Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 03.05.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
In de zaak van : AR. nr. 03/0935/A Rep. nr. 2005/6182
de BVBA S., met zetel te …, …,
eiseres,
vertegenwoordigd door meester A. C., advocaat te ….
tegen :
de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van de heer Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat nr.1,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester J. V. d. P., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 5 april 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. het geding inleidend verzoekschrift van 25 maart 2003 met verzet tegen het dwangbevel dat op 18 februari 2003 is uitgevaardigd;
2. de conclusie voor verweerder van 6 oktober 2003;
3. de conclusie voor eiseres van 16 december 2003;
4. de conclusie voor verweerder van 9 maart 2004 en
5. de conclusie voor eiseres van 17 augustus 2004.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiseres is BTW-plichtige voor de exploitatie van een drankgelegenheid.
Omdat eiseres op een zeker ogenblik achterstallig was met de betaling van de door haar aangegeven BTW, werd door verweerder haar rekening-courant op datum van 31 oktober 2002 op nul gezet.
Nog vóór eiseres voor september 2002 haar aangifte had gedaan, namelijk per brief van 10 oktober 2002 was vanwege de BTW-ontvangsten te Brussel aan eiseres per aangetekende brief ter kennis gebracht dat haar rekening courant op die datum een saldo ten voordele van de Staat vertoonde van … euro.
In het bericht van invordering met de stand van zaken tot op die datum wordt weergegeven dat er op 31 juli 2002 een saldo in het voordeel van de Schatkist was van … euro, dat tot 31 augustus 2002 op het saldo nog een bedrag van … euro interest verschuldigd was, dat er een maand later nog een bedrag van … euro interest was bijgekomen, zodat het totale saldo toen … euro bedroeg, dat er volgens de aangifte van september 2002 (in te dienen op 20 oktober 2002) een bijkomend bedrag ten voordele van de Schatkist verschuldigd was door eiseres van … euro en dat op datum van 31 oktober 2002 ondertussen nog een bijkomend bedrag aan interest open kwam te staan van … euro. Het totaal dat onderaan was vermeld als zijnde het bedrag verschuldigd aan de Staat was (… + … + … + … + … = … euro, zijnde dus … euro BTW en … euro interest).
Voor de periode van 31 juli tot en met 31 oktober 2002 werd vervolgens een bijzondere rekening aangelegd waarin, naast de zo-even genoemde bedragen ook een verminderde proportionele boete van … euro verschuldigd werd verklaard. Er werd ook vermeld dat op het afgerond bedrag van het BTWsaldo vanaf 21 november 2002 interest verschuldigd was tegen een rentevoet van 0,8 procent per maand. Die bijzondere rekening werd per aangetekende brief van 26 november 2002 ter kennis gebracht aan eiseres.
Op 2 december 2002 werd eiseres kennelijk nog uitgenodigd om de verschuldigde betalingen te voldoen binnen de maand; anders zouden vervolgingen worden ingesteld.
Vermits eiseres naliet om te betalen, ging verweerder op 18 februari 2003 over tot het opmaken van een dwangbevel (RCIV nr. …). In dat dwangbevel werd een schuld vastgesteld van … euro meer de interest vanaf 21 februari 2003 en meer de interest op de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel. Er werd verduidelijkt dat het bedrag van … euro was samengesteld uit … euro BTW, … euro boete wegens niet-tijdige betaling en … euro interest.
Het dwangbevel werd door eerstaanwezend inspecteur ad interim P. D. B., daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge, op 21 februari 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Op 27 februari 2003 liet verweerder het genoemde dwangbevel aan eiseres betekenen, met bevel tot betaling van … euro (… euro BTW, … euro boete en … euro interest), de kosten van het exploot van betekening met bevel en de interest.
Met een verzoekschrift van 25 maart 2003 stelde eiseres haar huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eiseres vordert dat de rechtbank voorafgaand een prejudiciële vraag zou stellen aan het Arbitragehof en dat de rechtbank het genoemde dwangbevel zou nietig en van nul en generlei waarde verklaren, minstens de boete zou verminderen tot hoogstens een tiende.
Eiseres vordert ook dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat de betalingen eerst op de hoofdsommen en daarna op de boeten en interest moeten toegerekend worden.
Eiseres vordert ook dat de rechtbank zou vaststellen dat de bedragen bovenmatig en onverschuldigd zijn.
Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.
Verweerder stelt daarenboven een tegeneis die strekt tot de veroordeling van eiseres tot het betalen van een schadevergoeding van … euro wegens tergend en roekeloos geding.
III.BESPREKING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
De rechtbank overloopt de diverse argumenten van eiseres.
2.1.
Eiseres voert aan dat er geen proces-verbaal was aangehecht aan het bestreden dwangbevel en dat noch het meebetekend bericht van invordering, noch de bijzondere rekening de vermelding "voor eensluidend verklaard afschrift" bevatten, waardoor dat dwangbevel zou nietig zijn.
Terecht stelt verweerder dat het dwangbevel niet werd uitgevaardigd op basis van een proces-verbaal maar op basis van de gegevens in de bijzondere rekening die op haar beurt op niets anders gebaseerd zijn dan enerzijds op de cijfers die eiseres zelf in haar BTW-aangiften voor de betreffende kwartalen had ingevuld en anderzijds het feit dat eiseres naliet die bedragen (tijdig en volledig) te betalen.
Er is dus nooit een proces-verbaal opgesteld en dat was in de gegeven omstandigheden niet nodig.
Uit nazicht van de stukken die aan het geding inleidend verzoekschrift van eiseres zelf bevestigd zijn, blijkt verder dat de bewering van eiseres dat het bericht van invordering en de bijzondere rekening niet de vermelding 'voor eensluidend verklaard afschrift' zouden bevatten, in strijd is met de werkelijkheid.
2.2.
Eiseres stelt dat uit het dwangbevel niet zou blijken dat de visering gebeurd is door een gemachtigd ambtenaar.
Deze argumentatie mist feitelijke grondslag : het dwangbevel bevat letterlijk de vermelding dat de heer P. D. B. door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge aangewezen is om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren. Dat volstaat. Verweerder legt verder een stuk voor waaruit de machtiging van de heer D. B. blijkt.
2.3.
Eiseres meent dat er materiële vergissingen zijn begaan, in het bijzonder door de vaststelling dat er sprake is van zowel … euro, … euro als … euro en dat ook geen rekening zou gehouden zijn met de betaling van … euro sedert 27 januari 2003.
Ook dat argument wordt door verweerder weerlegd. Er kan verwezen worden naar de bovenstaande weergave van de feiten. De bedragen verschillen naar gelang wordt rekening gehouden met de interest en de boete of niet. Het is de rechtbank zelfs niet duidelijk waar eiseres het getal … aantreft; blijkbaar – zoals verweerder aanvoert – laat eiseres niet na om zelf verwarring te zaaien.
Eiseres beweert wel, maar bewijst niet dat zij voor de betreffende periode een afbetaling zou gedaan hebben van … euro.
De cijfers blijken correct te zijn. Het feit dat verweerder ondertussen een bedrag van … euro op de openstaande schuld in minder werd gebracht door verweerder ingevolge de onttrekking aan de BTW-rekening-courant op 20 november 2003 doet daarvan niets af. Deze imputatie is immers slechts kunnen gebeuren na het uitvaardigen van het dwangbevel en zelfs na het instellen van de gerechtelijke vordering.
2.4.
Eiseres stelt dat een boete van … euro werd opgelegd zonder motivatie voor de omvang van die boete; minstens zou de boete overdreven zijn en dus moeten verminderd worden.
Het recht om een boete op te leggen zou ook een ongelijkheid zijn vergeleken met andere schuldeisers.
Er moet toegegeven worden dat de motivering voor de boete summier is in die zin dat verweerder in zijn bijzondere rekening die op 26 november 2002 werd opgemaakt, zich beperkt heeft tot het verwijzen naar de wetgeving die hij heeft toegepast. Opdat een beslissing voldoende door de motivering zou worden gedragen, moeten de motieven toelaten de precieze draagwijdte van de beslissing te achterhalen. Nu vermeldt de bijzondere rekening heel expliciet de wetsartikelen en de onderdelen ervan op grond waarvan de boete door verweerder werd vastgelegd. Op die manier kon dus voldoende achterhaald worden dat eiseres gewoon 10 procent van de verschuldigde BTW genomen heeft en dat bedrag heeft afgerond naar beneden. Dat volstaat als motiveringsplicht.
Verder is een boete wel degelijk gerechtvaardigd. Zoals verweerder aanvoert moest eiseres zich maar al te goed bewust zijn van het feit dat ze BTW moest betalen; niet alleen omdat ze dagelijks in haar drankgelegenheid betalingen ontvangt waarin BTW vervat zit, maar ook omdat ze per kwartaal aangifte doet van de BTW en dus telkens zelf bevestigt dat ze de daarin opgenomen bedragen moet betalen. Het spreekt voor zich dat eiseres moet weten dat de niet-betaling een administratief apparaat in gang zet waardoor er kosten gemaakt worden die konden vermeden worden door stipte betaling.
Verweerder toont ook aan dat eiseres de kwalijke gewoonte heeft om de zelf aangegeven BTW niet tijdig te betalen en daardoor al meer dan tien dwangbevelen betekend kreeg tussen 1997 en 2002.
In het geheel van de omstandigheden van het dossier is een boete van 10 procent overigens aangepast en in verhouding en dus niet overdreven.
De ongelijkheid die eiseres meent te zien in het feit dat verweerder een geldboete kan opleggen bij niet-betaling terwijl een andere schuldeiser dat niet zou kunnen, is kennelijk onbestaande zodat er geen prejudiciële vraag moet gesteld worden.
Vooreerst is het niet correct dat in een 'andere schuldeiser van een geldschuld' nooit in de mogelijkheid zou zijn om een boete op te leggen (bijv. artn. 1226 e.v. B.W.). Bovendien en vooral vergelijkt eiseres geen voldoende gelijkwaardige situaties vermits bij fiscale boetes de belangen van de Schatkist in het gedrang zijn en het dus om belangen van de Openbare Orde gaat.
2.5.
Eiseres voert aan dat zowel het bericht van invordering als de bijzondere rekening onleesbare vermeldingen bevat. Dat zou een nietigheid veroorzaken en de rechten van de verdediging schenden.
De rechtbank stelt vast dat eiseres moet doelen op de datum die vermeld staat samen met de stempel dat het voor eensluidend verklaarde afschriften zijn. Vooreerst is de tekst deels te lezen, zelfs op de fotokopies die eiseres voorlegt, terwijl ze nalaat het origineel van het exploot van betekening-bevel met de originele bijlagen voor te leggen. Maar vooral toont eiseres niet aan dat deze vaststelling tot enige nietigheid zou kunnen leiden. Haar rechten van verdediging zijn in geen geval geschonden vermits ze de zaak aan de rechtbank kan voorleggen en zij ondertussen inzage heeft gekregen van de stukken van verweerder waaruit ze voldoende kan afleiden wat de minder duidelijke passages voorstellen en betekenen.
Het betreft onmiskenbaar een dilatoir middel.
2.6.
Eiseres stelt dat in het dwangbevel vermeld wordt dat betalingen voor een bedrag van … euro eerst op de kosten, dan op de interesten en dan pas op de BTW aangerekend werden, terwijl het volgens eiseres vanzelfsprekend is dat de aanrekening in het belang van de belastingplichtige eerst op de BTW wordt aangerekend en dit conform de artikelen 1253 tot 1256 B.W.
Verweerder laat op dat punt terecht gelden dat de aanrekening eerst op de kosten, vervolgens op de interest en dan pas op de BTW beantwoordt aan het voorschrift van artikel 19 van KB nr. 24 van 29 december 1992 en dit in uitvoering van artikel 53 W.BTW, zoals voorzien in artikel 53octies W.BTW.
2.7.
Eiseres laat gelden dat de verso-bladzijde van het bericht van invordering niet zou zijn bijgevoegd.
Ten eerste bewijst eiseres dat niet. Noch bij haar verzoekschrift noch in haar stukkenbundel steekt het exemplaar van het originele exploot van betekeningbevel.
Verder geldt ook hier dat eiseres niet aantoont dat er enige nietigheid zou verbonden zijn aan het eventueel ontbreken van die verso-bladzijde. Ook al staat op de voorzijde vermeld dat op de keerzijde een 'belangrijke nota' vermeld staat, toch blijkt het slechts om een reeks verklaringen van gebruikte codes te gaan. De uitleg over de codes is geen substantieel bestanddeel van het bericht van invordering en nog minder van het dwangbevel of het betekeningsexploot. Overigens heeft verweerder een exemplaar van die verso-bladzijde bij haar stukken gevoegd, zodat er geen schending van de rechten van de verdediging mogelijk is.
2.8.
Eiseres stelt dat de betekening van het dwangbevel onregelmatig gebeurd is omdat op het exploot vermeld wordt als zou het betekend zijn aan de 'echtgenote' van eiseres, wat niet kan vermits eiseres een vennootschap is.
Ten onrechte meent eiseres uit die onregelmatigheid een conclusie te kunnen afleiden. De betekening is gebeurd aan mevrouw N. H.. De naam is duidelijk vermeld. Er wordt niet betwist dat mevrouw H. zaakvoerder is van eiseres. De betekening is dus gebeurd aan de zaakvoerder van eiseres. Dat haar hoedanigheid van zaakvoerder niet vermeld staat, blijft zonder invloed. Artikel 34 Ger.W. vereist slechts dat het afschrift van de akte ter hand gesteld wordt aan het orgaan of de aangestelde van de rechtspersoon om als betekening ten aanzien van die rechtspersoon te gelden. Dat er een zinloze hoedanigheid ('echtgenote') vermeld werd, doet daarvan niets af.
Er is dus geen sprake van enige nietigheid of schending van enig recht in hoofde van eiseres.
2.9.
Tenslotte stelt eiseres dat het dwangbevel in het algemeen niet gemotiveerd is. Het volstaat om de tekst van het dwangbevel en daaraan gehechte bijlagen te lezen om vast te stellen dat daarin de verschillende feiten en wettelijke bepalingen in vermeld zijn die tot de conclusie leiden dat eiseres voor de betrokken periode de BTW, interest en boete verschuldigd was zoals in dat dwangbevel vermeld staat.
Het dwangbevel is dus geldig en afdoende gemotiveerd.
2.10.
De conclusie is dat de vordering van eiseres volledig ongegrond is.
3. De tegenvordering
Verweerder vordert dat de rechtbank eiseres zou veroordelen tot een schadevergoeding van … euro wegens tergend en roekeloos geding.
De rechtbank kan slechts vaststellen dat de argumenten die eiseres aanvoert duidelijk 'gezocht' zijn om betwisting te kunnen voeren en zonder dat eiseres ooit kan gedacht en verwacht hebben dat er enige gunstig gevolg zou kunnen aan gehecht worden. Verweerder toont aan dat eiseres al vijf jaar lang nalatig is met haar BTW-verplichtingen en veel ervaring heeft met dwangbevelen. Haar argumentatie als zou zij niet steeds weten of kunnen weten wat bedoeld is waardoor haar rechten van de verdediging zouden geschonden zijn, is tegen die achtergrond totaal ongeloofwaardig. De toegang tot het gerecht mag niet lichtzinnig benut worden. Toch is dat wat eiseres hier onmiskenbaar gedaan heeft.
Ten onrechte voert eiseres aan dat verweerder zijn schade niet bewijst en dat deze al voldoende zou gecompenseerd zijn door de opgelegde boete.
Eiseres gaat er aan voorbij dat de boete (terecht en op een gepaste wijze) werd opgelegd om - naast het afschrikkingseffect - compensatie te bieden voor de administratieve kosten en middelen die ten nadele van verweerder werden veroorzaakt door het niet-betalen (binnen de gewone termijnen) van de (zelf aangegeven) BTW.
De tegenvordering beslaat een andere schade, namelijk deze (bijkomend) veroorzaakt door het instellen van een vordering waarvan eiseres moest weten dat ze alleen maar tijdwinst zou opleveren maar ten gronde geen kans maakte. In billijkheid moet worden aangenomen dat de bijkomende kosten en organisatorische middelen die door die procedure - zelfs buiten de zuivere kosten van verdediging - ten nadele van verweerder veroorzaakt zijn minstens een waarde van … euro vertegenwoordigen. De tegenvordering is dan ook integraal gegrond.
4. De gerechtskosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.
Beschikkend gedeelte
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de hoofdvordering en de tegenvordering beide ontvankelijk, wijst de hoofdvordering af als ongegrond en verklaart de tegenvordering gegrond.
De rechtbank veroordeelt eiseres tot het betalen aan verweerder van een bedrag van … euro (… EUR) als schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding.
De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :
aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding … euro
terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op drie mei tweeduizend en vijf.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier.
A. V. D. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.