande horeca-cliënteel.* *Ik wist dus dat de coördinaten van* ***M.*** *die ik aan* ***O.*** *gaf niet correct waren en dat alles wat daar aangekocht werd in het zwart zou geleverd worden aan de horeca**. (...). Ik moet toegeven dat tijdens het verhoor in september 2007 waarbij ik in uw kantoren verhoord werd en* ***P.*** *op datzelfde ogenblik ook verhoord werd in uw kantoren, we beiden op voorhand afgesproken hadden - vermoedende dat het over* ***O.*** *zou kunnen gaan - om eensgezind te vertellen dat ik maar één maal mee geweest was tot het drankendepot* ***O.****. Even eensgezind hadden wij op voorhand afgesproken dat we zouden volhouden dat er geen bevoorradingen hadden plaatsgevonden bij* ***O.****."* (PV nr. …/kaft 11 - stuk 8 strafdossier - eigen onderlijning door het Hof);

#### 1.3.2. De bestraffing

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de beklaagde **N. M.** de feiten, zoals omschreven onder de tenlasteleggingen A (A.1 en A.2), B (B.1, B.2 en B.3 zoals geherkwalificeerd), C (C.1 en C.2) en D pleegde met eenzelfde misdadig opzet, zodat overeenkomstig artikel 65 Swv. Slechts één straf werd opgelegd.

Het Hof is van oordeel dat in casu geen sprake kan zijn van enige overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 21ter Vt. Sv., artikel 6.1 E.V.R.M. of artikel 14 B.U.P.O.-verdrag. De gegevens van het uitgebreide strafdossier tonen aan dat terloops het gerechtelijk onderzoek, ondermeer rekening houdende met de omvang en de complexiteit van het onderzoek, de strafvervolging op ieder tijdstip op redelijke wijze werd benaarstigd. Ook de behandeling voor de eerste rechter kende geen enkele niet te verantwoorden vertraging.

De door de eerste rechter in hoofde van de beklaagd **N. M.** opgelegde bestraffing was naar het oordeel van het Hof volkomen wetmatig en gerechtvaardigd. Het Hof verwijst naar de pertinente motieven van de eerste rechter hieromtrent en neemt deze alhier over. De opgelegde bestraffing komt ook het Hof passend en afdoende voor om deze beklaagde te wijzen op de ernst van de door haar gepleegde feiten en om haar tot het besef te brengen dat haar crimineel en asociaal gedrag niet kan getolereerd worden.

Terecht werd door de eerste rechter aan de beklaagde **N. M.** uitstel van tenuitvoerlegging verleend voor wat de uitgesproken gevangenisstraf betreft. Deze beklaagde verkeert nog in de wettelijke voorwaarden daartoe en het Hof verhoopt dat dit uitstel haar ervan zal weerhouden om in de toekomst nieuwe misdrijven te plegen.

Het Hof is de overtuiging toegedaan dat de opgelegde bestraffing op die wijze, zowel vanuit algemeen als vanuit individueel repressief en preventief oogpunt, in hoofde van de beklaagde **N. M.** volkomen effect zal sorteren.

De oordeelkundige beslissingen van de eerste rechter met betrekking tot de vervangende gevangenisstraf, de solidariteitsbijdrage, de bijzondere vergoeding, de kosten en de overtuigingsstukken dienen in hoofde van de beklaagde **N. M.** eveneens te worden bevestigd.

## 2. OP BURGERLIJK GEBIED

De eerste rechter oordeelde terecht dat het in casu de burgerlijke partij De Belgische Staat aan belang ontbreekt om tegen de huidige beklaagden een (burgerlijke) vordering in te stellen voor schade die louter bestaat uit belastingen en toebehoren.

Zowel wat de personenbelasting als wat de BTW betreft stelt ook het Hof vast dat de Belgische Staat, voor wat dezelfde gevorderde bedragen betreft, reeds over een uitvoerbare titel tegen elk van de huidige beklaagden persoonlijk beschikt, dit ingevolge de reeds uitgevoerde inkohieringen en ambtshalve aanslagen waarvoor dwangbevelen werden verleend, die reeds aan de beide beklaagden werden betekend (cfr. kaft 19 - overtuigingsstukken door de burgerlijke partij neergelegd voor de eerste rechter op de zitting van 25 februari 2009).

Deze burgerlijke partij kan niet voor een tweede maal een uitvoerbare titel bekomen voor dezelfde schade. Het bestreden vonnis wordt ook op dit punt bevestigd.

### Beschikkend gedeelte

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF,** recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op de artikelen :

\- aangehaald door de eerste rechter en hoger in dit arrest aangegeven;

\- 190 en 211 van het wetboek van strafvordering;

\- 24 van de wet van·15 juni 1935;

al deze wetsbepalingen ter terechtzitting van heden door de Voorzitter aangeduid;

Ontvangt de hogere beroepen en erover beslissend;

## OP STRAFGEBIED

Herkwalificeert de tenlastelegging B als volgt :

> *"B. bij inbreuk op artikel 73 W.BTW onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de fiscale geldboeten, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen te hebben overtreden, meer bepaald door :*
>
> \- *bij inbreuk op artikel 53, 1°lid, 3° en 4° en artikel 53octies, § 1, 3°lid, W.BTW, zoals van kracht met ingang van 1.1.1993 (artikel 58 W 28.12.1992, BS 31.12.1992) te hebben nagelaten periodiek aangifte te doen van het bedrag der in dit wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt in het kader van zijn economische activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen en van de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te verzekeren en de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij artikel 53, 1° lid, 3° voorgeschreven aangifte;*
>
> *en vanaf 1 januari 2004* *:*
>
> \- *bij inbreuk op artikel 53, § 1, 1° lid, 2° en 3° en artikel 53octies, § 1, 3°lid W.BTW, zoals van kracht met ingang van 1.1.2004 (artikelen 7 en 9 wet 28.1.2004, BS 10.2.2004), te hebben nagelaten periodiek een aangifte in te dienen, waarin hij het bedrag vermeldt der in dit wetboek bedoelde handelingen, die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt in het kader van zijn economische activiteit; van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen en van de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Gemeenschap uitgevaardigde regelgeving inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te waarborgen en de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij artikel 53, § 1, 1° lid, 2° voorgeschreven aangifte, namelijk door de niet-aangifte van noch de aankopen, noch de verkopen van de aldus aangekochte dranken"*

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt **P. B.** en **N. M.** elk tot de helft van de kosten van hoger beroep, aan de zijde van het Openbaar Ministerie begroot op … euro.

## OP BURGERLIJK GEBIED

Bevestigt het bestreden vonnis.

Laat de kosten van hoger beroep, gevallen aan de zijde van burgerlijke partij De Belgische Staat, ten laste van deze procespartij.

Dit arrest is gewezen door de derde kamer van het Hof van beroep te Gent, samengesteld uit de magistraten die in deze zaak hebben gezeteld en geoordeeld :

**B. D.**, Kamervoorzitter

**M. M.**, Raadsheer;

**K. D.**, Raadsheer;

**K. D.** **M. M.** **B. D.**

en op de openbare terechtzitting van **ACHTENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN** uitgesproken door Kamervoorzitter **B. D.**,

in aanwezigheid van **E. V.**, Advocaat-generaal, met bijstand van **D. B.**, griffier.

**B. D.**, Kamervoorzitter;

**D. B.**, Griffier.

**D. B.** **B. D.**
