Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 1 maand- Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg te Hasselt04.04.2007
- Beslissing in beroepHof van beroep te Antwerpen13.05.2008
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 04.04.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
INZAKE AR nr. 05/0004/A
H. V. Z. NV, met zetel te …, …, gekend als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE … en ondernemingsnummer ….
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. V., advocaat te …, ….
tegen :
ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE en DOMEINEN, in de persoon van de heer e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Hasselt II, Thonissenlaan 20 te 3500 Hasselt.
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. F. R., advocaat te …, ….
Gelet op :
VOLGT HET VONNIS :
- het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 23.12.2004;
- de conclusie, antwoordconclusie, syntheseconclusie en stukken van verweerder;
- de conclusie, nieuwe conclusie en stukken van eiseres.
FEITEN EN VOORGAANDEN
Eiseres is ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van groothandel in horecaproducten geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTWwetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Ingevolge een gerechtelijk onderzoek was komen vast te staan dat eiseres goederen leverde aan professionele afnemers (horecazaken) zonder naleving van de facturatieplicht. De leveringen werden immers niet gefactureerd aan de horecazaken maar gefactureerd als verkopen aan de NV I. V. Z., zijnde een gelieerde vennootschap. De omvang van deze werkelijk gerealiseerde maar niet rechtmatig aangegeven verkopen door eiseres zijn in principe gelijk aan het bedrag dat de NV I. V. Z. voor deze handelingen als (fictieve) omzet heeft aangegeven. Door de NV I. V. Z. werd de BTW op de facturaties van fictieve leveringen van eiseres doorgestort aan de Schatkist.
Naar aanleiding van de vastgestelde inbreuken werd er op 12.11.2001 een proces-verbaal opgesteld door A. L. en J. N., e.a. verificateur en verificateur bij de BTW-administratie, ter beschikking gesteld van het AOIF, controlecentrum Hasselt-Beringen, waarbij gesteld werd dat de NV I. V. Z. de hierna volgende bedragen verschuldigd is :
- 227.223.316 BEF (5.632.718,87 euro) aan BTW;
- 454.446.632 BEF (11.265.437,74 euro) als geldboete, berekend aan 200 % overeenkomstig art. 70, § 1bis W.BTW;
- 942.512.000 BEF als geldboete overeenkomstig art. 70, § 2 W.BTW;
- de intresten op grond van art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.2001 over de som van 227.223.000 BEF (5.632.711,00 euro)
(zie stuk 5, bundel eiseres).
Door de raadsman van eiseres werd een minnelijke regeling nagestreefd gelet op de hoegrootheid van de BTW-vordering.
Bij brief van 09.01.2002 werd er door de raadsman van eiseres een globale minnelijke regeling voorgesteld. Er werd voorgesteld om de te verwerpen aftrek ten bedrage van 91.322.517 BEF (2.263.826,06 euro) te verminderen met de teruggaaf van de BTW, zijnde 94.801.470 BEF (2.350.067,08 euro) en het saldo te verhogen met de boete aan 10 % en de boete overeenkomstig art. 70°, § 1 W.BTW te beperken tot 9.400.000 BEF (233.019,91 euro) (zie stuk 4, bundel eiseres).
Bij brief van 08.02.2002 werd er door de raadsman van verweerder gesteld dat kon akkoord gegaan worden met de volgende minnelijke regeling :
1) het bedrag van de verworpen aftrek wordt herleid tot 91.322.517 BEF (2.263.826,06 euro);
2) over de som van de verworpen aftrek wordt de administratieve geldboete herleid tot 20 % van de verworpen aftrek, zijnde 18.200.000 BEF (451.166,22 euro);
3) het bedrag van de administratieve geldboete, verschuldigd overeenkomstig art. 70, § 1, 2° , wegens het afleveren van onjuiste facturen wordt verminderd tot 9.400.000 BEF (233.019,91 euro);
4) de bedragen voorzien onder 1) en 2) dienen te worden betaald door de NV I. V. Z.;
5) het bedrag voorzien onder 3) dient te worden betaald door eiseres;
6) de minnelijke regeling dient volledig uitgevoerd te zijn uiterlijk 05.03.2002.
Vervolgens werden er door eiseres en de NV I. V. Z. de hierna volgende verrichtingen in de BTW-aangiften uitgevoerd :
- de aftrek van BTW op de fictieve aankopen werd bij de NV I. V. Z. verworpen voor een bedrag van 91.322.517 BEF (2.263.826,06 euro);
- de NV I. V. Z. vorderde de afgedragen BTW terug op haar aangegeven fictieve kasverkopen. Door de NV I. V. Z. werd in haar periodieke BTW-aangifte betreffende de handelingen van de maand november 2001 een bedrag van 94.801.471 BEF (2.350.067,08 euro) in het rooster 62 opgenomen. Het betrof in feite een herziening van de te betalen BTW in de aangiften van de NV I. V. Z. ingevolge de voormelde fictieve verkopen,
- eiseres vorderde de afgedragen BTW op de fictieve verkopen aan de NV I. V. Z. terug. Hiertoe heeft zij in haar periodieke BTWaangifte betreffende de handelingen van de maand november 2001 een bedrag van 91.322.517 BEF (2.263.826,06 euro) opgenomen in het rooster 62 in haar BTW-aangifte.
Bij brief van 18.11.2004, in toepassing van art. 84ter W.BTW, stelde de administratie evenwel dat uit onderzoek van de dossiers van eiseres en de NV I. V. Z. was komen vast te staan dat :
- het met de administratie afgesloten akkoord een onrechtmatige vrijstelling van de belasting beoogde;
- belangrijke onregelmatigheden op het vlak van de doorgevoerde regularisaties met betrekking tot de periode lopende van 01.11.2001 tot 31.03.2002 werden uitgevoerd.
De administratie motiveerde dat "het akkoord, houdende een schending van de grondwettelijke bepalingen inzake het belastingrecht, niet het voorwerp uitmakende van een formeel geschrift waaruit de wil der partijen onbetwistbaar blijkt, en resulteerde in een klaarblijkelijke kwijtschelding van belastingen geheven voor een periode waarvoor de zaakvoerder van betrokken vennootschappen daarentegen correctioneel werd veroordeeld, wordt door de administratie aangemerkt als zijnde afgesloten met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden".
Derhalve zal de verjaringstermijn van 5 jaar, zoals voorzien in art. 81bis, § 1, tweede lid W.BTW toegepast. (zie stuk 6, bundel eiseres).
Uit een proces-verbaal van 25.11.2004, opgesteld door L. S., auditeurgeneraal van Financiën bij de dienst II van de centrale diensten van de AOIF en E. S., directeur van de directie II/3 van de centrale diensten van de AOIF blijkt dat ingevolge het gevoerde BTW controleonderzoek bij eiseres werd vastgesteld dat :
- de NV I. V. Z. (BTW-nummer …) in haar periodieke BTW-aangifte betreffende de handelingen van de maand november 2001 een bedrag van 94.801.471 BEF (2.350.067,08 euro) in het rooster 62 (herziening in het voordeel van de belastingplichtige) heeft uitgevoerd;
- dat eiseres betreffende de handelingen van de maand november 2001 een bedrag van 91.322.517 BEF (2.263.826,06 euro) in het rooster 62 (herziening in het voordeel van de belastingplichtige) heeft uitgevoerd;
- dat eiseres in haar periodieke BTW-aangifte betreffende de handelingen van de maand maart 2002 een bedrag van 91.322.517 BEF (2.263.826,06 euro) in het rooster 61 (herziening in het voordeel van de Schatkist) heeft uitgevoerd;
- dat eiseres, ingevolge de met betrekking tot in de periode van 01.11.2001 tot 31.03.2002 vastgestelde inbreuken schuldenaar is aan de Belgische Staat, administratie van de BTW, registratie en domeinen van :
* de som van 86.241,02 euro als BTW;
* de som van 172.480,00 euro als wettelijke proportionele boete aan 200 % overeenkomstig de bepalingen van art. 70, § 1 en/of art. 71 W.BTW;
* de wettelijke intresten van 0,8 % per maand vanaf 21.12.2001 overeenkomstig de bepalingen van art. 91, § 1 W.BTW.
De NV I. V. Z. vorderde een bedrag van 94.801.471 BEF (2.350.067,08 euro) terug, als zijnde ten onrechte afgedragen BTW op fictieve verkopen. Eiseres factureerde evenwel aan de NV I. V. Z. slechts 91.322.517 BEF (2.263.826,06 euro), zodat er een bedrag van 3.478.954 BEF (86.241,02 euro) verschil was. Dit bedrag is in hoofde van eiseres de verschuldigde BTW over de niet aangegeven omzet in de periode waarop de regularisatie sloeg en die door het minnelijk akkoord op onwettige wijze werd aangemerkt als zijnde niet langer verschuldigd.
Op 15.12.2004 werd er tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 25.11.2004. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16.12.2006.
In dit dwangbevel werden de voormelde bedragen gevorderd alsook de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW, alsook de vervolgingskosten (zie stuk 5, bundel verweerder).
Bij aangetekende brief van 17.12.2004 werd eiseres in kennis gesteld van het dwangbevel (zie stuk 6, bundel verweerder)
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 13.05.2004, stelde eiseres fiscaal beroep in en vorderde het dwangbevel van 15.12.2004 nietig te verklaren, de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van voormeld dwangbevel werden geïnd.
BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1. Aangaande het akkoord
Eiseres stelt vooreerst dat de administratie het in 2002 overeengekomen akkoord miskent, hetgeen een schending inhoudt van de beginselen van behoorlijk bestuur, en meer bepaald van het vertrouwensbeginsel.
Verweerder houdt voor dat voormeld akkoord een onwettig akkoord is, hetgeen strijdig is met legaliteitsbeginsel inzake BTW.
De rechtbank stelt vast dat het voorliggende akkoord ertoe leidde dat op een deel van de gerealiseerde omzet aan de eindverbruiker geen BTW werd afgedragen nl. ten bedrage van 3.478.954 BEF (86.241,02 euro).
De akkoorden die afgesloten worden met belastingplichtigen mogen geen vrijstelling of vermindering van belastingen met zich meebrengen.
Het voorliggend akkoord is in strijd met de wettelijke bepalingen, te weten art. 2, 26, 51 en 53 W.BTW, en is zodoende niet bindend voor de administratie (zie Antwerpen, 24.06.1991, Bull. Bel., 722, 3396).
Het is zonder meer duidelijk dat de beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel van toepassing zijn in fiscale zaken. Het rechtszekerheidsbeginsel is evenwel geen onbeperkt recht. In functie van de concrete omstandigheden dient een afweging plaats te vinden tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. In huidig geschil verdient het legaliteitsbeginsel voorrang omdat er in hoofde van de belastingplichtige geen gerechtvaardigde verwachtingen werden gecreëerd gelet op de uitdrukkelijke wetsbepalingen die de belastingplichtige geacht wordt te kennen en die het sluiten van voornoemd akkoord uitsluiten.
Het Hof van Cassatie kwam in zijn arrest van 03.11.2000 tot dezelfde conclusie. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het legaliteitsbeginsel primeert op het rechtszekerheidsbeginsel omdat er in hoofde van de belastingplichtige die geacht wordt de wet te kennen geen gerechtvaardigde verwachtingen werden gecreëerd naar aanleiding van het sluiten van een dergelijk onwettig akkoord (zie Cass., 03.11.2000, F.J.F., nr. 2001/1, p. 1; T.F.R., nr. 195).
2.2. Aangaande de verjaring en de toepassing van art. 84ter W.BTW
Eiseres houdt voor dat de vordering van de fiscus verjaard is voor de handelingen gesteld voor december 1999. Nu evenwel niet kan bepaald worden in welke mate de gevorderde BTW ten bedrage van 3.478.954 BEF (86.241,02 euro) betrekking heeft op verrichtingen van na december 1999, moet er aanvaard worden dat de volledige vordering van de Belgische Staat verjaard is. Eiseres beroept zich op het oude artikel 81, eerste lid W.BTW dat stelt dat de vordering tot voldoening van de BTW, de intresten en de administratieve geldboeten verjaart door verloop van 5 jaar. Tevens stelt eiseres dat niet aan de voorwaarden van art. 84ter W.BTW is voldaan.
De rechtbank stelt evenwel vast dat de vordering tot betaling van de BTW door de administratie betrekking heeft op handelingen gesteld in de periode van 01.11.2001 tot 31.03.2002, met name de regularisaties doorgevoerd door eiseres in haar BTW-aangiften.
Ten onrechte beroept eiseres zich dan ook op de toepassing van het oude artikel 81bis, § 1 W.BTW nu de overgangsbepalingen opgenomen in het zevende lid van art. 97 van de wet van 15 maart 1999 (BS 27 maart 1999) uitdrukkelijk stellen dat de artikelen 81 en 82 van het W.BTW, zoals zij bestonden alvorens respectievelijk gewijzigd door de artikelen 52 en 54 van deze wet, slechts van toepassing blijven op vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting, van de intresten en de administratieve boeten die zijn ontstaan voor 1 januari 1999.
Krachtens het nieuwe artikel 81bis, § 1 W.BTW is er verjaring voor de vorderingen tot voldoening van de belastingen, van de intresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
In afwijking van de algemene verjaringstermijn is er evenwel verjaring na verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden (art. 81bis, § 1, tweede lid W.BTW).
Indien de administratie het voornemen heeft om de verjaringstermijn bepaald in art. 81bis, § 1, tweede lid W.BTW toe te passen, moet ze, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode (zie art. 84ter W.BTW).
Terecht stelt verweerder dat de brief van 18.11.2004, gestuurd in toepassing van art. 84ter W.BTW noch voorafgaandelijk ter kennis werd gebracht, noch de vermoedens van belastingontduiking die tegen eiseres zouden ontstaan in de desbetreffende periode nauwkeurig heeft omschreven.
De administratie kan dan ook geen beroep doen op art. 81bis, § 1, tweede lid, W.BTW.
Evenwel stipuleert art. 81bis, § 1, derde lid W.BTW dat in afwijking van het eerste en tweede lid van dat artikel, er verjaring is na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer onder meer een rechtsvordering aantoont dat in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn.
Het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 28.11.2001 voldoet hieraan, zodat de administratie terecht gebruik heeft gemaakt van deze termijn.
De toepassing van art. 81bis, § 1, derde lid W.BTW vereist niet dat de administratie voorafgaandelijk bepaalde formaliteiten vervuld.
De vordering van de administratie is dan ook niet verjaard.
2.3 Aangaande de gevorderde intresten
Krachtens art. 91, § 1 W.BTW is een interest van 0,8 % per maand van rechtswege verschuldigd wanneer een belasting niet is voldaan :
- binnen de termijn die ter uitvoering van art. 52, 53, eerste lid, 4°, 53ter, 2° en 53octies W.BTW is vastgesteld;
- binnen de termijn ter uitvoering van artikel 53nonies W.BTW is vastgesteld;
- binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 54 W.BTW is gesteld voor de belastingplichtigen bedoeld in artikel 8 van dit wetboek.
In de aangifte ingediend door eiseres in november 2001 werd een bedrag van 91.322.517 BEF (2.263.826,06 euro) opgenomen in rooster 62 (herziening in het voordeel van de belastingplichtige). Deze regularisatie was niet terecht nu de omzet, verkopen of leveringen gerealiseerd in hoofde van eiseres niet fictief waren, doch foutief niet gefactureerd werden aan de werkelijke afnemers.
In de aangifte van maart 2002 werd voor hetzelfde bedrag een herziening in het voordeel van de Staat uitgevoerd. Eiseres is derhalve overgegaan tot vrijwillige rechtzetting.
De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.
2.4. Met betrekking tot de opgelegde geldboete
In het proces-verbaal van 25.11.2004 werd een boete opgelegd van 200 % op grond van art. 70, § 1 W.BTW dat bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.
De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde boete (zie E.H.R.M., 4 maart 2004, T.F.R., 2004, nr. 264, 636; Arbitragehof, 24 februari 1999, R.W., 1998-99, 1346; Arbitragehof 12 juni 2002).
Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter de rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering of kwijtschelding d.w.z. de boete aan te passen aan de concrete omstandigheden van de zaak. De belastingplichtige moet de opgelegde sanctie kunnen laten controleren door een rechterlijke instantie. De rechter mag weliswaar geen loutere redenen van opportuniteit of billijkheid laten gelden om de belastingplichtige te bevrijden van wettelijk opgelegde verplichtingen (zie Cass., 502, 1999, T.F.R., 1999, nr. 99/44, tweede middel).
Eén en ander impliceert dat de uiteindelijk verschuldigde boete in verhouding moet staan met de concrete gegevens van de zaak.
De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, zoals deze blijken uit het proces-verbaal van 25.11.2004 en uit de onderhandelingen van partijen, het opleggen van een geldboete van 20 % verantwoord is en bij de feiten aansluit.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de opgelegde boete dient herleid te worden.
De vordering van eiseres is wat dit onderdeel betreft gedeeltelijk gegrond.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN :
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 15.12.2004, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur a.i. van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 16.12.2006, ontvankelijk en in de hierna vermelde mate gegrond;
Herleidt de in het dwangbevel van 15.12.2004 gevorderde boete tot 20 % van de verschuldigde belasting.
Wijst eiseres voor het overige af.
Veroordeelt iedere partij tot ½ van de kosten en begroot deze kosten in hun geheel als volgt :
- in hoofde van eiseres op 182,20 euro rechtsplegingsvergoeding.
- in hoofde van verweerder op 182,20 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 04.04.2007 alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en,
De Heer Ph. N., griffier.
Ph. N. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.