Visitatierecht, Meeromzet, Feitelijke vermoedens, Proces-verbaal, Dwangbevel, Fiscale geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 14 juni 2021

Zoeken

Visitatierecht, Meeromzet, Feitelijke vermoedens, Proces-verbaal, Dwangbevel, Fiscale geldboete

https://juriel.be/nl/rechtspraak/visitatierecht-meeromzet-feitelijke-vermoedens-proces-rechtbank-brugge-2021-06-14-35fd

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
14 juni 2021

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

88 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank eerste aanleg van West-Vlaanderen, afdeling Brugge d.d. 14.06.2021

WF 708-15-15/024765

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Visitatierecht – Meeromzet – Feitelijke vermoedens – Proces-verbaal – Dwangbevel – Fiscale geldboete - Fraude

Wettelijke bepalingen

WBTW: artikelen 61, 62, 63, 70, §1 en 84, derde lid;

Koninklijk besluit nr. 41

Samenvatting

1) Voorafgaande feiten

Belastingplichtige (eiser) is btw-belastingplichtige voor de activiteit van café-uitbating. Eiser be-voorraadt zich bij een drankenhandel waarbij een gerechtelijk strafonderzoek werd geopend.

Op 1 september 2010 werd aan de BBI Brugge toelating verleend tot inzage van het strafdossier.

Daarop volgde een controle bij de klanten van de drankenhandel. Na controle bij eiser worden op 28 november 2014 de overtredingen en vaststellingen voor de jaren 2011 en 2012 in hoofde van eiser opgenomen in een proces-verbaal inzake btw. Volgens de administratie heeft eiser niet alle facturen van de drankenhandel opgenomen in zijn boekhouding.

Op 5 december 2014 wordt op basis van dit proces-verbaal, door de bevoegde ambtenaar, een dwangbevel uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard. Tegen dit dwangbevel wordt fiscaal verhaal aangetekend door eiser met een verzoekschrift op tegenspraak van 12 augustus 2015.

2) Vonnis rechtbank Brugge

a) Bewijs meeromzet:

Uit het dossier blijkt dat de leveringen per maand aan eiser deels werden gefactureerd op naam van eiser. Deze factuur bevindt zich in de boekhouding van eiser en er wordt geen leeggoed vermeld op deze factuur. De andere leveringen van de maand werden opgenomen in een factuur opgesteld op naam van ‘diverse klanten’ en met vermelding van het leveringsadres (zijnde de café van eiser). De facturatie van het leeggoed gebeurde op aparte facturen op naam van eiser en deze werden niet opgenomen in de boekhouding van eiser.

De btw-administratie heeft gedetailleerd de vergelijking gemaakt tussen de leveringsbons op naam van eiser (geleverde goederen en leeggoed), de verzamelfacturen opgenomen in de boekhouding van eiser en het leeggoed opgenomen in aparte verzamelfacturen. De bewering van eiser dat er geen afrekening of aanrekening van leeggoed gebeurde, is ongeloofwaardig. Uit de stukken blijkt het tegendeel. Door eiser werden ook de leveringsbons niet bewaard, alhoewel deze zeker werden opgemaakt.

Er is geen enkele reden voor de drankenhandel om het leeggoed op te nemen op de leveringsbons en te factureren op naam van eiser, indien deze gegevens niet zouden juist zijn. De drankenhandel had evenmin een reden om op de facturen op naam van ‘diverse klanten’ het leveringsadres van eiser te vermelden, als dit niet juist zou zijn. Bij vergelijkingen van alle stukken, kloppen de gegevens.

Op basis van bekende feiten is derhalve rechtsgeldig het bewijs geleverd door een vermoeden dat eiser meer leveringen heeft ontvangen dan werd gefactureerd. De brutowinst die door eiser niet werd aangegeven, is berekend op basis van de niet geboekte leveringen (gefactureerd op naam van ‘diverse klanten’ en geleverd in het café van eiser) die blijken uit de vergelijkingen en met toepassing van het forfait voor caféhouders.

Er is geen sprake van willekeur en/of opeenstapeling van vermoedens.

b) de boete

Een administratieve boete van 200 % op het verschuldigde btw-bedrag heeft een repressief karakter.

Volgens het Hof van Cassatie (Cass. 17 januari 2019, F.J.F. 2019, afl. 4, 151) zijn de hoven en rechtbanken onbevoegd om btw-boeten te herleiden tot onder de bedragen die zijn voorgeschreven door het KB nr. 41 indien niet eerst kwijtschelding of vermindering is gevraagd aan de minister van Financiën op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

Uit niets blijkt dat eiser eerst kwijtschelding of vermindering van de geldboete heeft gevraagd op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

De door de administratie bepaalde boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten. Het opleggen van een boete van 200 % is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de zware inbreuk.

De belastingplichtige heeft berust in het vonnis.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van eerste aanleg van West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 14/06/2021

In de zaak : 15/2514/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

J.K. (KBO-nr.: 053...28), wonende te ... , eisende partij, voor wie optreedt meester ..., advocaat te ...,

tegen:

de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, verwerende partij, voor wie optreedt mevrouw X, attaché.

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 12 augustus 2015.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder neergelegde stukken.

De zaak werd met akkoord van partijen zonder pleidooien in beraad genomen op de zitting van 17 mei 2021.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen .

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE532.789.128, voor de activiteit van café-uitbating. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW­ wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Eiser bevoorraadt zich bij de drankenhandel NV C.D., met maatschappelijke zetel te .... Lastens deze drankenhandel (e.a.) werd een gerechtelijk onderzoek geopend. Op 1 september 2010 werd aan de BBI Brugge toelating verleend tot inzage van het strafdossier.

Na een controle bij eiser worden de overtredingen en vaststellingen voor de jaren 2006 tot 2010 in hoofde van eiser opgenomen in een proces-verbaal inzake BTW. Volgens de administratie heeft de drankencentrale NV C.D. haar leveringen van drank aan eiser slechts gedeeltelijk gefactureerd op naam van eiser en heeft eiser in het jaar 2010 niet alle facturen opgenomen in zijn boekhouding. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiser verschuldigd is als BTW 34.352,61 EUR, als geldboete 68.700,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2011. Op 28 oktober 2013 wordt op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Roeselaere een dwangbevel uitgevaardigd. Tegen het dwangbevel wordt fiscaal verhaal aangetekend door eiser bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge (AR nr. 14/1778/A). Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Ook in hoger beroep wordt eiser in het ongelijk gesteld.

Na een controle bij eiser worden op 28 november 2014 de overtredingen en vaststellingen voor de jaren 2011 en 2012 in hoofde van eiser opgenomen in een proces-verbaal inzake BTW. Volgens de administratie heeft eiser niet alle facturen van de NV C.D. opgenomen in zijn boekhouding. In het proces­ verbaal is opgenomen dat eiser verschuldigd is als BTW 19.222,81 EUR, als geldboete 38.440,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2013.

Op 5 december 2014 wordt op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW­ ontvangkantoor te Roeselaere een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel wordt op 8 december 2014 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door Y, adviseur - gewestelijk directeur. Dit dwangbevel wordt aan eiser ter kennis gebracht op 10 december 2014.

Door eiser wordt een bezwaarschrift ingediend op 20 maart 2015. Bij directoriaIe beslissing d.d. 1 juli 2015 wordt het bezwaar afgewezen.

Het dwangbevel wordt aan eiser betekend op 5 augustus 2015.

Tegen het dwangbevel wordt fiscaal verhaal aangetekend door eiser met een verzoekschrift d.d. 12 augustus 2015.

2. Eiser vraagt dat:

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- het dwangbevel d.d. 5 december 2014 nietig wordt verklaard;

- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiser van alle bedragen die werden geïnd, te verhogen met de moratoriumintresten;

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 2.750,00 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. bewijs meeromzet

Een mogelijk bewijsmiddel zijn vermoedens (artikel 59 §1 W.BTW}.

Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Een opeenstapeling van vermoedens is niet toegelaten.

Bekende feiten zijn dat eiser in de betreffende jaren {2011 en eerste helft 2012) klant is bij NV C.D., dat de aankoopfacturen van de NV C.D. in de boekhouding van eiser geen afrekening van leeggoed vermelden, dat eiser geen facturatie betreffende het leeggoed neerlegt, dat de NV C.D. kopieën van leveringsbons en facturen heeft meegedeeld, dat de NV C.D. creditnota's heeft uitgereikt aan eiser en dat deze niet zijn terug te vinden in de boekhouding van eiser, dat door eiser geen leveringsbons worden neergelegd, dat de leveringsbons opgemaakt op naam van eiser en meegedeeld door de NV C.D. een gedetailleerde afrekening vermelden van het geleverde en teruggenomen leeggoed, dat op de verzamelfactuur opgenomen in de boekhouding van eiser minder geleverde dranken staan dan op de leveringsbons op naam van eiser m.b.t. de gefactureerde periode, dat de afzonderlijke verzamelfactuur op naam van eiser betreffende het leeggoed niet is terug te vinden in de boekhouding van eiser en dat de NV C.D. facturen heeft bezorgd opgemaakt op 'diverse klanten' met leveringsadres het café van eiser.

Al deze materiële vaststellingen zijn opgenomen in een proces-verbaal. Deze vaststellingen hebben een bijzondere bewijswaarde. Deze materiële vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel (artikel 59, §1 W.BTW).

Uit het dossier blijkt dat de leveringen per maand aan eiser deels werden gefactureerd op naam van eiser. Deze factuur bevindt zich in de boekhouding van eiser en er wordt geen leeggoed vermeld op deze factuur. De andere leveringen van de maand werden opgenomen in een factuur opgesteld op naam van 'diverse klanten' en met vermelding van het leveringsadres (zijnde de café van eiser). De facturatie van het leeggoed gebeurde op aparte facturen op naam van eiser en deze werden niet opgenomen in de boekhouding van eiser. Verweerder heeft gedetailleerd de vergelijking gemaakt tussen de leveringsbons op naam van eiser (geleverde goederen en leeggoed), de verzamelfacturen opgenomen in de boekhouding van eiser en het leeggoed opgenomen in aparte verzamelfacturen.

De bewering van eiser dat er geen afrekening of aanrekening van leeggoed gebeurde, is ongeloofwaardig. Uit de stukken blijkt het tegendeel. Door eiser werden ook de leveringsbons niet bewaard, alhoewel deze zeker werden opgemaakt.

Er is geen enkele reden voor de NV C.D. om het leeggoed op te nemen op de leveringsbons en te factureren op naam van eiser, indien deze gegevens niet zouden juist zijn. De NV C.D. heeft evenmin een reden om op de facturen op naam van 'diverse klanten' het leveringsadres van eiser te vermelden, als dit niet juist zou zijn. Bij vergelijkingen van alle stukken, kloppen de gegevens.

Op basis van bekende feiten is derhalve rechtsgeldig het bewijs geleverd door een vermoeden dat eiser in de aanslagjaren 2012 en 2013 meer leveringen heeft ontvangen van NV C.D. dan werd gefactureerd op naam van eiser en geboekt door eiser. De brutowinst die door eiser niet werd aangegeven, is berekend op basis van de niet geboekte leveringen (gefactureerd op naam van 'diverse klanten' en geleverd in het café van eiser) die blijken uit de vergelijkingen en met toepassing van het forfait voor caféhouders. Er is geen sprake van willekeur en/of opeenstapeling van vermoedens.

2. geldboete

Een administratieve boete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Volgens het Hof van Cassatie (Cass. 17 januari 2019, F.J.F. 2019, afl. 4, 151) zijn de hoven en rechtbanken onbevoegd om BTW-boeten te herleiden tot onder de bedragen die zijn voorgeschreven door het KB nr. 41 indien niet eerst kwijtschelding of vermindering is gevraagd aan de Minister van Financiën op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

Uit niets blijkt dat eiser eerst kwijtschelding of vermindering van de geldboete heeft gevraagd op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

Uit het proces-verbaal d.d. 28 november 2014 blijkt dat voor de jaren 2011 en 2012 eiser talloze malen meer goederen heeft ontvangen van NV C.D. dan door hem werden opgenomen in zijn boekhouding. Eiser heeft hierbij actief meegewerkt aan het fraudesysteem. Het fraudesysteem werd aangepast nadat eiser (en de NV C.D.) op de hoogte waren van een onderzoek m.b.t. de voorgaande jaren (toen werd meer geleverd dan gefactureerd). Uit de omstandigheden en uit de omvang van de vastgestelde overtredingen, blijkt dat eiser gehandeld heeft met het oogmerk de BTW te ontduiken.

De door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 200 % is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de zware inbreuk.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

Eiser vraagt een geldboete met uitstel. Zelfs indien de rechtbank in de mogelijkheid zou zijn om dit uitstel te verlenen, geeft eiser geen enkele reden om een uitstel te verlenen. Eiser heeft jaren goederen geleverd gekregen zonder dat deze zijn opgenomen in de boekhouding.

Eiser heeft voldoende mogelijkheden gehad om een tegenbewijs te leveren en de opgelegde geldboete te betwisten en dit ook vóór het inleiden van de gerechtelijke procedure. Eiser heeft ook de mogelijkheid gehad en gebruikt om het dwangbevel te betwisten bij de rechtbank. Niet bewezen wordt dat verweerder het betwiste dwangbevel reeds definitief heeft ingevorderd of dat eiser door bewarende beslagen onherstelbaar nadeel heeft geleden.

De geldboete werd opgelegd bij toepassing van de artikelen 70 §1 en 84, derde lid W.BTW, zijnde grondwetsconforme bepalingen die door de Belgische Staat overeenkomstig zijn soevereine belastingbevoegdheid werd uitgevaardigd. De bepalingen zijn onontbeerlijk voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, berusten op uitzonderlijke omstandigheden en beantwoorden aan dwingende motieven van algemeen belang. De rechtbank is van oordeel dat er dan ook geen sprake is van een onevenredige geldboete. Er is dan ook geen sprake van een schending van artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol van het E.V.R.M ..

C. Betreffende de kosten

Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017,1° lid GerW de gerechtskosten dragen.

Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspràak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG VEERTIEN JUNI TWEEDUIZEND EENENTWINTIG waar zitting hadden:

Ondertekeningen