Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel, teruggaaf van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 2 juni 2010

Zoeken

Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel, teruggaaf van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-bewijs-controlemaatregel-teruggaaf-rechtbank-brussel-2010-06-02-4537

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
2 juni 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

82 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 02.06.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 36ste Kamer

AR 2002/6572/A

- Federale Belastingen – BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De NV V. I., met maatschappelijke zetel te …, … en met KBO-nummer …,

eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. Ph. V. loco Mr. S. S., advocaat te …, … (ref. : /),

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-kantoor te Vilvoorde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. D. B. loco Mr. A. D., advocaat te …, … (ref. : …)

In deze zaak, in beraad genomen op 05/05/2010, spreekt de rechtbank het

navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift op grond van artikel 1385decies Ger.W. uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie op 04/06/2002;

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 16/01/2009;

• de conclusies en de aanvullende conclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 06/04/2005 en 08/10/2007;

• de besluiten voor eiseres, neergelegd ter griffie op 31/01/2007;

• de stukken van eiseres, neergelegd ter griffie op 22/09/2009; en

• de stukken van verweerder, neergelegd ter zitting op 04/05/2010.

Gehoord, ter openbare zitting van 05/05/2010, de raadslieden van partijen, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

1. Op 28/02/2001 en 26/09/2001 werd door de diensten van verweerder een controle uitgevoerd bij eiseres. Naar aanleiding van deze controle werd een regularisatieopgave gedaan, doch eiseres kon zich hiermee slechts gedeeltelijk akkoord verklaren (stukken 2 en 3 verweerder).

Op basis van deze controle werd op 29/10/2001 een proces-verbaal opgesteld. Hierin werden de volgende inbreuken op de BTW-regelgeving vastgesteld :

1. niet in het bezit van een regelmatige factuur voor een aantal goederen waarvan de BTW in aftrek werden gebracht (eiseres verklaarde zich hiermee akkoord);

2. inbreuken op de teruggave-regeling : onregelmatigheid vastgesteld in verband met kredietnota's (geen teruggaafregister, onduidelijke of onjuiste vermeldingen, geen bewijs van verzending aan afnemers).

Bijgevolg werd vastgesteld dat nog verschuldigd was :

- BTW : 14.455,81 euro (voorheen 583.146 BEF);

- geldboete : 1.487,78 euro (voorheen 58.000 BEF);

- intresten : p.m.

Daar betaling uitbleef gingen de diensten van verweerder op 28/02/2002 over tot het uitvaardigen van een dwangbevel met referentie RCIV nr. …. Dit dwangbevel werd op 05/03/2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 04/0612002 legde eiseres een verzoekschrift neer op grond van artikel 1385decies Ger.W. waarbij vernoemd dwangbevel wordt betwist.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

2. De vordering van eiseres strekt ertoe het dwangbevel van 28/02/2002 te vernietigen en te zeggen dat de hierin vermelde BTW, boete of intresten niet verschuldigd zijn in de mate dat de BTW-administratie weigert aan eiseres het recht op teruggaaf van BTW te verlenen.

Tevens vordert eiseres de veroordeling van verweerder tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, meer intresten.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

3. Verweerder werpt geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering van eiseres op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van deze vordering. Deze is ontvankelijk.

3.2. Ten gronde

4.

4.1. Eiseres voert de volgende middelen aan. Op 28/12/2000 fuseerde eiseres met de NV F.. Bij nazicht bleek dat een aantal facturen uitgeschreven door de NV F. niet meer inbaar waren. Hiervoor werd een kredietnota opgesteld met het oog op een teruggave van BTW (vierde kwartaal 2000).

Eiseres is van oordeel dat zij recht op terugvordering van BTW heeft indien een factuur geheel of gedeeltelijk niet werd betaald. Het bewijs hiervan kan volgens de gemeenrechtelijke regels geleverd worden, met name door middel van haar eigen facturen.

4.2. Eiseres geeft een hele uitleg over de gemeenrechtelijke bewijsregels en de vermeende bewijswaarde van facturen, doch gaat hierbij volledig voorbij aan het feit dat de teruggaaf van BTW ingevolge de niet inbaarheid van facturen expliciet wordt geregeld in de BTW-wetgeving.

Ingevolge artikel 77, § 1, 7° W.BTW bestaat een recht op teruggaaf indien de schuldvordering geheel of ten dele is verloren gegaan.

Het KB nr. 4 van 29/1211969 regelt vervolgens de wijze waarop dit recht dient uitgeoefend te worden. In artikel 4, zoals van toepassing op huidig geschil, werd voorzien :

“§ 1 Om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval, gehouden is de in artikel 53, eerste lid, 3°, of artikel 53ter, 1°, van het Wetboek bedoelde aangifte in te dienen :

1° een verbeterend stuk opmaken met vermelding van het voor teruggaaf vatbare bedrag;

2° dat stuk inschrijven in een daartoe bestemd register;

3° in de gevallen bedoeld in artikel 79 van het Wetboek, aan de medecontractant een dubbel van dat stuk uitreiken voorzien van de vermelding : "BTW terug te storten aan de Staat in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht";

4° in geval van teruggaaf van de belasting betaald ter zake van een intracommunautaire verwerving van goederen of ter zake van een dienst of een levering van goederen waarvoor de belasting door de medecontractant is verschuldigd, de belasting aan de Staat terugstorten in de mate waarin hij ze oorspronkelijk in aftrek heeft gebracht. Die terugstorting vindt plaats door het bedrag ervan te begrijpen in het bedrag van de belasting dat is verschuldigd over het aangiftetijdvak waarin de teruggaaf wordt bekomen.

Door of vanwege de Minister van Financiën wordt geregeld hoe het verbeterend stuk moet worden opgemaakt en het register moet worden gehouden. Door of vanwege de Minister van Financiën kan, in de gevallen en onder de voorwaarden door of namens hem te bepalen, worden toegestaan dat het register op losse bladen wordt gehouden.

§ 2 Het in § 1, 2° bedoelde register moet op ieder verzoek van het hoofd van het controlekantoor waaronder de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon) ressorteert op dat kantoor worden overgelegd.

Indien het register niet wordt overgelegd moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de belasting terugstorten waarvan hij de teruggaaf heeft verkregen en die in het register had moeten zijn ingeschreven.

Het niet-overleggen van het register wordt vastgesteld bij proces-verbaal opgemaakt conform artikel 59 van het Wetboek. "

Door eiseres wordt niet betwist dat nooit een vereist register werd opgemaakt. Bijgevolg kan eiseres zich niet beroepen op dit recht op aftrek. § 2 van het geciteerde artikel is op dit punt duidelijk. De stelling van eiseres volgen zou bovendien tot gevolg hebben dat alle administratieve verplichtingen opgelegd aan de BTW-plichtigen totaal uitgehold zouden worden.

Bovendien werd in het proces-verbaal vastgesteld, en eiseres levert het tegenbewijs hiervan niet, dat de betreffende kredietnota's inhoudelijk gebrekkig werden opgesteld. Zo wordt telkens verwezen naar ''periode december 2000", maar blijkt dat er in die maand geen facturen werden uitgereikt. Het valt trouwens op dat eiseres deze vermelding onleesbaar heeft gemaakt in de facturen die werden overgemaakt aan verweerder na de controle en die voor deze rechtbank werden neergelegd. Blijkbaar vond eiseres het nodig om de facturen te manipuleren na controle. Dit ondersteunt slechts de stelling dat deze facturen totaal onbetrouwbaar zijn.

In het proces-verbaal werd bovendien vastgesteld dat op de facturen werd vermeld "annulatie factuur (facturen)" en dat enige verdere verwijzing naar vroeger uitgereikte facturen ontbrak. Op de facturen overgemaakt aan verweerder na controle en thans voor de rechtbank neergelegd is wel een verwijzing terug te vinden naar eerdere facturen. Ook hier blijkt eiseres dus na de controle facturen gewijzigd te hebben. Andermaal blijken de facturen waarop eiseres zich wenst te beroepen dus onbetrouwbaar.

Tot slot werd in het proces-verbaal vastgesteld, en het tegenbewijs wordt niet geleverd, dat niet wordt bewezen dat de betreffende kredietnota's - zoals vereist door artike14, § 1, 4° KB nr. 4 - werden verzonden aan de medecontractant. Deze vraag is thans des te acuter gelet op het feit dat de facturen klaarblijkelijk werden gewijzigd na de controle.

Alleen al op basis van deze onregelmatigheden konden de diensten van verweerder besluiten dat eiseres geen recht heeft op teruggaaf van de betreffende BTW. Enige onderzoek naar de verdere onregelmatigheden (verkeerde uitreiker op bepaalde facturen, foutief adres van bepaalde afnemers, geen enkele terugstorting BTW door afnemers) die door de diensten van verweerder werden vastgesteld is niet meer nodig.

De vordering van eiseres is ongegrond.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

5. Nu de vordering van eiseres niet gegrond is, worden de kosten van het geding ten laste van eiseres gelegd.

Partijen vorderen over en weer het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding op basis van de waarde van het aangevochten dwangbevel. Nu partijen geen afwijking van het basisbedrag vorderen, kan dit toegekend worden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch niet gegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding en begroot deze kosten in hoofde van verweerder op 1.100,00 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 2 juni 2010.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer J. V. B., toegevoegd rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. J. V. B.