Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 4 maanden- Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Antwerpen10.06.2005
- Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen17.10.2006
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 17.10.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER
Recht doende in burgerlijke zaken,
heeft het volgende arrest uitgesproken :
In zake : 2005/AR/2509
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, op benaarstiging van de rekenplichtige Ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;
appellant,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 10 juni 2005;
vertegenwoordigd door Meester D. V. loco Meester R. L., advocaat te …, …;
1. K. G., zelfstandige, en,
2. E. P., bediende, beiden ·wonende te …, …;
geïntimeerden,
vertegenwoordigd door Meester R. D. K., advocaat te … (…), …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 10 juni 2005, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 16 september 2005, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafaaande feiten en procedure
1.1.
De heer en mevrouw G.-P. kochten op 12 februari 1997 een woning, gelegen aan de … te ….
Vanaf februari 2000 (goedkeuring bouwaanvraag) werden er verbouwingswerken aan deze woning uitgevoerd.
1.2.
De administratie van appellant gaat over tot een controle van het toegepaste BTW-tarief (in casu werd 6 % toegepast door de belastingplichtigen, zijnde het tarief voor verbouwing en niet 21 %, zijnde het tarief voor nieuwbouw).
1.3.
Nadat een kopie van de betekening van het Kadastraal Inkomen van het voormelde onroerend goed aan de BTW-controle werd overgemaakt door de administratie van het kadaster (de betekening van het KI bevat als motivering : herschatting, aanzienlijke verbouwing), werden de facturen en plannen telefonische opgevraagd.
Op verklaring van mevrouw P. werd door het kadaster een kostprijs van de verbouwingen van … EUR genoteerd.
Op 13 juni 2003 werden de facturen en plannen afgegeven door mevrouw P. en bij deze gelegenheid werden aan mevrouw P. een aantal vragen gesteld, de verstrekte informatie werd neergeschreven en door mevrouw P. "voor gelezen en goedgekeurd" ondertekend.
1.4.
De administratie stelde een correctieopgave op (stuk 4 appellant) die bij middel van een gewoon schrijven aan de belastingplichtigen werd overgemaakt.
Daar geïntimeerden zich op 24 september 2003 bij monde van boekhoudkantoor V. D. B. & C0 niet akkoord verklaarden met de voorgestelde regularisaties werd op 14 oktober 2003 overgegaan tot de redactie van een proces-verbaal en tot uitvaardiging van een dwangbevel.
Volgens geïntimeerden werd mevrouw P. door de administratie verschalkt wanneer haar op 13 juni 2003 een verklaring ter ondertekening werd voorgelegd.
Er werd door de BTW-administratie geen enkel plaatsbezoek uitgevoerd, specifiek m.b.t. dit gebouw.
Op basis van deze enkele verklaring ging de BTW-administratie ervan uit dat er sprake was van nieuwbouw en werd de gehele facturatie onderworpen aan een tarief van 21 % en werd tevens een boete opgelegd.
De geïntimeerden stellen zich niet akkoord te kunnen verklaren, noch met de handelwijze van de administratie, noch met de kern van het standpunt van de administratie : zij hebben naar eigen zeggen enkel hun oude woning gerenoveerd en aldus terecht aanspraak gemaakt op het tarief van 6 %.
De geïntimeerden betaalden onder voorbehoud van alle rechten de in het dwangbevel opgenomen bedragen :
- Op 11 maart 2003 werd door geïntimeerden een bedrag van … EUR voldaan "onder voorbehoud van alle recht en zonder enige nadelige erkenning";
- Op 26 april volgt betaling van … EUR onder hetzelfde voorbehoud.
1.5.
Op 27 april 2004 leiden de heer en mevrouw G.-P. de procedure in voor de 'eerste rechter.
Op 11 maart 2005 velt de eerste rechter een tussenvonnis.
Op 10 juni 2005 volgt het bestreden eindvonnis.
De eerste rechter is van oordeel dat het dwangbevel dd. 30 oktober 2003 onvoldoende gemotiveerd is.
Hij spreekt zich niet uit over het toepasselijke tarief (6 % of 21 %).
De administratie gaat in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank.
1.6. de vorderingen van partijen
1.6.1. de vordering van de Belgische Staat (appellant)
De vordering in graad van beroep, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :
“…
- Het vonnis gewezen door de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 10 juni 2005 te vernietigen en
- doende wat de eerste rechter had moeten doen, de wettigheid van het dwangbevel te erkennen en de uitvoering ervan te bekrachtigen,
- geïntimeerden te verwijzen in de kosten van het geding, ... "
1.6.2. de vordering van de heer en mevrouw G.-P. (geïntimeerden)
De vordering in graad van beroep, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :
“…
De beslissing van de eerste rechter te bevestigen;
Dienvolgens het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren,
Voor recht te zeggen dat het dwangbevel dd. 30 oktober 2003, uitvoerbaar verklaard op 3 november 2003 en betekend bij aangetekend schrijven dd. 4 november 2003 nietig is en dat de erin vermelde sommen, hetzij BTW, hetzij boeten en intresten niet verschuldigd zijn;
Verweerder te veroordelen de onterecht geïnde BTW terug te betalen, inclusief de onterecht betaalde boeten en mits betaling van de nalatigheidsintresten vanaf de dag van de betaling door concluanten.
Gedaagde te verwijzen in de kosten (...)
Het arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement.
…”
2. Bespreking
2.1.
Een dwangbevel is niet onderworpen aan wettelijke vormvereisten.
Het dwangbevel moet gemotiveerd zijn teneinde de belastingplichtige in staat te stellen kennis te nemen van het voorwerp en de oorzaak van de eis van de Belgische Staat, en de gegrondheid hiervan na te gaan (VANDEBERGH, H., "De motivering van het dwangbevel inzake BTW", noot onder : Rb. Antwerpen, 8 juni 1999, T.F.R., 1999, 972; CLAEYS BOUUAERT, I., De aanslag, Brussel, Larcier, 1963, 47);
Dit blijkt ook uit het feit dat in de nieuwe fiscale procedure het verzoekschrift op tegenspraak, in het kader van de vordering in rechte, minstens het onderwerp en een korte samenvatting van de middelen van de vordering bevatten (Art. 1034ter, 4°, Ger. W.; DAUGINET, V. en SPAGNOLI, K., De nieuwe fiscale procedure. Commentaar bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, Biblo, Kalmthout, 1999, 107).
Een dwangbevel wordt ook als een bestuurshandeling aanzien en dient bijgevolg te voldoen aan de motiveringsvereiste opgelegd door de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (BOGAERTS, D., "Gunstige evolutie in de Bangladesh-zaak", noot onder : Rb. Antwerpen, 22 december 2000, T.F.R., 2001, 922; VANDEBERGH, H., "De motivering van het dwangbevel inzake BTW", noot onder : Rb. Antwerpen, 8 juni 1999, T.F.R., 1999, 972; QUINET, I., "De motivering van de belastingverhoging : toepassing van de Wet van 29 juli 1991", T.F.R., 2001, 51 e.v.; VAN ORSHOVEN, P., "Uitdrukkelijke motivering van (fiscale) bestuurshandelingen", Fisc. Koer., 1991, 91/506);
De motivering moet afdoende zijn.
De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen (art. 3 Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, B.S., 12 september 1991).
De ingeroepen redenen moeten pertinent zijn en de beslissing verantwoorden.
De motivering moet alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen (VAN ORSHOVEN, P., "Uitdrukkelijke motivering van (fiscale) bestuurshandelingen", Fisc. Koer., 1991, 91/510);
2.2.
In casu ontbreekt zowel in het dwangbevel als in het ermee betekende proces-verbaal de aanduiding van de rechtsgrond zijnde artikel 51bis, par. 1, 3° W.BTW.
Het aanduiden van de correcte wettelijke basis is essentieel ter verantwoording van de litigieuze taxatie.
Appellant stelt dat de geïntimeerden voldoende op de hoogte zijn gesteld door de eerder aan hen toegestuurde correctieopgave.
Deze redenering kan niet bijgetreden worden omdat ze in strijd is met artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 : de motivering moet immers ingeschreven worden "in" de akte zelf.
Het hoger beroep is om deze redenen ongegrond.
Het dwangbevel is nietig en het is niet dienend de andere argumenten te onderzoeken daar ze niet kunnen leiden tot een andere beslissing.
Het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd , en appellant dient veroordeeld te worden tot de kosten van hoger beroep.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis.
Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, niet begroot aan de zijde van geïntimeerden bij gebrek aan opgave.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZEVENTIEN OKTOBER TWEEDUIZENDENZES,
waar aanwezig waren :
R. T., Voorzitter
S. B.
en M. V. d. B., Raadsheren
A. V. L., Griffier.
A.V. L. M. V. D. B.
S. B. R. T.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.