Voldoening van de belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 27 februari 2006

Zoeken

Voldoening van de belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-rechtbank-brugge-2006-02-27-5d25

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
27 februari 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

44 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 27.02.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 04/2166/A Rep.nr.2006/2737

de BVBA D. Z., vervoeronderneming, gevestigd in de … te …, bij vonnis van 31/08/2004 door de Rechtbank van Koophandel te Brugge failliet verklaard, waarvoor als curator optreedt Meester S. C., advocaat te …, …,

eiseres qq,

die in persoon optreedt

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

Verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 5 mei 1998.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 30 januari 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. NV D. Z. was ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer … voor de activiteit van vervoeronderneming. Zij was derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 5 september 1997 werd een proces-verbaal opgesteld waarin de door de NV D. Z. begane overtredingen werden geacteerd.

Wegens niet-betaling werd op 6 oktober 1997 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 22 december 1997 aan NV D. Z. werd betekend.

Tegen voormeld dwangbevel werd op 5 mei 1998 huidige vordering ingeleid.

2.2. Eiseres vraagt dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn. Tenslotte vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding en de dagvaardingskosten.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 356,97 EUR rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

Goederen die onder de regeling communautair douanevervoer zijn geplaatst, zijn onderworpen aan de toepassingsbepalingen van het Communautair Douanewetboek. Zowel op de aangever, de vervoerder als de bestemmeling van die goederen rust de verplichting om de zendingen aan te brengen tegenover het douanekantoor van bestemming, waarbij het document T1 wordt gezuiverd.

Op basis van de voorliggende stukken blijkt dat de kwestieuze T1 doorvoerdocumenten (nrs. 500013 en 500014) niet werden aangezuiverd in Portugal. Aangezien de goederen niet werden aangeboden op het Portugese douanekantoor van bestemming, zijn de rechten verschuldigd (art. 96.1 en 2 CDW / art. 52 § 2 W.BTW).

Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 356,97 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op zevenentwintig februari tweeduizend en zes.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., griffier

N. L. N. H.