Voldoening van de belasting, bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 19 maart 2002

Zoeken

Voldoening van de belasting, bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijsBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-bijzondere-regeling-kleine-hof-van-beroep-antwerpen-2002-03-19-81f5

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
19 maart 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

67 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 19.03.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake :

S. W., handelaarster, H.R. te Antwerpen Nr. …, gevestigd te …, …;

appellante,

tegen het vonnissen gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 2 februari 1999 en 16 maart 1999;

vertegenwoordigd door Meester A. v. R., advocaat te …, …;

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te Antwerpen, ltaliëlei 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. v. L. d. J., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de vonnissen waartegen hoger beroep, waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, ingediend ter griffie van dit Hof op 3 juni 1999, waardoor een naar vorm termijn regelmatig en toelaatbaar hoger beroep werd ingesteld;

Overwegende dat appellante de hervorming nastreeft van de bestreden vonnissen teneinde haar verzet tegen het op 22 december 1997 uitvoerbaar verklaarde dwangbevel geheel gegrond te horen verklaren, dienvolgens dit dwangbevel van nul er generlei waarde te horen verklaren, haar te horen ontslaan van de in dit bevel gevorderde sommen, en geïntimeerde te horen veroordelen tot terugbetaling van alle eventueel ten onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoire en de gerechtelijke intresten, alsook met de kosten van het geding in de beide instanties;

Dat zij daartoe haar voor de eerste rechter ingenomen standpunt handhaaft, stellende dat in zake de BTW-aangelegenheden de bewijsvoering wordt geregeld door art. 59 Wb-BTW, zodat in casu de belastbare grondslag geheel ten onrechte hetzij in toepassing van art. 56, Wb-BTW hetzij in toepassing van art. 342, § 1 WIB 92 werden vastgesteld;

Overwegende dat geïntimeerde bij toelaatbaar incidenteel beroep, ingesteld bij op 13 september 1999 ingediende conclusie, tevens de hervorming nastreeft van het vonnis d.d. 16 maart 1999, teneinde de oorspronkelijke vordering van appellante geheel ongegrond te horen verklaren, haar ervan integraal te horen afwijzen en haar te horen veroordelen tot de kosten van het geding in de beide instanties;

Dat hij daartoe stelt dat het geheel tegenstrijdig is vast te stellen dat de boekhouding van appellante niet bewijskrachtig is, en niettemin aan te nemen dat de toegestane kortingen voldoende worden verantwoord door de gegevens van deze "boekhouding";


Overwegende dat het voorwerp van de vordering, de eraan ten grondslag liggende feitelijke gegevens en de door partijen aangevoerde middelen op zeer overzichtelijke wijze in het tussenvonnis d.d. 2 februari 1999 worden uiteengezet;

Dat het Hof deze uiteenzetting bijtreedt en hier voor hernomen houdt;

Overwegende dat uit de voorgebrachte gegevens blijkt dat op 6 oktober 1993 en 16 december 1993 door een gemachtigde ambtenaar van de Administratie van de BTW-controles werden uitgevoerd bij huidige appellante in verband met de naleving van de BTW-voorschriften voor de periode van 1 januari 1992 tot 31 december 1993;

Dat alsdan werd vastgesteld dat de boekhouding van appellante meerdere tekortkomingen vertoonde, ten bewijze waarvan op 19 juli 1995 Proces-Verbaal werd opgesteld, vaststellende dat appellante aan de BTW-diensten verschuldigd bleef een belasting ten bedrage van … BEF en een boete ten bedrage van … BEF; dat op grond van deze bevindingen op 18 december 1997 een dwangbevel werd uitgevaardigd, dat op 22 december 1997 uitvoerbaar werd verklaard, dat dit dwangbevel aan appellante werd betekend op 29 december 1997;

Overwegende dat appellante thans inroept dat de bewijswaarde van het op 19 juli 1995 opgestelde Proces-Verbaal van generlei waarde is, zodat ook het betekende dwangbevel niet op wettelijke grondslag is gesteund;

Dat zij daartoe aanvoert dat de controle-ambtenaar ter bepaling van de meeromzet gebruik heeft gemaakt van het forfait bepaald in art. 56 Wb-BTW, dat evenwel geen bewijsmiddel is, en dat dit forfait, in zoverre gesteund op art. 341, § 1 WlB 92, geenszins als wettelijk vermoeden noch feitelijk vermoeden in de BTW-wetgeving kan worden aangewend;

Overwegende dat krachtens art. 59, § 1 Wb-BTW, de overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ten uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede de feiten die de verschuldigdheid van de belastingen of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

Dat bovendien deze processen-verbaal het bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen;

Overwegende dat dan ook uit de voorschriften van voornoemd art. 59 blijkt dat inbreuken op het BTW-Wb niet enkel kunnen worden bewezen door processen-verbaal, doch evenzeer door alle middelen van het gemene recht met uitzondering van de eed;

Dat dan ook in de eerste plaats dient vastgesteld dat eiseres middel als zou het "forfait"' - zijnde een vermoeden - door art. 59 als bewijsmiddel zijn uitgesloten, geen steun vindt in de wet.

Dat immers uit de lezing van voornoemde wetsbepaling duidelijk blijkt dat inbreuken op de BTW-reglementering door alle door het gemeen recht toegelaten middelen mogen worden bewezen; dat ook de "forfaitaire" regelingen vermoedens zijn en zodoende als bewijselementen in aanmerking komen;

Overwegende dat in casu, zonder daartoe ook maar enig bewijskrachtig gegeven voor te brengen, eiseres zich beperkt te stellen dat de beweerde meeromzet geenszins is bewezen, alsook dat evenmin is bewezen dat haar boekhouding niet bewijskrachtig is;

Dat evenwel uit het P.V. d.d. 19 juli 1995 overduidelijk blijkt - en eiseres hiervan op geen enkele wijze het tegenbewijs levert - dat de boekhouding op de onderscheiden data van controle geenszins in orde was en niet toeliet de waarachtigheid “beweerde" transacties te controleren; dat dan ook een dergelijke "boekhouding" geen bewijskracht geniet en niet als grondslag voor de taxatie in aanmerking kan worden genomen;

Dat dienvolgens de controle-ambtenaar terecht vaststelt dat appellante inbreuken had begaan op de voorschriften van art. 53, lid 1, 3° en 4° Wb.-BTW, en uit dien hoofde terecht een PV op 19 juli 1995 heeft opgesteld;

Overwegende dat de controle-ambtenaar, na vaststelling van de bewijskracht van de gevoerde boekhouding, de omzet van appellante heeft bepaald aan de hand van de forfaitaire regeling geldend voor het aanslagjaar 1993 ten overstaan van kleinhandelaars in diverse textiel-en lederwaren;

Dat appellante weliswaar terecht stelt dat de in art. 56 Wb­BTW voorziene forfaitaire regeling van aanslag geen “wettelijk vermoeden” is zoals bedoeld in art 342, § 1, WIB 92, doch dat zulks geenszins uitsluit dat de BTW-Administratie hiervan gebruik vermag te maken ter bepaling van de omzet - en de hierop verschuldigde belasting - bij afwezigheid van bewijskrachtige gegevens van de belastingplichtige zelf;

Dat immers de forfaitaire regeling van art. 56, Wb-BTW - ook al is zij niet als bewijstechniek gerangschikt in art. 59 van dit Wetboek - onmiskenbaar gesteund is op vermoedens, en dienvolgens te allen tijde als een “feitelijk vermoeden” - in de zin van art. 1349 B.W. en art 59 Wb-BTW - kan worden aangewend ter bepaling der belastbare grondslag;

Dat het feit dat appellante voorhoudt dat dit feitelijk vermoeden in BTW-aangelegenheden niet kan en mag worden gehanteerd, zou leiden tot de geheel absurde situatie dat de Administratie, na vaststelling van het gebrek aan bewijskracht der boekhouding, beroofd zou zijn van ieder dienstig gegeven ter bepaling der omzet en de verschuldigde rechten; dat dit standpunt dan ook inhoudt dat een BTW-belastingplichtige alle voordeel zou hebben met het voeren van een onregelmatige en totaal onbewijskrachtige boekhouding teneinde zodoende iedere heffing der belasting onmogelijk te maken; dat dit neerkomt op een duidelijke ontduiking der belasting, wat geenszins is te verantwoorden;

Overwegende dat bovendien appellante te dezen geheel uit het oog verliest dat de vastgestelde inbreuken werden gerelateerd in een proces-verbaal, dat krachtens art. 59, § 1 lid 2 Wb-BTW het bewijs oplevert, zolang het tegendeel niet is bewezen;

Dat in casu appellante terzake een fotocopie uit het ontvangstenboek voorbrengt, dat evenwel als totaal geïsoleerd stuk. uit de "beweerde" boekhouding geen enkel bewijs vermag op te leveren; dat inderdaad de daarin opgenomen vermeldingen niet toelaten de juistheid te controleren bij gebrek aan verantwoordingsstukken;

Dat dan ook tot op heden appellante in gebreke blijft het bewijs te leveren van de onjuistheid van de in het PV d.d. 19 juli 1995 opgenomen vermeldingen, en zodoende geen gronden aanvoert die van aard zijn het dwangbevel d.d. 18 december 1997, uitvoerbaar verklaard op 22 december 1997, te horen herzien en van nul en generlei waarde te horen verklaren;

Dat dienvolgens het verzet tegen het dwangbevel geheel ongegrond is, en de bestreden vonnissen - in zoverre zij de principiële ongegrondheid van dit verzet bevestigen - mede om de vorenstaande consideransen dienen te worden bevestigd;

Overwegende dat de eerste rechter bij het bestreden eindvonnis d.d. 16 maart 1999 evenwel de meeromzet heeft bepaald op … BEF, en de herberekening der belasting dienovereenkomstig heeft bevolen, stellende dat de Administratie niet aantoont dat de door appellante verleende kortingen ten bedrage van … BEF niet zijn bewezen;

Dat geïntimeerde deze vaststellingen nadrukkelijk aanvecht, aanvoerende dat de redengeving van de eerste rechter desbetreffend volkomen tegenstrijdig is, daar enerzijds de bewijskracht der boekhouding wordt verworpen en anderzijds hierop wordt gesteund \vat de in rekening gebrachte kortingen betreft;

Overwegende dat uit de voorgebrachte stukken blijkt dat de boekhouding van appellante als niet bewijskrachtig werd verworpen ingevolge de bij P.V. d.d. 19 juli 1995 vastgestelde inbreuken op de BTW-reglementering;

Dat dan ook aan deze boekhouding geen bewijskracht toekomt wat de erin opgenomen vermeldingen in zake verleende kortingen betreft; dat het te dezen, in tegenstelling tot wat de eerste rechter aanneemt, aan appellante en niet aan geïntimeerde behoort het bewijs te leveren van het bestaan der beweerde kortingen; dat immers in casu de belastbare omzet werd bepaald op grond van de gegevens opgenomen in een proces-verbaal, dat krachtens art. 56 Wb.-BTW geldt tot het bewijs van het tegendeel; dat tot op heden appellante in gebreke blijft dit tegendeel te bewijzen, zodat er dan ook geen redenen aanwijsbaar zijn tot vermindering van de vooropgestelde omzet en de hieruit volgende verschuldigde belastingen;

Dat dienvolgens wat dit onderdeel betreft, de eerste rechter onjuist heeft geoordeeld, en het vonnis d.d. 16 maart 1999 in vorenstaande zin dient te worden gewijzigd;


Overwegende dat, rekening houdende met de hierboven gedane vaststellingen, het verzet van appellante tegen het kwestieuze dwangbevel geheel ongegrond is.

Dat dienvolgens het hoger beroep tegen de bestreden vonnissen ongegrond is, en het incidenteel beroep van geïntimeerde tegen het vonnis d.d. 16 maart 1999 gegrond is; dat zodoende dit vonnis niet kan behouden blijven en dient gewijzigd.

Dat het te dezen gepast is appellante te verwijzen in de kosten der beide instanties, zoals hierna begroot;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend;

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond;

Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde toelaatbaar en gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis d.d. 2 februari 1999;

Wijzigt het bestreden vonnis d.d. 16 maart 1999 en opnieuw recht doende, verklaart het verzet tegen het dwangbevel ongegrond;

Verwijst appellante in de kosten van beide instanties tot op heden in hun geheel begroot aan de zijde van geïntimeerde op:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EURO

- rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten : … EURO

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EURO,

dit volgens opgave in conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van NEGENTIEN MAART TWEEDUIZENDENTWEE.

waar aanwezig waren :

R. T., Voorzitter;

A. W. en G. d. P., Raadsheren;

A. v. L., Griffier.

A. V. L. G. D. P. A. W. R. T.