Voldoening van de belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 24 april 2003

Zoeken

Voldoening van de belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-hof-van-beroep-antwerpen-2003-04-24-988c

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
24 april 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

46 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 24.04.2003

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft hot volgend arrest gewezen :

Inzake : 2002/AR/1152

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, op vervolging en benaarstiging van de Eerstaanwezend Inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

appellant,

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 5 februari 2002.

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

tegen :

BVBA C. E., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. F. M., advocaat te …, …

1. De antecedenten en de vorderingen

De feiten die tot het geschil aanleiding hebben gegeven en de vorderingen die voor de eerste rechter werden gesteld, werden in het bestreden vonnis nauwkeurig uiteengezet Het hof verwijst ernaar en herhaalt enkel, duidelijkheidshalve, dat :

- BVBA C. E., wiens zaakvoerder werknemer was bij NV M. E., meerdere facturen uitschreef op naam van deze laatste voor leveringen en prestaties die niet hadden plaatsgevonden, doch die NV M. E. wel boekte en betaalde, omdat zij als gevolg van door deze werknemer gepleegde onregelmatigheden dacht de gefactureerde bedragen verschuldigd te zijn;

- een verificateur en een adjunct-verificateur van de Administratie van de BTW., registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de BBI, op 22.08.1995 een proces-verbaal opstelden waarin zij vaststelden dat de bij NV M. E. aangetroffen facturen niet in de boekhouding van BVBA C. E. waren ingeschreven en dat zij aldus een bedrag aan BTW en een boete verschuldigd was;

- op grond daarvan op 20.09.1995 een dwangbevel werd opgesteld, dat op 25.09.1995 uitvoerbaar werd verklaard en dat op 05.10 1995 aan BVBA C. E. werd betekend, en waarbij betaling werd gevraagd van … EUR (… BEF) aan BTW en een geldboete van … EUR (… BEF), verhoogd met interesten;

- BVBA C. E. met een op 13.11.1995 betekende dagvaarding verzet heeft gedaan tegen en de Belgische Staat heeft doen dagvaarden om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Zij vroeg de rechtbank te zeggen dat het dwangbevel zonder enige waarde is en vernietigd moet worden.

In het bestreden vonnis d.d. 05 02.2002 heeft de eerste rechter deze vordering gegrond verklaard.

De Belgische Staat heeft met een verzoekschrift, dat op 08.05 2002 ter griffie van dit hof werd neergelegd, hoger beroep ingesteld. Hij besluit tot de ongegrondheid van het verzet BVBA C. E. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

2. BEOORDELING

Het door de Belgische Staat ingeroepen «nemo auditur» beginsel staat er niet aan in de weg dat het hof de werkelijkheid vaststelt, inbegrepen het frauduleuze inzicht waarmee bepaalde stukken werden opgesteld en de valsheden die ze bevatten.

Buiten betwisting staat dat BVBA C. E. een stroom van inkomende en uitgaande facturen creëerde, niet met de bedoeling fiscale fraude te plegen, maar wel met de bedoeling huisdiefstal ten nadele van zijn werkgever te plegen. Waar noch de inkomende, noch de uitgaande facturen beantwoordden aan reële leveringen van goederen of diensten, voerde BVBA C. E. een boekhouding waarbij inkomende en uitgaande facturen werden ingeschreven, BTW-aangiften werden ingediend en de daaruit voortvloeiende verplichtingen werden voldaan.

De facturen die de fiscus aantrof in de boekhouding van NV M. E. stemmen overeen met de facturen die in de boekhouding van BVBA C. E. werden opgenomen (en ook in de BTW-aangiften) voor alle punten, behalve de omschrijving van de geleverde goederen of diensten. De reden hiervan is dat BVBA C. E. haar fictieve facturen betrok bij een muziekhandel (M. M.) en dat zij er niet zou in zijn geslaagd van NV M. E. betaling te bekomen van facturen, uitgeschreven voor de levering van de soort goederen dat M. M. aan haar factureerde. De in haar eigen boekhouding opgenomen uitgaande facturen vermeldden de goederen zoals die op de inkomende facturen voorkwamen, terwijl naar NV M. E. een exemplaar werd verstuurd waarop de omschrijving van de levering werd vervangen door meer geloofwaardige producten. Voor het overige zijn de facturen identiek : volgnummer, datum, maatstaf van heffing, BTW, naam en adres van de geadresseerde.

In aanmerking nemende dat :

- de facturen identiek zijn voor wat volgnummer, datum, maatstaf van heffing, BTW, naam en adres van de geadresseerde betreft;

- de bij BVBA C. E. ingeschreven exemplaren, met die vermelding van geleverde goederen of diensten, de eigen boekhouding nooit verlieten;

- de bij NV M. E. aangetroffen exemplaren, met die vermelding van geleverde goederen of diensten, niet in de boekhouding van BVBA C. E. werden ingeschreven;

- er zowel in de boekhouding van BVBA C. E. als in de boekhouding van NV M. E. telkens slechts één factuur met dat volgnummer, die datum, die maatstaf van heffing, en die BTW ingeschreven is;

besluit het hof dat de bij NV M. E. aangetroffen facturen en de bij BVBA C. E. ingeschreven facturen moeten worden beschouwd als exemplaren van dezelfde facturen, waarvan – de omstandigheid dat het om fictieve facturen gaat en dus alle exemplaren in wezen vals zijn buiten beschouwing gelaten want, in het licht van art. 51, § 1, 3° W.BTW voorheen art. 54, niet relevant­ het ene exemplaar telkens een vervalsing is van het andere.

Er werd dus slechts één reeks facturen op naam van NV M. E. uitgereikt, waarvan een exemplaar zich in de boekhouding van BVBA C. E. bevindt en een in de boekhouding van NV M. E.. De verschillen maken van deze facturen geen van elkaar te onderscheiden facturen, maar maken dat de ene een vervalsing is van de andere. Gelet op het doel van de ganse operatie, nl. de huisdiefstal ten nadele van NV M. E., kon het ook niet anders dan dat slechts één reeks facturen zou worden uitgereikt en kon het niet anders dan dat het in bij BVBA C. E. ingeschreven exemplaar, nooit de eigen boekhouding zou verlaten.

Vermits de maatstaf van heffing en de verschuldigde BTW op ieder exemplaar van de facturen telkens dezelfde is, en de facturen (met als onderliggend stuk het bij BVBA C. E. berustend exemplaar) alle werden ingeschreven en de BTW-aangifte werd gedaan en afgerekend, is BVBA C. E. geen BTW meer verschuldigd op de bij NV M. E. aangetroffen exemplaren van de reeds bij BVBA C. E. aangegeven facturen.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Verwijst de Belgische Staat in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van BVBA C. E. op … EUR (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van vierentwintig april tweeduizend en drie

waar aanwezig waren :

mevrouw A. W. wnd. Voorzitter

de heer E. L. Raadsheer

de heer J. E. Raadsheer

mevrouw G. V. Griffier.

G. V. J. E. E. L. A. W.