---
title: "1 juni 2011 · Voldoening van de belasting, strafbepaling · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen"
description: "Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding. Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 1 juni 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-antwerpen-2011-06-01-2f18"
lang: "nl"
---

# Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

1 juni 2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

75 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 01.06.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op één juni tweeduizend en elf in openbare zitting van de 4 F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden:**

**P. W.**, enig rechter,

**N. D.**, griffier.

In zake : AR nr. **10/1639/A**

**H. NV**, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer 0454.272.279, met maatschappelijke zetel gevestigd te 2460 Kasterlee, Houtum 39.

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **A. M.** loco meester **V. D.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen :

**A.** Gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3600 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40,

**B.** eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

---

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 8 maart 2010,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek op 12 april 2010,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11 mei 2011.

---

De vordering strekt ertoe de directorale beslissing van 22 januari 2010 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren, dienvolgens de BTW-boete van 10 % ten bedrage van 6.460,00 EUR kwijt te schelden, minstens substantieel te verminderen, verweerder te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van alle ten onrechte ingehouden en/of door eiseres betaalde bedragen, vermeerderd met moratoire intresten in toepassing van artikel 91 W.BTW en de kosten van het geding.

## Beoordeling

## Betreffende de motivering van de boete van 10 %

Volgens eiseres werd de opgelegde geldboete van 10 % niet voldoende gemotiveerd.

De motiveringsverplichting heeft tot doel de belastingplichtige alle informatie te verschaffen die hij nodig heeft om te kunnen beoordelen of het zin heeft zich te verweren tegen de opgelegde boete en hem in staat te stellen met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst de opgelegde boete aan te vechten.

Bijgevolg heeft de wet tot doel te vermijden dat de belastingplichtige een procedure moet inspannen teneinde de motieven te vernemen voor de opgelegde geldboete.

Voor de geldigheid van de geldboete volstaat het dat de aangesproken belastingplichtige zonder misverstand ingelicht zou zijn over de geldboete en over de motivering van deze geldboete.

Een geldboete is aldus voldoende gemotiveerd indien het de belastingplichtige toelaat de motieven te onderzoeken die door de administratie worden ingeroepen om deze geldboete toe te passen.

Bij aangetekende standaardbrief van 7 juli 2009 werd eiseres in kennis gesteld dat één of meerdere van de hieronder vermelde toestanden van toepassing waren, namelijk :

\- één of meerdere aangiften die zij had moeten indienen ontbraken;

\- de door haar verschuldigde bedragen niet tijdig werden voldaan.

In deze brief werd verder gesteld dat op het einde van die maand zou worden overgegaan tot het opstellen van een bijzondere regularisatierekening en dat eiseres dit kon voorkomen door uiterlijk op de 23 ste van die maand alle ontbrekende aangiften in te dienen en/of alle nog verschuldigde bedragen te betalen; eiseres werd er uitdrukkelijk op gewezen dat het van grootste belang was een bijzondere regularisatierekening te vermijden gezien dit aanleiding gaf tot een aanzienlijke verhoging van de opgelopen geldboeten.

Niettegenstaande dit een standaardbrief is en bovenaan niet werd vermeld welke specifieke toestand van toepassing was op eiseres, werd dit onderaan wel duidelijk vermeld waarbij uitdrukkelijk werd aangeduid dat er geen ontbrekende aangifte is, doch wel een nog verschuldigd saldo aan BTW ten bedrage van 61.780,36 EUR dat niet tijdig werd voldaan.

Bij gebrek aan betaling van dit nog verschuldigd bedrag werd eiseres bij aangetekende standaardbrief van 12 augustus 2009 verwittigd dat binnenkort een bijzondere rekening werd opgemaakt waarbij opnieuw onderaan uitdrukkelijk werd aangeduid dat er geen ontbrekende aangifte is, doch wel een nog verschuldigd saldo aan BTW dat inmiddels was opgelopen tot 66.024,07 EUR dat niet tijdig werd voldaan.

Bij aangetekende brief van 10 september 2009 werd eiseres dan kennisgegeven van de bijzondere rekening waarin de verschuldigde BTW en de opgelegde boete uitdrukkelijk werd vermeld.

Uit de kennisgeving van de bijzondere rekening en uit de voorafgaande correspondentie blijkt ontegensprekelijk dat eiseres kennis had van de redenen die de administratie ertoe hebben aangezet om tegen haar een geldboete van 10 % op te leggen en zij kon hieruit onomstotelijk afleiden waarom deze geldboete werd toegepast, namelijk de niet-tijdige betaling van de BTW, zodat haar dan ook een inzicht werd verschaft in de motieven van de geldboete en zij dan ook terdege kon oordelen of het zin had zich hiertegen te verzetten.

De voorafgaande correspondentie en de verwijzing naar artikel 1, 1° en punt I, 2, A van de eerste afdeling van tabel G, gevoegd bij het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 W.BTW, in de bijzondere rekening geeft zeer duidelijk op dat deze geldboete van 10 % werd opgelegd wegens het feit dat eiseres de verschuldigde BTW niet tijdig had betaald, waarvan de opeisbaarheid bleek uit deze bijzondere rekening.

Het staat ontegensprekelijk vast dat de voorafgaande correspondentie en de kennisgeving van de bijzondere rekening eiseres hebben toegelaten de motieven te onderzoeken die door de administratie werden ingeroepen om deze geldboete van 10 % toe te passen.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat uit de kennisgeving van de bijzondere rekening duidelijk blijkt dat deze werd opgemaakt voor het tijdvak van 30 april 2009 tot 31 juli 2009 en dat eiseres aldus de door haar als verschuldigd aangegeven BTW voor de maanden maart 2009 tot en met juni 2009 niet binnen de in artikel 53, § 1, 3° W.BTW bepaalde termijn volledig had betaald.

De geldboete van 10 % is voldoende gemotiveerd overeenkomstig artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986.

Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 legt aan de administratie geen minder strenge verplichtingen op dan die bepaald in de wet van 29 juli 1991 zodat krachtens artikel 6 die wet niet van toepassing is en bijgevolg niet werd geschonden (vergelijk Cass. 2 februari 2001, F.J.F. 2001/184 en Cass. 10 november 2000, F.J.F. 2001/4).

## Betreffende de afwezigheid van voorafgaand bericht vanwege de hoofdcontroleur

Er is geen enkele wettelijke bepaling die de administratie de verplichting oplegt een boete vóór het opleggen ervan ter kennis te brengen aan de belastingplichtige (vergelijk [Cass. 17 november 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-onderzoek-andere-fiscale-administratie-cassatie-brussel-2005-11-17-6b42), F.J.F. 2006/104).

Niettegenstaande in tabel G, eerste afdeling,I,2,A van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW wordt bepaald dat de BTW-hoofdcontroleur een bericht stuurt omtrent de boete, maakt dit de boete geenszins nietig wanneer dit bericht niet door de BTW­ hoofdcontroleur, doch wel door de eerstaanwezend inspecteur, zou verstuurd zijn; er is immers geen enkele wettelijke bepaling die voorschrijft dat dit bericht, op straffe van nietigheid, door de BTW-hoofdcontroleur dient verstuurd te worden.

Anderzijds werd dit bericht ongetwijfeld verzonden door de aangetekende brief van 10 september 2009 waarbij eiseres kennis werd gegeven van de bijzondere rekening waarin de verschuldigde BTW en de opgelegde boete uitdrukkelijk werd vermeld.

## Betreffende de schending van het evenredigheidsbeginsel

De geldboete van 10 % is wettelijk en de rechtbank is van oordeel dat deze geldboete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten, te meer nu eiseres reeds voor de maanden maart 2009 tot en met juni 2009 de door haar als verschuldigd aangegeven BTW niet binnen de in artikel 53, § 1, 3° W.BTW bepaalde termijn volledig had betaald.

De inbreuken werden dan ook gepleegd lang vóór de administratie de aangetekende brieven van 7 juli 2009 en 12 augustus 2009 verzond.

Bovendien werd eiseres er in de aangetekende brief van 7 juli 2009 uitdrukkelijk op gewezen dat zij een bijzondere regularisatierekening slechts kon voorkomen door uiterlijk op de 23 ste van die maand alle nog verschuldigde bedragen te betalen en dat het van grootste belang was een bijzondere regularisatierekening te vermijden gezien dit aanleiding gaf tot een aanzienlijke verhoging van de opgelopen geldboeten, doch eiseres heeft hieraan niet het minste gevolg gegeven niettegenstaande deze bedragen reeds lang vóór deze brief van 7 juli 2009 verschuldigd waren.

## Betreffende de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur

Volgens eiseres werden de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden doordat zij na haar verzoekschriften tot kwijtschelding van de boete - geen inzage zou gekregen hebben van het administratief dossier en niet zou gehoord zijn alvorens deze verzoeken werden afgewezen bij directorale beslissing van 22 januari 2010.

In de huidige fiscale procedure wordt de opgelegde boete aan het oordeel van de rechtbank onderworpen en niet meer de directorale beslissing.

De eventuele nietigheid van de directorale beslissing heeft geen invloed op de rechtsgeldigheid van de opgelegde boete.

Weliswaar kan de belastingplichtige belang hebben bij de vernietiging van de directorale beslissing, doch te dezen heeft eiseres geenszins aangetoond enig belang te hebben bij de vernietiging van de directorale beslissing.

Bij gebreke aan belang is de vordering tot vernietiging van de directorale beslissing, krachtens artikel 17 Ger. W., dan ook ontoelaatbaar.

## Betreffende de rechtsplegingsvergoeding

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, zijn beide partijen in hun conclusies akkoord met een bedrag van 900,00 EUR, waarvan de rechtbank akte kan verlenen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering tot vernietiging van de directorale beslissing ontoelaatbaar en verklaart de vordering voor het overige toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op en door de rechtbank vereffend op 900,00 EUR rechtplegingsvergoeding.

**N. D.** **P. W.**

"Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest, dit vonnis, deze beschikking, dit bevel of deze akte ten "uitvoer zullen leggen;

Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat "alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit arrest, dit vonnis, deze beschikking, dit bevel of deze akte is ondertekend en gezegeld met het zegel van het hof, de rechtbank of de notaris."

Voor eensluidende eerste grosse

afgeleverd aan : verwerende partij

ten verzoeke van : Mr. **A. v. L. d. J.**, advocaat

De griffier,

**A. L.**
