Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 11 februari 2009

Zoeken

Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-hasselt-2009-02-11-91b7

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
11 februari 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

72 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 11.02.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 07/1705/A

NV C & L I., met maatschappelijke zetel te …, …, met KBO nummer ….

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. B. J. loco mr. V. H., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 02.08.2007;

- de conclusies, tweede conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de conclusies van eiseres.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN

De NV C & L l. is ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van het verstrekken van managementdiensten en advies geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Op 19.01.2006 diende eiseres de periodieke aangifte m.b.t. de handelingen van het 4e kwartaal 2005 in waaruit de verschuldigbaarheid van 4.267,21 euro aan BTW blijkt (zie stuk 1, bundel verweerder).

Dit bedrag werd door eiseres niet binnen de in art. 53, 4° W.BTW bepaalde termijn betaald, zodat de rekening-courant van eiseres op 30.04.2006 op nul werd gezet.

Op 07.06.2006 werd bij toepassing van art. 8, § 1 van het KB nr. 24 van 29.12.1992, een bijzondere rekening opgesteld voor de periode van 31.01.2006 tot 30.04.2006 waarin de volgende bedragen gevorderd werden :

- 3.689,93 euro aan BTW;

- 385,00 euro geldboeten;

- 29,44 euro intresten;

- de wettelijke intresten over de rechten vanaf 21.05.2006 overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW

(zie stuk 2, bundel verweerder).

Op 02.08.2006 diende eiseres de periodieke aangifte m.b.t. de handelingen van het 2e kwartaal 2006 in waaruit de verschuldigbaarheid van 19.568,45 euro aan BTW blijkt (zie stuk 3, bundel verweerder).

Dit bedrag werd door eiseres niet binnen de in art. 53, 4° W.BTW bepaalde termijn betaald, zodat de rekening-courant van eiseres op 31.08.2006 op nul werd gezet.

Op 21.09.2006 werd bij toepassing van art. 8, § 1 van het KB nr. 24 van 29.12.1992, een bijzondere rekening opgesteld voor de periode van 31.05.2006 tot 31.08.2006 waarin de volgende bedragen gevorderd werden :

- 19.568,45 euro aan BTW;

- 1.950,00 euro geldboeten;

- 365,20 euro intresten;

- de wettelijke intresten over de rechten vanaf 21.09.2006 overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW

(zie stuk 4, bundel verweerder).

Bij brief van 02.02.2007 diende eiseres een verzoek in tot kwijtschelding van de opgelegde geldboeten (zie stuk 5, bundel verweerder).

Bij directorale beslissing van 22.06.2007 werd het verzoek afgewezen (zie stuk 6, bundel verweerder).

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 02.08.2007 stelde eiseres een vordering in rechte in.

II. BEOORDELING

1. 0ntvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

Eiseres betwist niet de desbetreffende BTW-schuld.

Eiseres streeft enkel de kwijtschelding van de opgelegde geldboete na.

Eiseres houdt voor dat zij de geldboete niet kan betalen wegens financiële problemen en is van oordeel dat men niet iemand kan beboeten omdat hij niet "kan" betalen.

Derhalve vraagt eiseres de rechtbank om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, te weten : "Schenden artikel 70 en 84 W.BTW het evenredigheidsbeginsel door te bepalen dat een boete verschuldigd is zelfs indien een belastingplichtige niet aan zijn verplichtingen KAN voldoen en hierbij volledig te goeder trouw is ?"

Eiseres bewijst evenwel geenszins dat zij de geldboete niet kan betalen. Zij overlegt hiertoe geen enkel stuk aan de rechtbank. De rechtbank bemerkt dan ook geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Verder kan de rechter met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde geldboete (zie E.H.R.M., 4 maart 2004, T.F.R., 2004, nr. 264, 636; Arbitragehof, 24 februari 1999 en 12 juni 2002, R.W., 1998-99, 1346).

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van art. 70 W.BTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter Staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie Cass. 21 januari 2005, R.W., 2005-2006, 1015).

De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de overtreding en in voorkomend geval de administratieve sancties verminderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen; als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelstellingen.

De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstellingen, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor van belang blijft. De beslissing kan wel op zorgvuldigheid (inclusief evenredigheid) worden getoetst, maar niet op loutere opportuniteit en billijkheid (bijv. verzachtende omstandigheden) (zie conclusie advocaat-generaal Thijs bij Cass., 21 januari 2005, R.W., 2005-2006, 1015).

De rechtbank stelt vast dat ingevolge de wettelijke bepalingen (meer bepaald tabel G, rubriek I, 2, A) van de bijlage bij het KB nr. 41 van 30.01.1987 de verschuldigde boete 10 % bedroeg, zijnde 2.335,00 euro.

De uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling kan evenwel niet tot gevolg hebben dat deze boete niet kan worden verminderd.

In casu dient te worden nagegaan of de opgelegde boete van 2.335,00 euro in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

Het staat vast dat de gevorderde administratieve boete verschuldigd is door het niet tijdig betalen van de verschuldigde BTW, hetgeen door eiseres niet betwist wordt, en dit ongeacht de goede trouw die eiseres inroept.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een vergaande onvoorzichtigheid van eiseres, sluit in de gegeven omstandigheden het opleggen van een geldboete~ van 2.335,00 euro, zijnde 10 %, aan bij de feiten.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt gevorderd een geldboete ten bedrage van 2.335,00 euro kwijt te schelden.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op 400,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 11.02.2009, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 24 art. 82 voorkomens