---
title: "15 oktober 2004 · Voldoening van de belasting, bewijs · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 15 oktober 2004."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-rechtbank-brussel-2004-10-15-c7ee"
lang: "nl"
---

# Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

15 oktober 2004

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

158 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 15.10.2004

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33****ste** **KAMER**

**AR 03/2039/A**

*Fiscaal geschil – BTW*

*Op tegenspraak*

*Eindvonnis*

In zake van :

**Mter I. V. D. M.**, advocaat, in haar hoedanigheid van curator van de NV **E.-D.**, met maatschappelijke zetel te …, …, in faling ingevolge vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 23 maart 2004

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **P. P.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, administratie van de BTW, registratie en domeinen op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW­ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat, 21

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **B.** loco Mter **J. H.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 17 september 2004, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het tussenvonnis van deze rechtbank van 26 april 2004, waarbij de heropening der debatten werd bevolen, en de bij dit tussenvonnis reeds geviseerde vorige procedurestukken;

\- de besluiten na heropening der debatten van eiseres q.q., neergelegd ter griffie op 7 september 2004;

\- de besluiten na heropening der debatten van verweerder, neergelegd ter griffie op 9 september 2004.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 17 september 2004, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

De feiten en voorgaanden werden reeds omstandig uiteengezet in voormeld tussenvonnis van 26 april 2004. De rechtbank houdt deze uiteenzetting hier voor herhaald.

## III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres q.q. vraagt haar verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :

\- na opheffing van het bestreden dwangbevel;

\- te zeggen voor recht dat de inhoudingen bedoeld in [art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7), [1, § 3, leden 4 en 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art1) van het KB nr. 4, die verweerder doorvoerde als bewarende maatregel voor de in het bestreden dwangbevel gevorderde bedragen, dienen te worden opgeheven en dat bijgevolg de ingehouden bedragen dienen te worden vrijgegeven.

Ter zitting van 5 april 2004 vroeg eiseres q.q. - *in ondergeschikte orde* - de opgelegde boete kwijt te schelden of te verminderen.

Verder vraagt zij het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, noch mogelijkheid tot kantonnement.

Verweerder vraagt het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en de eis van eiseres q.q. tot terugstorting van de ingehouden BTW-bedragen af te wijzen.

B. BEOORDELING

### 1) Wat de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres q.q. betreft

Bij tussenvonnis van 26 april 2004 beval de rechtbank de heropening der debatten teneinde partijen toe te laten over de kwestie van de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres standpunt in te nemen en daarover te concluderen.

Overeenkomstig [art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7), [1, § 3, lid 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art1) van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake BTW lijkt de enige rechtsingang van verweer tegen de inhouding bedoeld in [art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7), [1, § 3, leden 4 en 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art1) van het KB nr. 4 die de belastingplichtige bezit, deze van verzet te zijn bedoeld in art. 1420 Ger. W., met name verzet bij de beslagrechter.

Partijen stellen evenwel dat eiseres q.q. in haar verzet van 30 januari 2003 de nietigheid van het dwangbevel van 1 oktober 2002 en bijgevolg de terugbetaling van de op 1 oktober 2002 ingehouden bedragen vordert.

Op geen enkel ogenblik betwist eiseres q.q. de inhouding van de BTW-tegoeden, die werd verricht bij toepassing van [art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7), [1, § 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art1) van het KB nr. 4.

Nu het in het verzet evenwel niet gaat over de opheffing van het beslag, maar over de grond van de zaak, nl. de verschuldigdheid van de sommen opgenomen in het dwangbevel van 1 oktober 2002, besluiten beide partijen dat de vordering van eiseres q.q. ontvankelijk is.

De rechtbank sluit zich hierbij aan. Derhalve dient de vordering van eiseres q.q. ontvankelijk te worden verklaard.

### 2) Ten gronde

#### a) Wat de vordering van eiseres q.q. in hoofdorde betreft

**2.a.1.** Eiseres q.q. stelt dat volgens verweerder werd vastgesteld dat de NV **E.-D.**, thans in faling, facturen uitschreef aan andere vennootschappen, die niet werden opgenomen of die voor een ander bedrag werden opgenomen in haar uitgaand factuurboek, en waarvan de verschuldigde BTW niet of niet volledig werd aangegeven in de ingediende BTW-aangiften. Verder werd vastgesteld dat de facturen in kwestie, ondanks de belangrijke bedragen, met contant geld werden vereffend. Alzo ontstaat volgens verweerder het vermoeden dat betrokken partijen een afspraak hadden, waarbij de NV **E.-D.**, thans in faling, fictieve facturen uitreikte, die de klanten moesten toelaten hun algemene onkosten en het bedrag van de daarop aftrekbare BTW fictief te verhogen.

Eiseres q.q. meent dat verweerder de geviseerde artikelen van het W.BTW (meer bepaald de artikelen 51, 53 en 64) toepast op niet bewezen feiten.

Zo wordt in het kwestieuze proces-verbaal verwezen naar onregelmatigheden teruggevonden bij de BVBA E.D.A en de NV **C.**. Eiseres q.q. wijst erop dat in de klantenhistoriek van de NV **E.-D.**, thans in faling, geen van beide vennootschappen voorkomt, maar dat deze wel voorkomen op de klantenlistings. In dat verband merkt eiseres q.q. op dat de onleesbare handtekening op deze documenten niet is voorafgegaan door de hoedanigheid van de ondertekenaar in de betreffende vennootschap.

Eiseres q.q. verklaart dan ook deze documenten niet te erkennen en stelt dat deze documenten haar niet tegenwerpelijk zijn bij gebreke aan afdoende identificatie van de ondertekenaar ervan.

Verder wijst eiseres q.q. erop dat de vermelding van een klant op klantenlistings, geproduceerd met behulp van haar boekhoudkundig programma, niet noodzakelijk impliceert dat er in het betreffende jaar ook daadwerkelijk een factuur werd opgesteld voor deze klant. Het informaticaprogramma Excellent van de NV **E.-D.**, thans in faling, vertoonde immers ernstige productiefouten.

Wat de facturaties aan de BVBA **M.**, de BVBA **T.** en de BVBA L.M.I. betreft, herhaalt eiseres q.q. dat de NV **E.-D.**, thans in faling, de litigieuze facturen uitgereikt, noch opgesteld heeft en dat deze laatste niet gehouden kan zijn door stukken die door anderen buiten haar medeweten en zonder haar kennis wederrechtelijk werden opgesteld.

Wat de inbreuken op de bepalingen van [art. 20 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) van 29 december 1992 betreft, waarbij de verlegging van de heffing ten onrechte werd toegepast, wijst eiseres q.q. erop dat het hier de facturatie aan de Franse vennootschap **N. E. I.** betreft. Aan deze vennootschap werd pas op het einde van de werken een BTW-nummer in België toegekend, op basis waarvan verlegging van heffing mogelijk is. Eiseres q.q. stelt de boekhouding van de NV **E.-D.**, thans in faling, geregulariseerd te hebben.

**2.a.2.** Met reden stelt verweerder dat de administratie, krachtens art. 59, § 1 W.BTW, de mogelijkheid heeft om het bewijs van de overtredingen van de bepalingen van het W.BTW of van de ter uitvoering ervan genomen regelen, alsmede de feiten die de verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, met name aan de hand van vermoedens te leveren.

Verweerder stelt dat de in het proces-verbaal van 17 september 2002 opgesomde feiten aantonen dat niet alle verschuldigde BTW door de NV **E.-D.**, thans in faling, werd voldaan, en het systematisch niet of foutief boeken van facturen doet volgens hem het vermoeden ontstaan van frauduleuze bedoelingen, nl. het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Zelfs indien het vermoeden van frauduleuze handelingen niet zou worden aangenomen, blijft nog art. 51, § 1, 3° W.BTW onverminderd van kracht en is de BTW verschuldigd.

Verweerder wijst erop dat de in de leveranciershistoriek van de BVBA E.D.A. en de NV **C.** teruggevonden facturen niet voorkomen in de klantenhistoriek van de NV **E.-D.**, thans in faling. Het argument van eiseres q.q. dat deze facturen buiten het medeweten van de NV **E.-D.**, thans in faling, en zonder enige kennis ervan, wederrechtelijk door anderen werden opgesteld, wordt, zoals verweerder terecht opmerkt, tegengesproken door het feit dat beide vennootschappen werden opgenomen in de door de NV **E.-D.**, thans in faling, ter uitvoering van art. 53quinquies W.BTW voor het jaar 2000 ingediende klantenlisting.

Bovendien wordt het argument van eiseres q.q. eveneens weerlegd aan de hand van de volgende facturen waarop dezelfde paraaf voorkomt onder de melding '*Voldaan*', in hetzelfde handschrift en met dezelfde lay-out en gelijkaardige nummering als op de geboekte facturen 20/2/1 van 1 oktober 2000 aan de BVBA **M.** en 20/172 van 31 mei 2000 aan de BVBA L.M.I. :

\- de factuur 20/284 van 4 oktober 2000 aan de BVBA **T.**;

\- de factuur 20/283 van 30 september 2000 aan de BVBA E.D.A.

Op dezelfde datum als de klantenlisting 1999 werd de BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van het vierde kwartaal 1999 met dezelfde handtekening ondertekend, en zoals verweerder terecht opmerkt heeft de NV **E.-D.**, thans in faling, de geldigheid van deze aangifte op geen enkel ogenblik betwist.

Verweerder houdt dan ook met reden voor dat door het feit dat de NV **E.-D.**, thans in faling, voor ieder gecontroleerd jaar slechts één klantenlisting indiende en dat de BTW-aangifte met dezelfde handtekening als op de klantenlisting als origineel wordt erkend, de administratie geen enkele aanwijzing heeft om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de handtekening op die stukken. Op vraag van verweerder aanvaardt de rechtbank dan ook deze klantenlisting als bewijsstuk.

Het argument van eiseres q.q. dat het informaticaprogramma Excellent van de NV **E.-D.**, thans in faling, ernstige productiefouten vertoonde en de daaraan door eiseres q.q. verbonden gevolgen, kan de rechtbank niet bijtreden. Door een fout in de programmatie van het programma is het mogelijk dat bepaalde ingebrachte gegevens niet worden opgenomen in dit rapport, maar het is onmogelijk dat niet-ingebrachte gegevens worden weergegeven in het gevraagde rapport, zoals verweerder terecht voorhoudt.

Verder was het gebruik van het boekhoudpakket Excellent de vrije keuze van de NV **E.-D.**, thans in faling, en moet zij dan ook de gevolgen van deze keuze dragen.

Wat de inbreuken op de bepalingen van [art. 20 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) betreft, merkt verweerder met reden op dat hoewel de Franse vennootschap sinds 6 augustus 1999 wel over een Belgisch BTW-nummer beschikte, dit geen verschil maakt voorde regeling die voordien van toepassing was. Terecht wijst verweerder erop dat de NV **E.-D.**, thans in faling, op 6 augustus 1999 zelf nog een factuur uitreikte met vermelding van het Franse identificatienummer, zodat zij over die factuur BTW verschuldigd blijft.

Verder merkt verweerder nog terecht op dat een voorstel tot regularisatie nadat door de administratie een controle van de boekhouding heeft plaatsgevonden, niet als een spontane regularisatie kan worden aangemerkt. Verweerder stelt dan ook niet gehouden te zijn deze voorgestelde regularisatie te aanvaarden en de normale procedure te willen volgen, d.i. rechtzetting van de vastgestelde overtredingen ofwel na ondertekening van een correctieopgave met schulderkentenis ofwel na opstelling van een proces-verbaal, telkens met invordering via de postrekening BTW­ontvangsten te ….

Derhalve dient de vordering van eiseres q.q., zoals geformuleerd in hoofdorde, te worden afgewezen.

##### b) Wat de vordering van eiseres q.q. in subsidiaire orde betreft

**2.b.1.** Eiseres q.q. stelt in ondergeschikte orde dat de boete gelijk aan tweemaal de verschuldigde BTW niet van toepassing kan zijn, nu de NV **E.-D.**, thans in faling, geen weet had van fraudepraktijken die door enkele bedrijven werden begaan, die in de pers werden vermeld, en verweerder verder de overtredingen moet bewijzen wil hij verhogingen opleggen.

**2.b.2.** Verweerder stelt dat de door de NV **E.-D.**, thans in faling, gepleegde inbreuken op het BTW-systeem zwaar genoeg zijn om de toepassing van de in art. 70, § 1 W.BTW bepaalde wettelijke boete te rechtvaardigen.

Volgens verweerder bestaat de enige taak van de rechter - wat de fiscale boeten betreft - erin zich te vergewissen of ze wettelijk verschuldigd zijn en juist werden bepaald. Verweerder meent dat aan de rechter de bevoegdheid is ontnomen tussen te komen bij de bepaling van het bedrag van deze wettelijke boeten. Het behoort volgens verweerder evenmin tot de bevoegdheid van de rechter om kwijtschelding of vermindering van fiscale boeten toe te staan.

**2.b.3.** De rechtbank kan geenszins akkoord gaan met de minimalistische opvattingen van verweerder over de rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten.

Zij meent dat de rechter aan wie wordt gevraagd een administratieve sanctie, die een repressief karakter in de zin van art. 6 EVRM heeft, te toetsen, de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen (zie : Cass., 5 februari 1999 (twee arresten), Arr. Cass., 1999, 142; Fisc. Act., 1999, nr. 13, p. 5; Fiscoloog, 1999, nr. 698, p. 6; F.J.F., 1999, 227; J.D.F., 1999, 201; J.L.M.B., 1999, 541; R. Cass., 2000, 219; R.C.J.B., 2002, 573; R.W., 1998-99, 1352; T.F.R., 1999, 381; Cass., 24 januari 2002 (twee arresten), A.F.T., 2002, 201; R.W., 2002-2003, 1017 en 1018).

Nu dient te worden aangenomen dat een administratieve sanctie inzake belasting een strafsanctie kan zijn in de zin van de artikelen 6 EVRM en 14 BUPO-Verdrag (zie : Cass., 5 februari 1999, voormeld; [Cass., 25 mei 1999](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-fiscale-boete-strafrechtelijk-karakter-cassatie-brussel-1999-05-25-2a82), Arr. Cass., 1999; 719; Fisc. Act., 1999, nr. 22, p. 3; F.J.F., 1999, 323; J.D.F., 1999, 321; R.W., 2000-2001, 25), moet worden nagegaan, om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belasting dergelijk karakter heeft, of deze administratieve sanctie :

\- zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft;

\- een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt;

\- niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen;

\- stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfdertijd preventief en repressief is;

\- zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.

Indien, na afweging van al deze elementen, blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, moet de administratieve sanctie inzake belasting als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen worden beschouwd (zie : [Cass., 25 mei 1999](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-fiscale-boete-strafrechtelijk-karakter-cassatie-brussel-1999-05-25-2a82), voormeld).

Deze voorwaarden waren voorheen reeds door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitgewerkt in de zaken Engel (E.H.R.M., 6 juni 1976, Publ. E.C.H.R., Series A, nr. 22), Öztürk (E.H.R.M., 21 februari 1984, Publ. E.C.H.R, Series A, nr. 73) en Lutz (E.H.R.M., 25 augustus 1987, Publ. E.C.H.R., Series A, nr. 123).

De rechtbank meent dat de administratieve geldboete in casu aan de voormelde voorwaarden voldoet. Ze treft elke belastingplichtige, en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut. Ze schrijft tevens een bepaald gedrag voor en stelt op de niet-naleving daarvan een sanctie. Door de hoogte van de boete betreft het niet slechts de vergoeding van schade, maar essentieel een straf. Het oogmerk van de boete is door zijn hoogte tegelijk repressief en preventief te noemen. Bovendien kan de boete zwaar worden genoemd.

Zodoende valt deze boete onder de toepassing van art. 6 EVRM (in dezelfde zin, zie : MAUS, M., "Kanttekeningen rond de fiscaal-administratieve sancties en de fiscale geschillenprocedure in het licht van art. 6 EVRM", T.F.R., 1999, 338-339).

Ingevolge voormelde cassatierechtspraak van 24 januari 2002 kan de rechtbank de evenredigheid van een opgelegde BTW-boete onderzoeken en desgevallend verminderen indien blijkt dat de opgelegde sanctie onevenredig is met de gepleegde inbreuk. De rechtbank moet kunnen oordelen of de bestuurlijke sanctie evenredig is aan de vastgestelde feiten (MAUS, M., op. cit., 345).

Het toetsingsrecht, waarover de rechtbank met betrekking tot administratieve sancties beschikt, laat haar met name toe na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het haar staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Daarbij mag de rechtbank inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld.

Rekening houdende met hetgeen voorafgaat en met de omstandigheden eigen aan deze zaak, oordeelt de rechtbank dat de BTW-boete in casu niet onevenredig is met de gepleegde inbreuk.

Derhalve dient de vordering van eiseres q.q., zoals geformuleerd in ondergeschikte orde, eveneens te worden afgewezen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 193 5 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, op **tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van Mter **V. d. M.** q.q. ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt Mter **V. d. M.** q.q. tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op 349,53 euro (RPV) + 58,25 euro (bijkomende RPV), en ten aanzien van haarzelf op 115,92 euro (dagvaarding) + 349,53 euro (RPV) + 58,25 euro (bijkomende RPV).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van **15.10.2004**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V.**, alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw **B.**, afgevaardigd adjunct-griffier.

**B.** **V.**

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33****ste** **KAMER**

**AR 03/2039/A**

*Fiscaal geschil – BTW*

*Op tegenspraak*

*Vonnis alvorens recht : heropening der debatten vastgesteld op 17.09.04 om 8u45 voor 20 minuten*

Inzake van :

**Mter I. V. D. M.**, advocaat, in haar hoedanigheid van curator van de NV **E.-D.**, met maatschappelijke zetel te …, …, in faling ingevolge vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 23 maart 2004.

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **P. P.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, registratie en domeinen op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW­ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat, 32

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mter **J. D. S.** loco Mter **J. H.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 5 april 2004, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van **A. V. d. D.**, plaatsvervangend gerechtsdeunvaarder van gerechtsdeunvaarder **J V.** te …, betekend op 30 januari 2003, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen in der minne van deze rechtbank van 14 februari 2003;

\- de besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 11 april 2003, op 23 juli 2003 en op 6 november 2003;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van de **E.-D.**, neergelegd ter griffie respectievelijk op 12 juni 2003 en op 10 oktober 2003.

Ter zitting van 5 april 2003 verklaarde de raadsman van de NV **E.-D.** dat zijn cliënte bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 23 maart 2004 failliet werd verklaard, dat Mter **I. V. d. M.** als curator werd aangesteld en dat deze laatste hem verzocht heeft de zaak voor de curatele te pleiten.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 5 april 2004, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 193 5 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

Sedert 1 oktober 1993 is de NV **E.-D.** als BTW-belastingplichtige geregistreerd.

Bij de NV **E.-D.** werd een BTW-controle uitgevoerd voor de periode van 1 januari 1999 tot 31 december 2000.

Op 17 december 2002 werd een proces-verbaal opgesteld, waarin de door de Belgische Staat, huidig verweerder, vastgestelde overtredingen werden opgenomen, en waaruit bleek dat de NV **E.-D.** aan de administratie van de invordering, sector BTW de volgende sommen verschuldigd was :

\- als BTW : 246.971,27 euro

\- als wettelijke boeten : 439.942,54 euro

\- als interest krachtens art. 91, § 1 W.BTW te berekenen aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 1999 tot 20 januari 2002 over de verschuldigde BTW uitgedrukt in BEF afgerond naar het lager duizendtal en vanaf 21 januari 2002 over de verschuldigde BTW uitgedrukt in euro afgerond naar het lagere tiental euro : p.m.

Op 1 oktober 2002 vaardigde de Belgische Staat een dwangbevel uit.

Op 1 oktober 2002 betekende de Belgische Staat aan de NV **E.-D.** bij toepassing van art. 8, 1, § 3, lid 4 van het KB nr. 4 van 29 december 1993 de kennisgeving van een akte van inhouding ten bedrage van 39.599,99 euro, zijnde het belastingkrediet uit de rekening-courant op datum van 31 juli 2002.

Op 3 oktober 2002 werd dit dwangbevel aan de NV **E.-D.** betekend per aangetekende brief.

Op 8 oktober 2002 nam de Belgische Staat als bewarende maatregel op het zevende hypotheekkantoor te Brussel een hypothecaire inschrijving op de bergplaats en grond, eigendom van de NV **E.-D.**.

Op 5 december 2002 betekende de Belgische Staat aan de NV **E.-D.** bij toepassing van art. 8, 1, § 3, lid 4 van het KB nr. 4 van 29 december 1993 de kennisgeving van een akte van inhouding ten bedrage van 44.564,28 euro, zijnde het belastingkrediet uit de rekening-courant op datum van 31 oktober 2002.

Op 30 januari 2003 ging de NV **E.-D.** over tot dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel.

Op 23 maart 2004 werd de NV **E.-D.** failliet verklaard en werd Mter **V. d. M.**, huidige eiseres q.q., als curator aangesteld.

## III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres q.q. vraagt haar verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond te verklaren en haar eis tot terugstorting van de ingehouden BTW-bedragen toe te kennen.

Ter zitting van 5 april 2004 vroeg eiseres q.q. - *in ondergeschikte orde* - de opgelegde boete kwijt te schelden of te verminderen.

Verder vraagt zij het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, noch mogelijkheid tot kantonnement.

Verweerder vraagt het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de eis van eiseres q.q tot terugstorting van de ingehouden BTW­bedragen af te wijzen

B. BEOORDELING : wat de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres betreft

In het exploot van dagvaarding houdende verzet van eiseres van 30 januari 2003 vraagt deze “*terugvordering van de ingehouden BTW-bedragen genomen in uitvoering van de akte van inhouding*” van 1 oktober 2002.

Ook in het beschikkend gedeelte van de dagvaarding wordt gevraagd “*dat de ingehouden BTW-bedragen op basis van de akte van inhouding d.d. 01.10.02 moeten teruggestort worden aan verzoekster*”.

Tijdens het beraad is bij de rechtbank de vraag naar de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres gerezen, dit op grond van [art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7), [1, § 3, lid 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art1) van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake BTW. Overeenkomstig deze bepaling lijkt de enige rechtsingang van verweer tegen de inhouding bedoeld in [art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7), [1, § 3, leden 4 en 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art1) van het KB nr. 4 die de belastingplichtige bezit, deze van verzet te zijn bedoeld in art. 1420 Ger. W., met name verzet bij de beslagrechter.

Nu partijen over deze kwestie geen standpunt hebben ingenomen, past het tot een heropening der debatten over te gaan.

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, op **tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Alvorens recht te doen, beveelt een heropening der debatten op de openbare terechtzitting van de **33****ste** **Kamer** van de rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op datum van **17.09.2004 om 8.45 uur** met een pleidooiduur van 20 minuten teneinde partijen toe te laten over voormelde kwestie van de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres standpunt in te nemen en daarover te concluderen.

Houdt de kosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van **26.04.04**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V.**, alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw **B.**, afgevaardigd adjunct-griffier.

**B.** **V.**

## Aangehaalde teksten

3

[KB nr. 4 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 6 voorkomens

[KB nr. 4 art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 6 voorkomens

[KB nr. 1 art. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) 2 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Materiële voorwaarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-materiele-voorwaarde-btw-cassatie-brussel-2021-01-29-0dbd) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek, Valse factuur, Fictieve dienstprestaties, Fiscale geldboete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-valse-factuur-fictieve-dienstprestaties-rechtbank-bergen-2020-06-09-3a6d) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-hof-van-beroep-gent-2019-01-08-7a5c) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Regularisatieopgave, Minnelijke schikking, Schulderkentenis](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-regularisatieopgave-rechtbank-namen-2020-05-07-a524) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Paarden, Verlegging van de heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-paarden-verlegging-heffing-hof-van-beroep-antwerpen-2022-01-18-cf20) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar, Hoofdelijke aansprakelijkheid, Verlegging van de heffing, Medecontractant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-hoofdelijke-aansprakelijkheid-verlegging-hof-van-beroep-antwerpen-2022-02-15-e77d) 1 gemeenschappelijke bepalingen
