---
title: "28 september 2000 · Voldoening van de belasting, strafbepaling · Hof van beroep te Gent"
description: "Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding. Hof van beroep te Gent (België), 28 september 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-strafbepaling-administratieve-geldboete-hof-van-beroep-gent-2000-09-28-1872"
lang: "nl"
---

# Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

28 september 2000

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

105 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep van Gent d.d. 28.09.2000

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent – 11****e** **Kamer – Buitengewone terechtzitting van 28-09-2000**

**B. R.**, zaakvoerder, wonende te …, …,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **G. K.** loco Mr. **D. P.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 14 te 1000 BRUSSEL, op vervolging en benaarstiging van :

1 de BTW-Ontvanger, 1 e Ontvangkantoor Kortrijk, Beverlaai 14, thans Hoveniersstraat 31, 8500 KORTRIJK,

2\. de Hoofdcontroleur der BTW, 2 e BTW-controle Kortrijk, Hoveniersstraat 31, 8500 KORTRIJK,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. **T'K. P.** loco Mr. **D. C.**, advocaat te …, …,

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 21 februari 1997 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 10 juni 1996 door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer, waarbij het door de appellant ingestelde verzet tegen een op 19 februari 1990 door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk I uitgevaardigd dwangbevel, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19 februari 1990 door **M. D. B.** en ter kennis gebracht op 19 februari 1990 ongegrond werd verklaard. Tevens werd de appellant veroordeeld in de gedingkosten en werd het bestreden vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw wijzende de oorspronkelijke vordering van de appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat de kennisgeving en betekening van het dwangbevel nietig zijn, zodat het dwangbevel geen verdere uitvoering mag kennen en dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de gedingkosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen voor beide aanleggen en bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk rechtsmiddel en zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van kantonnement.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de appellant in de kosten van het geding.

## Feitelijke gegevens

Op 1 april 1979 werd de PVBA Vishandel **M.** opgericht. Nietternin behield de appellant zijn eenmanszaak en ook zijn BTW-nummer. Naar aanleiding van een controle op 17 oktober 1988 uitgeoefend over de jaren 1984 tot en met 1987 stelde de controlerende ambtenaar vast dat de appellant werken in onroerende staat aan het door hem verhuurde gebouw aan de PVBA Vishandel **M.** had laten verrichten, waarvoor de appellant de facturen had ontvangen doch waarop de BTW niet in rekening erd gebracht omdat bij toepassing van artikel 17bis van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 de appellant als opdrachtgever de verplichting op zich nam de verschuldigde BTW op te nemen in zijn aangiften.

Vermits de appellant deze BTW niet aangaf, noch betaalde, terwijl bovendien deze BTW niet aftrekbaar was in hoofde van de appellant werd een regularisatieopgave opgemaakt. Tevens werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard en aan de appellant ter kennis gebracht.

Naar aanleiding van een akte hypotheekvestiging stelde de notaris de ontvanger daarvan in kennis naar aanleiding waarvan de ontvanger op 16 mei 1990 een bedrag ontving van … Fr., meer BTW en intrest. Daar dit slechts een gedeeltelijke betaling betrof werd het dwangbevel betekend met het oog op de tenuitvoerlegging ervan. Het is tegen dit dwangbevel dat door de appellant verzet werd aangetekend.

Voor de eerste rechter betwistte de appellant de bevoegdheid van de BTW-Ontvanger te Kortrijk om het dwangschrift ter gelegenheid van de kennisgeving voor eensluidend te verklaren, het feit dat het betekend afschrift van het dwangbevel niet voor gelijkluidend werd verklaard, het bewijs van de delegatie door de Gewestelijke Directeur om een dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren en het feit dat een uitvoerbaarheid clausule niet in het dwangbevel werd geschrapt.

Voorts voerde de appellant aan dat een dwangbevel werd uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard zonder dat vaststond dat er niet zou worden betaald. Ten gronde betoogde de appellant dat art. 17bis van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 dat de verlegging van de heffing inhoudt niet toepasselijk is zodat onderhavige BTW-schuld niet door de appellant moest worden betaald.

Ondergeschikt werd aangevoerd dat de BVBA Vishandel de eindverbruiker is die wel de voorbelasting in rekening kan brengen hetgeen volgens de appellant aantoonde dat niet hij moest worden belast.

Uiteindelijk betwistte de appellant de opgelegde boeten zowel wat de hoegrootheid betreft, de motivering ervan als wat de strijdigheid ervan aangaat met art. 6 EVRM.

De eerste rechter wees alle aangevoerde grieven af en wees het verzet af als ongegrond. In hoger beroep herhaalt de appellant zijn voor de eerste rechter uiteengezette grieven.

## Nopens de aangevoerde excepties

1\. Nopens de bevoegdheid van de Ontvanger om het dwangbevel voor eensluidend te verklaren.

Door de appellant werd opgeworpen dat de Ontvanger niet gerechtigd is een afschrift van het dwangbevel voor eensluidend te verklaren. Hij wijst erop dat de kennisgeving van het dwangbevel “met authenticiteit” moet gebeuren en dat enkel de gewestelijke directeur of de gedelegeerde controleur de bevoegdheid heeft om een eensluidend afschrift van het dwangbevel af te leveren.

Het dwangbevel is een buitengerechtelijke akte die door de administratieve overheid werd uitgevaardigd en bestemd is om als uitvoerbare titel te dienen ter invordering van de belastingschuld.

Art. 85 BTW-Wet bepaalt dat bij gebrek aan voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren een dwangbevel wordt uitgevaardigd door de met de invordering belaste ambtenaar dat wordt geviseerd en. uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur.

Andere specifieke vormvereisten worden door de BTW-Wetgeving niet gesteld. Door de appellant wordt niet betwist dat deze vormvereisten werden nageleefd en dat het originele dwangbevel authentiek is en bewijswaarde heeft. De appellant meent alleen dat de Ontvanger niet de bevoegdheid had dit dwangbevel voor eensluidend te verklaren waardoor dit dwangbevel zijn authenticiteit zou hebben verloren.

Geen enkele wettelijke bepaling verhindert dat de BTW-Ontvanger zijnde de met de invordering belaste ambtenaar het afschrift van het dwangbevel voor eensluidend verklaart. Evenmin is er enige wettelijke bepaling die dit verhindert aan de gewestelijke directeur,·doch evenzeer is er geen dwingende bepaling die dit aan de gewestelijke directeur oplegt.

Derhalve dient aangenomen dat de Ontvanger van de BTW de bevoegdheid heeft het dwangbevel voor eensluidend te verklaren. Deze voor eensluidende verklaring gebeurt in de uitoefening van zijn taak en geldt als volledig bewijs van conformiteit zolang dit stuk niet van valsheid wordt beticht.

Overigens dient de Ontvanger als bewaarder van het origineel dwangbevel te worden aangemerkt zodat hij ook gerechtigd is daarvan een afschrift t verlenen.

2\. Nopens de betekening van het afschrift van het dwangbevel en de kennisgeving van 16 februari 1990.

Door de appellant wordt verder betoogd dat het meebetekend dwangbevel bij de betekening op 26 september 1990, niet voor eensluidend werd verklaard. Uit het door de appellant overgelegde origineel blijkt dat het afschrift van het dwangbevel en het proces-verbaal werden mede betekend “voor gelijkvormige fotokopij". Deze stukken maken één geheel uit. De conformiteit tussen het afschrift en het origineel werd aldus door de gerechtsdeurwaarder gewaarborgd. Overigens stelt de appellant zelf dat de gerechtsdeurwaarder bij wet bevoegd is om met authenticiteit vast te stellen dat het afschrift dat hij afgeeft aan de belastingschuldige volledig overeenstemt met het origineel dwangbevel. Bovendien vermelden de betekende afschriften de naam van de opsteller van het dwangbevel en van de directeur die het uitvoerbaar verklaarde. Derhalve kan geenszins tot de nietigheid van de betekening en van het dwangbevel worden besloten. Overigens is de verwijzing naar art. 13, lid 3 W. 25 Ventôse Jaar XI niet dienend.

Door de appellant wordt ook aangevoerd dat het proces-verbaal niet voor eensluidend werd verklaard.

Uit zijn eigen stuk 6, zijnde het dwangbevel met kennisgeving, blijkt echter dat dit stuk wel voor echt werd verklaard. De grief van de appellant moet derhalve als ongegrond worden afgewezen.

3\. Nopens het bewijs van de delegatie door de Gewestelijke Directeur voor de hoofdcontroleur van de BTW.

Uit de brief van 2 mei 1988 uitgaande van de Gewestelijke Directeur blijkt op afdoende wijze dat M. **D. B.** als hoofdcontroleur van de BTW gemachtigd werd het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren. Geen wettelijke bepaling verplicht de publicatie van de delegatie in het Belgisch Staatsblad zodat geen nietigheid kan worden uitgesproken zonder uitdrukkelijke tekst.

Uit de stukken is op afdoende wijze gebleken dat het nummer 31 aangebracht op de “machtiging" correspondeert met het volgnummer van inschrijving in de inventaris van de uitgereikte mahtigingen (stuk 36).

Iedere twijfel omtrent de gegeven machtiging is derhalve uitgesloten.

4\. Nopens de niet geschrapte uitvoerbaarheid clausule.

Door de appellant wordt opgeworpen dat de tweede formule van “visering en uitvoerbaar verklaring" niet werd doorgehaald.

Terecht wijst de geïntimeerde op een overdreven formalisme van de appellant. De visering en uitvoerbaarverklaring door de hoofdcontroleur gedelegeerd door de Gewestelijke directeur sluit uiteraard de visering en uitvoerbaarverklaring door de Gewestelijke Directeur zelf uit.

5\. Nopens de subsidiaire opmerkingen :

5.1. Het voorbarig dwangbevel.

Niettegenstaande de appellant had aangekondigd te betalen bij brief van 30 augustus 1989 gebeurde op de dag van de kennisgeving van het dwangbevel geen enkele betaling, zelfs niet onder voorbehoud.

Indien de belangen van de Schatkist het vereisen laat de BTW-Wet toe te handelen zoals bepaald in de artikelen 93quater en 93quinquies.

Overigens had de appellant aangekondigd na betaling onder voorbehoud de vordering te zullen betwisten voor de rechtbank hetgeen iedere overeenkomst in de zln van art. 84 W.BTW uitsloot. In de gegeven omstandigheden kan bezwaarlijk het beginsel van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Niets verzette er zich derhalve tegen dat tot kennisgeving van het dwangbevel werd overgegaan.

5.2. De betekening per 26 september 1990.

De appellant voert aan dat niettegenstaande reeds een belangrijke betaling gebeurd was het betekeningsexploot geen rekening hield met de reeds betaalde bedragen.

Dienaangaande stelt de geïntimeerde terecht dat het betekeningsexploot uitdrukkelijk voorbehoud maakte voor alle wettelijk bewezen betalingen die in aftrek konden worden gebracht. De uitvoeringsmaatregelen hebben derhalve enkel betrekking op de nog verschuldigde resterende bedragen.

5.3. De inhouding van 20 december 1996

Deze gebeurde n.a.v. het bestreden vonnis dat door de eerste rechter uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard. Daar dit een uitvoeringsgeschil betreft is het Hof daaromtrent niet gevat.

Ten gronde :

Het wordt niet betwist dat de betwiste facturen betrekking hebben op werken in onroerende staat aan de eigendom van de appellant die hij verhuurt aan de PVBA Vishandel **M.**.

Ingevolge art. 50, § 1 Wet BTW moet de aannemer een factuur uitreiken voor de door hem verrichte leveringen van goederen en moet hij overeenkomstig art. 50, § 1, 4° Wet BTW de verschuldigd geworden belasting voldoen binnen de termijn van indiening van zijn aangifte.

Art. 17bis K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 heeft deze heffing verlegd naar de eindverbruiker voor zover deze zelf een belastingplichtige is.

Art. 17 bis bepaalt :

> *"§ 1. In afwijking van* [*art. 50, § 1, 4°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50) *van het Wetboek moet de medecontractant van een belastingplichtige die een van de handelingen verricht in § 2 (bedoeld wordt werken in onroerende staat), wanneer hij zelf een belastingplichtige is gehouden tot het indienen van een maandaangifte of een kwartaalaangifte, de belasting die verschuldigd is terzake van die handeling voldoen op de wijze aangeduid in § 4"*

> *"§ 4. De medecontractant van de belastingplichtige die handelingen heeft verricht bedoeld in § 2, moet de belasting die verschuldigd is ter zake van die handelingen opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de dienst voltooid is o in de gevallen bedoeld in* [*artikel 1, eerste lid, 2°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) *van dit besluit; waarin de belasting verschuldigd is."*

Dienaangaande vermelden de litigieuze facturen van de PVBA Concept VR telkenmale "BTW te voldoen door de medecontractant volgens KB 1 art. 17bis”.

Kennelijk. is het de appellant geweest die als opdrachtgever van de werken de aannemer verzocht om facturen uit te reiken met verlegging van heffing waarbij de appellant zijn persoonlijk BTW-nummer opgaf en niet het BT'W-nummer van zijn vishandel. Onroerende verhuur valt immers buiten de werkingssfeer van de BTW en biedt geen recht op aftrek. Daaruit kan niet anders worden afgeleid dan dat de appellant persoonlijk heeft gecontracteerd.

Pas in de loop van de verzetsprocedure betwist de appellant zijn hoedanigheid van belastingplichtige omdat de geregelde en zelfstandige wijze van werken ontbreekt zodat er geen sprake kan zijn van een “economische onderneming" of “beroepsactiviteit", doch tevergeefs.

De appellant heeft zijn BTW-nummer behouden en is verder periodieke aangiften blijven indienen.

Uit stuk 26 blijkt dat de appellant de verkoop van zijn vrachtwagen aangaf hetgeen erop wijst dat deze wagen in hoofde van de appellant een bedrijfsmiddel was, dewelke onderhevig was aan BTW als zijnde een handeling uitgeoefend door de appellant in de uitoefening van zijn geregelde beroepswerkzaamcheid waarvoor hij geregistreerd is.

Uit stuk 32 blijkt verder dat de appellant ook nog andere belastbare handelingen stelde waarvoor de hoedanigheid van belastingplichtige niet wordt betwist.

Stuk 33, zijnde de BTW-aangifte voor het jaar 1987, waarin gegevens worden vermeld m.b.t. het tweede kwartaal 1988, vermeldt aankopen/investeringen t. b. v. … Fr. en een omzet van … Fr. aan het tarief van 19 %.

Vervolgens werd de appellant vanaf het vierde kwartaal 1993 opnieuw als kwartaalindiener geregistreerd, weze het voor een totaal andere activiteit nl. de verkoop van diepvriesproducten.

Voorgaande feitelijke gegevens dwingen echter de overtuiging af dat de appellant ook ten persoonlijke titel economische activiteiten heeft ontplooid en dat hij steeds BTW-plichtige is gebleven. Zelfs het tijdelijk ontbreken van handelingen die onder de BTW ressorteren brengen de belastingplicht niet in het gedrang.

Even tevergeefs werpt de appellant op dat de BVBA Vishandel **M.** als eindverbruiker de voorbelasting in rekening kan brengen. Zoals hierboven reeds gesteld is de appellant de opdrachtgever. Als eigenaar en verhuurder heeft hij zijn persoonlijk BTW-nummer opgegeven.

Het recht op aftrek kan slechts door de belastingplichtige worden uitgeoefend mits hij in het bezit is van een factuur, opgemaakt overeenkomstig artikel 2 van het K.B. nr. Ivan 23 juli 1969.

De factuur maakt het bewijs en het controlemiddel uit dat het recht op aftrek kan beïnvloeden in de mate waarin deze niet werd uitgereikt, foutief is of foutieve vermeldingen bevat.

Ten deze werden de facturen weliswaar opgemaakt in hoofde van vishandel **B.** doch met verwijzing naar het persoonlijk BTW-nummer van de appellant. Indien alleen de BVBA Vishandel **M.** bedoeld was dan moesten de facturen opgesteld zijn op naam van die vennootschap, met vermelding van het BTW-nummer van die vennootschap terwijl diezelfde vennootschap deze facturen diende op te nemen in haar boekhouding.

Dit laatste is echter niet gebeurd. Derhalve is de appellant overeenkomstig art. 17bis van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 gehouden de BTW op deze litigieuze facturen te betalen.

## Nopens de fiscale geldboete

Bij de regularisatieopgave werd een verminderde boete opgelegd volgens de schaal vervat in de bijlagen aan het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987. Deze boete werd bepaald op 10 % van de ontdoken of niet betaalde belasting. Tevens werd met verwijzing naar art. 2 van gezegd K.B. nr. 41 gezegd dat de boete met 50 % zou worden verhoogd, ingeval van kennisgeving of betekening bij dwangbevel.

De appellant betwiste de boete, stelt dat de verhoging ervan de rechtsingang verhindert, dat het algemeen beginsel van de hoor- en motiveringsplicht werd geschonden alsook art. 109 W. 4 augustus 1986. Tevens voert de appellant aan dat de opgelegde boete een strafrechtelijk karakter heeft en dat art. 6 EVRM toepasselijk is.

Bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de fiscale geldboete niet werd gemotiveerd nu uitdrukkelijk verwezen werd naar het K.B. nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboete op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

In de regularisatieopgave werd uitdrukkelijk verwezen naar tabel A, IV. Ten deze werd slechts een boete van 10 % opgelegd waar zelfs 20 % kon worden opgelegd vermits het bedrag van de verschuldigde belasting meer dan … Fr. bedroeg.

Verder dient gesteld dat alhoewel de strafrechtelijke aard van de fiscale geldboeten niet uitdrukkelijk wordt erkend, het Hof van Cassatie sinds haar arresten van 5 .februari 1999 (T.F.R. 1999, blz. 385 en 381) aanvaardt dat de internationale normen ook op de fiscale sancties uit art. 70 BTW-Wet kunnen worden toegepast, met die correctie dat loutere opportuniteits- en billijkheidsredenen de belastingplichtige niet kunnen bevrijden van de hem wettelijk opgelegde verplichtingen terwijl dit niet betekent dat het algemeen rechtsbeginsel “non bis in idem” verhindert dat de Belgische overheid sancties van uiteenlopende aard mag bepalen, ook al zou die administratieve sanctie een strafrechtelijke aard hebben in de zin van art. 6 EVRM.

Anderzijds oordeelde het Arbitragehof in zijn arrest van 24 februari 1999 (T.F.R, 1999, blz. 385), gevat zijnde over een prejudiciële vraag over de conformiteit van art. 70 BTW~Wet met het constitutioneel gelijkheidsbeginsel dat art. 70 BTW-Wet de art. 10 en 11 van de Grondwet niet schendt wanneer het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen.

Ten deze kan het Hof niet anders dan de grondwets-conforme interpretatie toepassen waardoor het mogelijk wordt niet alleen te toetsen of de boete in rechte dan wel in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen werden nageleefd doch bovendien gerechtigd is de opportuniteit van de fiscale geldboeten te beoordelen.

Zoals reeds gesteld paste de administratie reeds het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 toe en verminderde zij de boete reeds tot 10 % waar zij gerechtigd was 20 % van de verschuldigde belasting te vragen. Het opleggen van deze geldboete gebeurde niet alleen binnen de wettelijke grenzen doch kwam gerechtvaardigd voor.

Anders is het met de verhoging van de geldboete met 50 % in geval tot kennisgeving of betekening van het dwangbevel moet worden overgegaan. [Artikel 2 van het K.B. nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art2) van 30 januari 1987 ten spijt heeft deze verhoging van de boete ongetwijfeld een repressief en ontradend karakter en bemoeilijkt zij de rechtsingang, daar de loutere kennisgeving volstaat om de geldboete op voorhand en zonder tegenspraak met 50 % te verhogen.

Derhalve moet aangenomen dat het artikel 6 EVRM van toepassing is zodat het toetsingsrecht van het Hof niet kan beperkt worden tot de wettigheidcontrole. Gelet op de gevoerde betwistingen en het gebrek aan kwade trouw en of bedrieglijk inzicht in hoofde van appellant is de verhoging van de geldboete met 50 % niet evenredig met·de gepleegde inbreuk, zodat deze verhoging niet verschuldigd is.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN;**

**HET HOF**, recht doende op tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de Wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en erover beslissend;

Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de verhoging van de fiscale geldboete met 50 % niet zal worden toegepast.

Veroordeelt de appellant. in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten op :

\- aan de zijde van de appellant … BEF

rechtsplegingsvergoeding volgens opgave

\- aan de zijde van de geïntimeerde op … BEF

rechtsplegingsvergoeding volgens opgave.

Aldus gewezen en uitgesproken in buitengewone openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **elfde kamer**, recht doende in burgerlijke zaken, op **ACHTENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter,

De heer **A. D. M.**, Raadsheer,

Mevrouw **S. D. B.**, Raadsheer,

De heer **M. V.**, griffier.

**M. V.** **S. D. B.** **A. D. M.** **N. v. I.**

## Aangehaalde teksten

3

[KB nr. 1 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 50](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Grossierbedrijf;facturatie;geldboete, groothandel, facturering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/grossierbedrijf-facturatie-geldboete-groothandel-hof-van-beroep-antwerpen-2005-02-08-618f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbeding, administratieve geldboete, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbeding-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-antwerpen-2010-12-07-1e2c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, wederzijdse bijstand](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-2004-01-13-2ceb) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Voldoening van de belasting, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling, strafbepaling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-vrijstelling-uitvoer-intracommunautaire-rechtbank-kortrijk-2000-09-04-54e2) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[De Raad van State stelt dat het niet tot haar bevoegdheid behoort](https://juriel.be/nl/rechtspraak/stelt-bevoegdheid-behoort-oordelen-gronden-raad-van-state-brussel-2022-02-01-0f26) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Gerechtelijke procedure, Kracht van gewijsde, Vaststellingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijke-procedure-kracht-gewijsde-vaststellingen-hof-van-beroep-bergen-2021-10-20-32fc) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-proportionele geldboete, Klantenlisting, Niet- of laattijdige indiening, Opschorting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-geldboete-klantenlisting-laattijdige-indiening-rechtbank-luik-2021-01-04-83c7) 1 gemeenschappelijke bepalingen
