---
title: "7 februari 2002 · Voldoening van de belasting, bewijs · Hof van beroep te Antwerpen"
description: "Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel. Hof van beroep te Antwerpen (België), 7 februari 2002."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-bewijs-controlemaatregel-hof-van-beroep-antwerpen-2002-02-07-4c8d"
lang: "nl"
---

# Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

7 februari 2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

103 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 07.02.2002

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :**

Zitting van : **7 februari 2002**

**EINDARREST**

Inzake : **2001/AR/890**

**De BELGISCHE STAAT**, de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, IN DE PERSOON VAN DE REKENPLICHTIGE-ONTVANGER VAN HET EERSTE BTW-ONTVANGKANTOOR TE ANTWERPEN, waarvan de burelen gevestigd zijn te Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

**appellant,**

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 23 februari 2001,

vertegenwoordigd door Mr. **J. P.** loco Mr. **M. V. H.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

Samenwerkende vennootschap van de **A. R.- en V.**, in het kort e.v. S.A.F., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **F. V.**, advocaat te …, …;

---

## 1. De antecedenten en de vorderingen

De Belgische Staat heeft op 08.05.1996 in hoofde van C.V. S.A.F. een ambtelijke aanslag gevestigd, waarbij voor de jaren 1991, 1992 en 1993 van haar betaling werd gevorderd van :

BTW op niet aangegeven omzet 87.620,07 EUR

BTW op niet gefactureerde aankopen 60.844,72 EUR

boete art. 70, § 1 W.BTW 200 % 296.929,59 EUR

boete wegens niet bewaren van bestelbons en 2.478,94 EUR

leveringsbons art. 70, § 4, 1 e lid W.BTW

Ter invordering hiervan werd op 20.05.1996 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 29.05.1996 uitvoerbaar werd verklaard.

C.V. S.A.F. heeft op 05.06.1996 tegen dit dwangbevel verzet ingesteld en de Belgische Staat doen dagvaarden om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, teneinde het dwangbevel van nul en generlei waarde te horen verklaren, haar te horen ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde bedragen en de Belgische Staat te horen veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen die in dit dwangbevel zijn vermeld.

Voor de eerste rechter verminderde de Belgische Staat haar vordering tot de BTW op de niet aangegeven omzet (87.620,07 EUR) een boete van 200 % daarop (175.240,15 EUR) en de boete van 2.478,94 EUR.

In het bestreden vonnis d.d. 23.02.2001 verklaarde de eerste rechter de vordering gegrond behalve in zoverre zij betrekking had op de boete van 2.478,94 EUR.

De Belgische Staat heeft op 02.04.2001 hoger beroep ingesteld. Hij besluit tot de ongegrondheid van het verzet.

C.V. S.A.F. besluit tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van het hoger beroep. Zij vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en vraagt dat dienvolgens het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde zou worden verklaard, haar te horen ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde bedragen en de Belgische Staat te horen veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerékend werden op de sommen die in dit dwangbevel zijn vermeld.

## 2. Beoordeling

Het doel en de grondslag van de vorderingen werden, zo in feite als in rechte, in de hieraan voorafgaande procedurestukken uiteengezet. Het hof verwijst ernaar.

### 2.1. De toelaatbaarheid van het hoger beroep

C.V. S.A.F. duidt geen grond tot ontoelaatbaarheid aan en het hof vond geen ambtshalve in te roepen ontoelaatbaarheidsexceptie. Op de zitting van 11.01.2002 waren de partijen het erover eens dat de toelaatbaarheid van het hoger beroep niet werd betwist. Het hof verklaart dit hoger beroep daarom toelaatbaar.

### 2.2. De grond van de zaak

#### 2.2.1. De toepassingsvoorwaarden van art. 66 W.BTW

**2.2.1.1.** De bestreden ambtelijke aanslag is gesteund op de overweging *“dat de C.V. S.A.F. : a) voor de jaren 1991 en 1992 bestelbons en leveringsbons niet heeft bewaard en bijgevolg ook niet voorgelegd niettegenstaande deze verplichtingen zijn opgenomen in* [*artikel 60*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) *en* [*61*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) *van het BTW-Wetboek (oud); b) voor het jaar 1993 ten aanzien van belastbare handelingen facturen heeft uitgereikt waarin de naam en het adres van de bij de handelingen betrokken partijen niet juist zijn vermeld ... “*

Waar buiten betwisting staat dat de bestel- en leveringsbons voor de jaren 1991 en 1992 niet konden worden getoond toen erom werd gevraagd, betwist C.V. S.A.F. de onder b) aangemerkte inbreuk, onder meer aanvoerend dat zij naast haar groothandelsactiviteiten ook een kleinhandel uitbaat en derhalve vrijgesteld is van het uitreiken van facturen voor de verkopen aan particulieren. C.V. S.A.F. vecht niet aan dat er globale facturen werden opgesteld, die niet de in [art. 5, § 1, 3° van KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) d.d. 29.12.1992 voorgeschreven vermeldingen bevatten.

**2.2.1.2.** Uit een proces-verbaal van vaststelling d.d. 11.01.1996 blijkt dat C.V. S.A.F. *“als BTW-belastingplichtige geregistreerd is onder nr. … met als activiteit groothandel in diverse producten, uitsluitend voor slagerijen, met uitzondering van vlees en vleeswaren”*. In de brief d.d. 11.03.1996, waaraan o.m. een kopie van dit proces-verbaal was gehecht, verklaarde de Belgische Staat dat C.V. S.A.F. *“voor wat de periode 1 januari 1993 tot en met 31.12.1993 ten aanzien van belastbare handelingen facturen heeft uitgereikt waarin de naam en het adres van de bij de handelingen betrokken partijen niet juist zijn vermeld”*. Na het in art 53, 2° W.BTW vastgelegde principe van de facturatieplicht te hebben weergegeven en melding te hebben gemaakt van [art. 5, § 1, 3° van KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) en van art. 1, § 2, 6° en 8° van dit KB, stelde de Belgische Staat *“tijdens deze periode heeft u navolgende, belastbare werkzaamheid uitgevoerd nl. groothandel in diverse producten, uitsluitend voor slagerijen, met uitzondering van vlees en vleeswaren”.*

In haar antwoord d.d. 10.04.1996 repliceerde C.V. S.A.F. hierop door aan te voeren dat haar activiteit geenszins beperkt is tot groothandel en dat zij daarom niet kan worden aangemerkt als een voortbrengers- of een grossiers bedrijf in de zin van [art. 1, § 2, 8° van KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) en dat zij daarvoor naar haar .statutair doel verwees. Daarenboven bracht zij naar voor over een winkelinrichting te …, … te beschikken die specifiek is bestemd voor de verkoop aan particulieren. Zij verweet de Belgische Staat deze beide elementen te negeren en niet te bewijzen dat zij een voortbrengers- of grossiersbedrijf was.

In de ambtelijke aanslag antwoordde de Belgische Staat hierop o.m. dat :

• de winkel in de … een cliënteel had dat “hoofdzakelijk” bestond uit slagers, dat de aard en de conditionering van de verkochte goederen in beide vestigingen van C.V. S.A.F. identiek was en gericht op afnemers die de goederen bestemmen voor de uitoefening van hun economische activiteit;

• dat de in art. 1, § 2, 1° lid KB nr. 1 d.d. 29.12.1992 bedoelde ontheffing niet geldt voor voortbrengers- of grossierbedrijven die niet bijzonder ingericht zijn in het klein;

• dat C.V. S.A.F. niet bewijst te beschikken over een bijzondere inrichting voor verkoop in het klein;

• dat de goederen worden verkocht in hoeveelheden die gelet op hun aard of hun conditionering kennelijk bestemd zijn voor economisch gebruik.

**2.2.1.3.** Krachtens art. 53, § 1, 2° W.BTW (volgens de vanaf 01.01.1993 van toepassing zijnde tekst) zijn de belastingplichtigen gehouden een factuur uit te reiken voor de door hen verrichte leveringen van goederen en voor de door hen verstrekte diensten. Krachtens [art. 1, § 2 van KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) d.d. 29.12.1992 zijn de belastingplichtigen ervan ontheven een factuur uit te reiken wanneer zij goederen leveren of diensten verstrekken aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik. Deze bepaling vervolgt dat de ontheffing niet van toepassing is op de van 1° tot 11° vermelde handelingen. Daaronder bevinden zich *“6° de leveringen die betrekkingen hebben op goederen die, gelet Op de aard ervan, de wijze waarop ze worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik, alsook de leveringen van goederen van de soort waarin de verkrijger handel drijft of die hij normaal bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit” en “8° de leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven”*.

**2.2.1.4.** Vermits de in art. 53, § 1, 2° W.BTW, opgenomen verplichting tot het uitschrijven van een factuur de regel is, behoort het de belastingplichtige, die van oordeel is van deze verplichting vrijgesteld te zijn, te bewijzen dat hij zich in de daartoe voorziene omstandigheden bevindt.

Zo de Belgische Staat niet betwist dat C.V. S.A.F. een vestiging heeft in de …, betwist hij wel dat het om een kleinhandelszaak gaat, en roept hij in dat er enkel een *“mogelijke geringe verkoop aan particulieren”* kan zijn.

Waar de Belgische Staat, zonder door C.V. S.A.F. te worden tegengesproken, zowel in het proces-verbaal d.d. 11.01.1996 als in de brief d.d. 11.03.1996 en in de ambtelijke aanslag. aanvoert dat C.V. S.A.F. als BTW-plichtige is geregistreerd voor de activiteit van groothandel, uitsluitend voor slagerijen, bewijst C.V. S.A.F. het bestaan van een kleinhandelszaak niet.

Het enkele feit dat zij een vestiging heeft in de … bewijst het bestaan van een aldaar gevestigde kleinhandel niet, evenmin als de verwijzing naar haar maatschappelijk doel. Dat een bepaalde activiteit in het maatschappelijk doel is opgenomen, bewijst immers niet dat deze activiteit ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

Door te vermelden dat globale facturen werden opgesteld voor een totaal bedrag van 259.895,04 EUR toont de Belgische Staat meteen aan dat het niet om toevallige overtredingen gaat.

De Belgische Staat heeft derhalve terecht vastgesteld dat, m.b.t. het jaar 1993, de in art. 66, tweede alinea W.BTW beschreven voorwaarde vervuld was opdat een ambtelijke aanslag kon worden gevestigd.

Uit de registratie als groothandel en een gebrek aan bewijs van het bestaan van een inrichting voor verkoop in het klein heeft de Belgische Staat terecht besloten dat C.V. S.A.F. zich in de in art. 66, tweede alinea W.BTW bedoelde situatie bevond. Dat geen boete voor het niet uitschrijven van facturen werd opgelegd, wijzigt daaraan niets.

**2.2.1.5.** Nu geen betwisting bestaat over het feit dat de bestel- en leveringsbons over de jaren 1991 en 1992 niet konden worden voorgelegd, zijn de grondvoorwaarden voor het vestigen van een ambtelijke aanslag vervuld.

#### 2.2.2. De vormvoorwaarden – art. 67 W.BTW – KB nr. 9

C.V. S.A.F. acht art. 67 W.BTW en K.B. nr. 9 d.d. 12.03.1970 geschonden omdat :

• de Belgische Staat·na ontvangst van haar antwoord, nog op 24.04.1996 een proces-verbaal van vaststelling opstelde teneinde zijn argumentatie m.b.t. de facturatieplicht te ondersteunen.

• de in de kennisgeving d.d. 11.03.1996 verstrekte inlichtingen inzake NV **O.** (waartegen het onderzoek werd gevoerd dat de Belgische Staat naar C.V. S.A.F. leidde) niet van aard waren haar toe te laten zich te verweren;

**2.2.2.1.** In de brief d.d. 11.03.1996 en de daaraan gehechte stukken, nl. de beide processen-verbaal en de nota, heeft de Belgische Staat op duidelijke en volledige wijze uiteengezet op welke gronden zij ertoe besloot dat de voorwaarden tot ambtshalve aanslag vervuld waren. Zij heeft zich duidelijk gesteund op de hoedanigheid van groothandel en de redactie van globale facturen die niet de in [art. 5, § 1, 3° van KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) d.d. 29.12.1992 voorgeschreven vermeldingen bevatten.

Dat de Belgische Staat in de ambtelijke aanslag gegevens vermeldde, die op 24.04.1996 werden opgenomen in een proces-verbaal van vaststelling, maakte de kennisgeving d.d. 11.03.1996 niet ontoereikend in de zin van art. 67 W.BTW en KB nr. 9 en had niet tot gevolg dat de termijn van een maand geen aanvang nam, vermits de Belgische Staat zich in de ambtelijke aanslag steunde op het gemis aan bewijs dat door C.V. S.A.F. diende geleverd en zich niet op dit proces-verbaal als bewijselement beriep.

Ten overvloede voegt het hof eraan toe dat het de Belgische Staat, die zich in het proces-verbaal d.d. 11.01.1996 en in de brief d.d. 11.03.1996 er uitdrukkelijk op had gesteund dat C.V. S.A.F. een groothandel was, toegelaten was de repliek van C.V. S.A.F., dat zij ook een kleinhandelsactiviteit had, te weerleggen zonder dat deze weerlegging aanleiding diende te geven tot een nieuwe kennisgeving vooraleer een ambtelijke aanslag kon worden gevestigd. Behoudens de niet heffing van de boete wegens het niet uitschrijven van facturen wijzigde de Belgische Staat immers niets aan de in [art. 1 van KB nr. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-9-betrekking-ambtelijke-aanslag-belasting-toegevoegde-b2ea#ar9-art1) d.d. 12.03.1970 bedoelde gegevens.

**2.2.2.2.** De Belgische Staat heeft bij haar kennisgeving d.d. 11.03.1996 de beide processen-verbaal d.d. 11.01.1996 en de begeleidende nota gevoegd, aan de hand waarvan op nauwkeurige wijze werd aangeduid op welke feiten de in het vooruitzicht gestelde aanslag zou worden gesteund, op welk tijdvak hij betrekking had, het vermoedelijk bedrag, de wijze waarop de belasting werd berekend en het bedrag van de geldboeten.

De Belgische Staat heeft in de kennisgeving en de bijlagen op precieze wijze aangeduid op grond van welke elementen hij besloot dat C.V. S.A.F. bij NV **O.** zwarte aankopen had gedaan, op welke wijze hij uit de boekhouding van NV **O.** deze zwarte aankopen had achterhaald en hoe hij de omvang ervan had berekend. De verstrekte gegevens waren ruim voldoende om C.V. S.A.F. toe te laten zich nauwkeurig en precies te verdedigen. De vraag, of de door de Belgische Staat voorgebrachte elementen bewijskrachtig waren, staat los van de vraag naar de kennisgeving in het licht van art. 67 W.BTW/KB nr. 9, maar staat in verband met de vraag of de aanslag al dan niet willekeurig en/of juist is. De bewijslast daarvan berust bij C.V. S.A.F.

#### 2.2.3. Het verweer tegen de aanslag

**2.2.3.1.** Eens vastgesteld dat de voorwaarden van art. 66 W.BTW waren voldaan en dat de Belgische Staat art. 67 W.BTW en KB nr. 9 heeft nageleefd, is het de taak van C.V. S.A.F. te bewijzen dat de aanslag hetzij willekeurig was, hetzij onjuist.

Het verweer van C.V. S.A.F. wordt gevoerd door een betwisting van de bewijswaarde van de elementen die de Belgische Staat voorlegt. Deze betwisting is onterecht :

\- Aan de hand van de voorgebrachte processen-verbaal uit de strafbundel ten laste van **O. d. B. W.** en **V. d. E. P.** (waarvoor op 10.02.1994 toelating tot inzage en kopiename werd verleend) bewijst de Belgische Staat (1) het gebruik van een boekhoudsysteem waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen officiële leveringen en zwarte leveringen en waarbij de zwarte leveringen werden aangeduid door de letter P, (2) dat er drie soorten verkoop waren : volledig officiële, volledig zwarte en leveringen die voor de helft officieel en voor de helft zwart waren.

\- Aan de hand van de computer gevoerde boekhouding stelde de Belgische Staat vast dat het klantnummer van C.V. S.A.F. S0070 was en uit een bestand waarin alle "P" leveringen waren opgenomen kon hij alle "P" leveringen die aan klant S0070 waren gedaan isoleren. De Belgische Staat heeft weliswaar het onderzoek in de boekhouding enkel in een nota, en niet in een proces-verbaal opgenomen, maar hij legt zowel de uit de strafbundel gelichte processen-verbaal voor, als de lijst met klantnummers, als de volledige outprint van de lijst met "P" verkopen aan klant S0070.

Aldus kon de Belgische Staat vaststellen dat tegenover nagenoeg iedere levering, waarvoor in de boekhouding van NV **O.** het dubbel van de uitgaande factuur bestond en in de boekhouding van C.V. S.A.F. een inkomende factuur, een identieke "P" levering stond, waarvoor bij NV **O.** geen uitgaande en bij C.V. S.A.F. geen inkomende factuur bestond.

C.V. S.A.F. merkt terecht op dat de Belgische Staat niet bewijst dat de curator van NV **O.** de toelating gaf om de computer, waarop de boekhouding zich bevond of de computerbestanden, waarop de boekhoudkundige gegevens zich bevonden, te bedienen. Enerzijds bewijst zij echter het gebrek aan toelating niet, anderzijds ziet het hof niet in hoe de Belgische Staat in staat zou zijn geweest de computer te bedienen, zo het niet was dat de curator daartoe toelating had gegeven en, meer nog, hetzij zelf, hetzij door het ter beschikking stellen van vroegere werknemers of contractanten van de failliet verklaarde vennootschap, het bedienen van de computer en het manipuleren van de bestanden mogelijk had gemaakt.

C.V. S.A.F. leidt uit de artikels 61 en 62 W.BTW onterecht af dat het de ambtenaren van de fiscus niet zou toegelaten zijn zelf de computer of de bestanden te bedienen, voor zover zij daarvoor toelating krijgen van de in art. 61 W.BTW aangewezen persoon (waarover buiten betwisting staat dat het, ingevolge het faillissement van NV **O.**, om de curator gaat). Mits toelating van de curator, die de Belgische Staat voorhoudt te hebben bekomen en waarvan C.V. S.A.F. het ontbreken niet bewijst ofschoon zij zich zelf in verbinding met de curator had kunnen stellen : na zich vertwijfeld te hebben afgevraagd wie de curator "**V. d. C.**" wel zou kunnen zijn, blijkt C.V. S.A.F. toch zeer goed te weten dat het om Mr. **C.** gaat - was er geen enkel beletsel opdat de ambtenaren van de fiscus daadwerkelijk zelf de computer bedienden.

C.V. S.A.F. verwijt het onterecht aan de Belgische Staat, haar in de onduidelijkheid te hebben gelaten over de wijze waarop de boekhoudkundige gegevens bij NV **O.** waren bekomen, nu de Belgische Staat daarover volledige duidelijkheid verschaft in de nota die reeds aan de brief d.d. 11.03.1996 was gehecht.

De Belgische Staat doet terecht gelden zijn onderzoeken eenzijdig te mogen uitvoeren, zodat het door de eerste rechter gemaakte verwijt, dat het onderzoek bij NV **O.** plaatsvond met schending van de rechten van verdediging van C.V. S.A.F. onterecht is.

**2.2.3.2.** Het feit dat de Belgische Staat inzag dat de aanslag onterecht gevestigd was voor wat de BTW. over de niet gefactureerde aankopen betreft en zijn vordering in die mate verminderde, maakt de aanslag niet willekeurig.

**2.2.3.3.** C.V. S.A.F. kan niet worden gevolgd waar zij een deskundigenonderzoek vraagt opdat de door de Belgische Staat gehanteerde verkoopprijzen en winstcoëfficiënten zouden worden getoetst aan de boekhouding. Enerzijds betwist C.V. S.A.F. niet dat de Belgische Staat zich heeft gesteund op een jaarstatistiek, die een opgave was van de gemiddelde verkoopprijzen per artikel rekening houdende met alle kortingen - en waaruit voortvloeit dat de gehanteerde verkoopcijfers niet willekeurig waren -, anderzijds staat vast dat de boekhouding van C.V. S.A.F. niet betrouwbaar is.

#### 2.2.4. De boete

Het hof stelt vast dat de in deze opgelegde administratieve boete van 200 % een strafsanctie in de zin van art. 6 EVRM en art. 14 van het BUPO verdrag is en dit door afweging van de volgende elementen : (a) het feit dat het om een boete gaat die iedere belastingplichtige treft, (b) dat zij een verplichting of een verbod betreft dat bij niet-nakoming gesanctioneerd wordt, (c) door twee maal de ontdoken belasting te omvatten niet het oogmerk heeft de eventueel geleden schade te herstellen doch erop gericht is herhaling te vermijden en het voorgevallen verboden gedrag te bestraffen en (d) de omvang ervan.

Eens vastgesteld dat déze boete een strafsanctie uitmaakt beschikt de rechter, die uitspraak moet doen over het verzet, over de volledige rechtsmacht om over de omvang van deze sanctie uitspraak te doen.

Het systematisch verrichten van zwarte aankopen van verpakkingsmateriaal heeft tot doel op permanent frauduleuze wijze handel te drijven en, nu C.V. S.A.F. een groothandelaar is die volgens haar BTW registratie uitsluitend aan kleinhandelaars levert leidt tot een cascade van belastbare verrichtingen die aan de fiscus worden onttrokken. Rekening houdend met de omvang van de fraude is een administratieve geldboete gelijk aan 100 % van de ontdoken belasting verantwoord.

De boete van 2.478,94 EUR voor het niet bewaren van bestelbons en leveringsbons staat buiten betwisting.

#### 2.2.6. Besluit

De voorgaande overwegingen brengen mee dat de aanslag gegrond is tot beloop van :

BTW op niet aangegeven omzet 87.620,07 EUR

boete 100 % 87.620,07 EUR

boete wegens niet bewaren stukken 2.478,94 EUR

177.719,08 EUR

### 2.3. De kosten van het geding

Gelet op het gelijk en liet ongelijk van elk der partijen, verwijst het hof elk der partijen in hun eigen kosten van het geding in beide aanleggen.

### Beschikkend gedeelte

## OM DIE REDENEN:

**HET HOF,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en deels gegrond;

Wijzigt het bestreden vonnis;

Verklaart de vordering van C.V. S.A.F. deels gegrond;

Zegt voor recht dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde BTW van 184.464,79 EUR wordt verminderd met 60.844,72 EUR en dat de geldboete wegens niet-tijdige betaling van de BTW van 296.926,86 EUR wordt verminderd met 209.306,79 EUR;

Veroordeelt de Belgische Staat tot de terugbetaling van alle bedragen die in strijd met deze verminderingen werden betaald of ingehouden en toegerekend;

Verwijst elke partij in de eigen kosten van het geding, zo in eerste aanleg als in hoger beroep.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van zeven februari tweeduizend en twee

waar aanwezig waren :

de heer **E. H.**, Raadsheer, wnd. Voorzitter;

de heer **E. L.**, Raadsheer;

de heer **J. E.**, Raadsheer;

mevrouw **G. V.**, Griffier.

**G. V.** **J. E.** **E. L.** **E. H.**

## Aangehaalde teksten

5

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) 2 voorkomens

[KB nr. 9 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-9-betrekking-ambtelijke-aanslag-belasting-toegevoegde-b2ea) 1 voorkomen

[WBTW art. 60](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) 1 voorkomen

[WBTW art. 61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Proportionele fiscale geldboeten, Administratieve sancties met een repressief karakter](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-administratieve-sancties-cassatie-brussel-2020-03-13-e05f) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-rechtbank-leuven-2002-09-06-06b7) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewaren van stukken, Vertrouwensbeginsel, Evenredigheidsbeginsel, Boetes, Proces-verbaal, Fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewaren-stukken-vertrouwensbeginsel-evenredigheidsbeginsel-hof-van-beroep-brussel-2013-05-22-2bce) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-recht-rechtbank-leuven-2007-06-15-ef8c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-weigering-boekhoudkundige-stukken-rechtbank-luxemburg-2024-12-18-ffcb) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetberekening, Onttrekking, Bewijskracht van de boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetberekening-onttrekking-bewijskracht-boekhouding-sociale-hof-van-beroep-gent-2022-06-14-170e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 2 gemeenschappelijke bepalingen
