---
title: "Verzet tegen dwangbevel Hoger beroep · Hof van Cassatie van België, 3 januari 2003"
description: "Verzet tegen dwangbevel Hoger beroep, Verplichting tot consignatie, verzet tegen het dwangbevel. Hof van Cassatie van België, 3 januari 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-hoger-beroep-cassatie-brussel-2003-01-03-7757"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/opposition-contrainte-droit-interjeter-appel-cassation-bruxelles-2003-01-03-8f50"
---

# Verzet tegen dwangbevel Hoger beroep, Verplichting tot consignatie

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Datum**

3 januari 2003

## Procesverloop

2 stappen · 3 jaar 3 maanden

1. [Bestreden beslissing Hof van beroep te Gent 08.09.1999](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-1999-09-08-0975)
2. Weergegeven beslissing Hof van Cassatie van België 03.01.2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

83 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 03.01.2003 (C.00.0318 N)

*Verzet tegen dwangbevel Hoger beroep - Verplichting tot consignatie*

## Wettelijke bepalingen

Art. 92, tweede lid, W.BTW

Artt. 20, 21, 602, 1050, 1057, 7°, en 1072bis, Gerechtelijk Wetboek

## Samenvatting

Artikel 92, tweede lid, van het B.T.W.-Wetboek, dat het recht van hoger beroep tegen de rechterlijke beslissing waarbij het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, onderwerpt aan de verplichting het bedrag van de verschuldigde sommen in consignatie te geven, legt het bevoegde bestuur de verplichting op rekening te houden met de concrete gegevens van elke zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie

**dd. 03.01.2003**

**(C.00.0318 N)**

L.J., eiser, vertegenwoordigd door mr. H.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

## I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 september 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.

## II. Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

## III. Feiten

Aan eiser werd op 2 april 1993 een dwangbevel betekend op verzoek van de hoofdcontroleur van de BTW. Met dit dwangbevel werd de betaling gevorderd van een bedrag van 36.657.550 BEF als belasting over de toegevoegde waarde, alsmede van een bedrag van 73.315.100 BEF als wettelijke geldboete wegens het niet betalen van de BTW, de intrest ten belope van 8 pct. per maand vertraging, te rekenen vanaf 21 januari 1991, en de wettelijke intresten vanaf de dag van betekening.

Eiser tekende bij dagvaarding van 9 juni 1993 verzet aan tegen dit dwangbevel. Bij vonnis van 1 april 1996 werd het verzet van eiser door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge als ongegrond afgewezen.

Eiser stelde tegen voormeld vonnis hoger beroep in.

Bij aangetekend schrijven van 24 oktober 1996 verzocht de ontvanger eiser om het bedrag van 152.275.502 BEF overeenkomstig [artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), in consignatie te geven bij de Depositoen Consignatiekas.

De Belgische Staat voerde vervolgens voor het hof van beroep de onontvankelijkheid aan van eisers hoger beroep gelet op de afwezigheid van de consignatie van de verschuldigde sommen binnen de wettelijk voorgeschreven termijn.

## IV. Middel

Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

*Geschonden wettelijke bepalingen*

\- artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 ;

\- artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ;

\- [artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 15 maart 1999 ;

\- artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen ;

\- de artikelen 20, 21, 602, 1050, 1057, 7°, en 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek.

*Aangevochten beslissingen*

Het hof van beroep wijst in het bestreden arrest eisers hoger beroep af tegen het vonnis van de eerste rechter en verklaart zijn verzet tegen het dwangbevel, dat hem op 2 april 1993 werd betekend, niet ontvankelijk en veroordeelt hem tot de kosten, op volgende gronden :

> "Bij aangetekend schrijven dd. 24 oktober 1996 werd de (eiser) verzocht om de verschuldigde bedragen te consigneren. Hij heeft daaraan geen gevolg gegeven en heeft zelfs niet geantwoord op dit verzoek.
>
> De administratie houdt thans voor dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat de (eiser) heeft verzuimd over te gaan tot consignatie zoals was gevraagd. De (eiser) houdt voor dat de ontvankelijkheid van het hoger beroep moet beoordeeld worden op het ogenblik waarop het werd ingesteld. Daar op dat ogenblik nog geen verzoek tot consignatie was toegestuurd, is (naar zijn mening) het hoger beroep ontvankelijk. Verder stelt hij dat de bepaling van het voormeld artikel 92, tweede lid, is ingegeven door de bezorgdheid dilatoire hoger beroepen te vermijden en dat zijn hoger beroep niet als dilatoir kan afgedaan worden.
>
> De beroepsakte bevat geen grieven waarover de eerste rechter nog geen uitspraak heeft gedaan in een gemotiveerd vonnis.
>
> De ontvanger heeft een discretionaire bevoegdheid om al dan niet de consignatie te vragen en de vraag tot consignatie werd gemotiveerd. Het feit dat door de administratie reeds bewarende maatregelen werden genomen en dat bewarend beslag werd gelegd op de eigendommen van (eiser), kan niet als een voldoende garantie aangezien worden voor de betaling van een schuld van meer dan 152.000.000 BEF.
>
> Het verzoek tot consignatie is gesteund op objectieve en controleerbare gegevens, inzonderheid het ontbreken van nieuwe argumenten en de vaststelling dat de onroerende goederen, vatbaar voor inschrijving van de wettelijke hypotheek, slechts zekerheid kunnen bieden voor een bedrag van ongeveer 5.300.000 BEF. Het verzoek tot consignatie is derhalve redelijkerwijs verantwoord door de inroeping dat de consignatie vereist is om de belangen van de Schatkist te vrijwaren en dat deze belangen op geen andere manier in dezelfde mate kunnen veilig gesteld worden.
>
> Ook heeft de (eiser) niet aangetoond dat er in zijnen hoofde overmacht bestaat om gevolg te geven aan het verzoek van de administratie of dat het verzoek tot consignatie zou berusten op machtsafwending of machtsoverschrijding.
>
> Het hof kan zich niet in de plaats stellen van de ontvanger om te oordelen over de opportuniteit van het verzoek tot consignatie. Het kan enkel nagaan of het verzoek tot consignatie gemotiveerd is en of het rechtmatig is. Zulks is te dezen het geval.
>
> Het hoger beroep is dan ook niet geldig bij gebrek aan consignatie".

*Grieven*

*1.1. Eerste onderdeel*

Overeenkomstig [artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 15 maart 1999, kan tegen de rechterlijke beslissing, waarbij het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen de twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingschuldige richt.

Deze bepaling werd door de wetgever ingesteld teneinde de rechten van de Schatkist veilig te stellen tegen louter dilatoire beroepen.

Dergelijk verzoek tot consignatie, dat een belemmering vormt voor de vrije toegang tot het gerecht, moet bovendien gedragen worden door de concrete gegevens van de zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige.

Het verzoek tot consignatie, dat niet aan voormelde voorwaarden beantwoordt, is als onrechtmatig te aanzien en zal derhalve door de rechter buiten beschouwing moeten worden gelaten overeenkomstig artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994.

Indien het bestreden arrest te dezen vaststelt dat de beroepsakte geen grieven bevat, waarover de eerste rechter nog geen uitspraak heeft gedaan in een gemotiveerd vonnis, blijkt evenwel uit het bestreden arrest niet dat de in de akte van hoger beroep ingeroepen grieven, - te weten het feit dat in strijd met de artikelen 18, par. 1, en 22 van de Zesde BTW-richtlijn de factuur volgens het Belgische recht een aantal bijkomende vermeldingen dient te bevatten die geenszins nodig zijn om de heffing van de BTW en de controle ervan te verzekeren, de eerste rechter ten onrechte aanvaardde dat er geen sprake was van machtsafwending in hoofde van de administratie, die in de voorafgaande jaren de zogezegd onregelmatige facturen reeds had aanvaard, de eerste rechter ten onrechte stelde dat hij niet bewees dat hij als een voorzichtig handelaar naging of zijn medecontractanten te vertrouwen waren en de BTW aan de schatkist doorstortten, de administratie het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur schond doordat zij in voorgaande jaren de beweerde onregelmatige facturen wel aanvaardde en aldus het vertrouwen wekte dat deze facturen voldeden aan de wettelijke vereisten om voor aftrek van de BTW in aanmerking te komen en de eerste rechter ook ten onrechte oordeelde dat er geen sprake was van overmacht -, om louter dilatoire redenen voor de appèlrechter werden herhaald en derhalve het hoger beroep een dilatoir karakter vertoonde.

De enkele overeenstemming van de grieven, aangevoerd in een akte van hoger beroep, met de voor de eerste rechter aangehaalde middelen kan dergelijk besluit in ieder geval niet staven, nu het tot de essentie van het rechtsmiddel van hoger beroep behoort dat aan een rechter, rechtdoende in hoger beroep, de middelen die door de eerste rechter werden verworpen als irrelevant of ongegrond, andermaal ter beoordeling kunnen worden voorgelegd.

Indien bovendien het bestreden arrest vaststelt dat de onroerende goederen, vatbaar voor inschrijving van de wettelijke hypotheek, slechts zekerheid konden bieden voor een bedrag van 5.300.000 BEF en de reeds genomen bewarende maatregelen niet als een voldoende garantie aangezien konden worden voor de betaling van een schuld van meer dan 152.000.000 BEF, blijkt uit de gedane vaststellingen geenszins dat eisers financiële toestand van die aard was dat hij aan de consignatieverplichting kon voldoen.

Hieruit volgt dat het Hof van Beroep te Gent op grond van de gedane vaststellingen, waaruit niet blijkt dat het hoger beroep een dilatoir karakter vertoonde en dat eisers financiële toestand van die aard was dat hij bij machte was de gevraagde som van 152.275.502 BEF te consigneren, niet wettig kon besluiten tot de rechtmatigheid van het door de administratie gedane verzoek tot consignatie van het bedrag van 152.275.502 BEF en tot de afwezigheid van machtswending of machtsoverschrijding (schending van de artikelen [92, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), van het BTW-Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 15 maart 1999, 20, 21, 602, 1050, 1057, 7°, en 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek), in ieder geval niet wettig kon besluiten tot het dilatoir karakter van het hoger beroep om de enkele reden dat de aangevoerde middelen reeds voor de eerste rechter werden aangevoerd en door hem beantwoord, aldus de hervormingsfunctie van het rechtsmiddel van hoger beroep miskennende (schending van de artikelen 20, 21, 602, 1050, 1057, 7°, en 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek), evenmin wettig kon beslissen dat het verzoek tot consignatie wettig was gemotiveerd (schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen), voormeld verzoek tot consignatie bijgevolg niet wettig van toepassing kon verklaren (schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994) en derhalve niet wettig vermocht het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren (schending van [artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 15 maart 1999).

*1.2. Tweede onderdeel*

Blijkens artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden, dat het recht op een eerlijk proces garandeert, heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.

Wellicht kunnen aan het recht tot toegang tot de rechter bepaalde beperkingen worden opgelegd, mits deze bepalingen worden ingesteld met het oog op een gerechtvaardigde doelstelling en er een redelijk verband bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel, te dezen het veilig stellen van de rechten van de Schatkist door dilatoire beroepen te voorkomen door het voorafgaandelijk consigneren van de verschuldigde sommen.

Aan deze voorwaarde is niet meer voldaan indien de gevraagde zekerheid excessief is of de middelen van de betrokkene te boven gaat, zodat het recht op toegang tot de rechter in concreto onmogelijk kan worden uitgeoefend.

Te dezen blijkt dat van eiser bij toepassing van [artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 15 maart 1999, door de BTW-ontvanger bij aangetekend schrijven van 24 oktober 1996 de voorafgaande consignatie werd gevorderd van een bedrag van 152.275.502 BEF uit hoofde van BTW (36.657.550 BEF), geldboete (73.315.100 BEF), wettelijke intresten vanaf 21 januari 1991 tot 20 november 1996 (20.527.920 BEF), moratoire intresten vanaf 2 december 1992 tot 1 november 1996 (21.771.737 BEF) en kosten (3.195 BEF).

Eiser betwistte in besluiten uitdrukkelijk de financiële middelen te hebben om aan deze consignatie te voldoen.

Indien het bestreden arrest zelf opmerkt dat de eigendommen van eiser niet als een voldoende garantie voor de betaling van een schuld van meer dan 152.000.000 BEF konden worden aangezien en dat de onroerende goederen, vatbaar voor de inschrijving van een wettelijk hypotheek, slechts zekerheid voor een bedrag van ongeveer 5.300.000 BEF konden bieden, stelt het evenwel niet vast dat eiser nog over andere financiële middelen beschikte om aan deze consignatie te voldoen.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest op grond van de gedane vaststellingen, waaruit het excessief karakter van het verzoek tot consignatie bleek, niet wettig kon beslissen het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, gelet de afwezigheid van ieder redelijk verband tussen het beoogde doel en het daartoe aangewende middel, aldus eiser het bij wet erkende recht op hoger beroep ontzeggend (schending van artikelen 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek, zoals van toepassing voor de wetswijziging van 15 maart 1999), althans hiertoe niet wettig kon besluiten zonder vooreerst te onderzoeken of eiser wel over middelen beschikte om aan dit consignatieverzoek te voldoen en, derhalve, of het consignatieverzoek geen excessief karakter vertoonde (schending van artikelen 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 92, tweede lid , van het BTW-Wetboek, zoals van toepassing voor de wetswijziging van 15 maart 1999).

## V. Beslissing van het Hof

*1. Eerste onderdeel*

Overwegende dat, luidens [artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), wanneer het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, tegen de rechterlijke beslissing niet op geldige wijze enig rechtsmiddel kan worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingplichtige richt ;

Overwegende dat deze beperking van het recht op hoger beroep ertoe strekt het instellen van dilatoire rechtsmiddelen tegen te gaan ; dat die bepaling aan het bevoegde bestuur oplegt rekening te houden met de concrete gegevens van elke zaak, met inbegrip van de financiële toestand van de belastingplichtige ;

Overwegende dat het oordeel van de appèlrechter dat nieuwe argumenten ontbreken en dat de beroepsakte "geen grieven (bevat) waarover de eerste rechter nog geen uitspraak heeft gedaan in een gemotiveerd vonnis", mede gelet op de context, zo moet worden opgevat dat hij van oordeel is dat die grieven in hoger beroep niet tot een ernstige betwisting kunnen aanleiding geven ;

Overwegende dat de appèlrechter vaststelt dat de onroerende goederen van eiser een ontoereikende zekerheid opleveren en dat eiser voor het overige in gebreke blijft aan te tonen dat hij niet bij machte is om gevolg te geven aan het verzoek tot consignatie ;

Dat hij oordeelt op grond hiervan dat het verzoek tot consignatie rechtmatig is en vervolgens beslist dat het hoger beroep van eiser bij afwezigheid van consignatie niet ontvankelijk is ;

Dat de appèlrechter door aldus te oordelen, zijn beslissing naar recht verantwoordt ;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;

*2. Tweede onderdeel*

Overwegende dat artikel 6.1 EVRM niet van toepassing is op geschillen over rechten en geschillen in belastingzaken, tenzij een rechtspleging in belastingzaken leidt of kan leiden tot een naar aanleiding van een strafvordering uitgesproken straf in de zin van deze bepalingen ;

Dat niet blijkt dat een dergelijke rechtspleging ten laste van de eiser is gevoerd ;

Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is ;

Dat het onderdeel voor het overige gelet op het antwoord op het eerste onderdeel niet kan worden aangenomen ;

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,**

Verwerpt het cassatieberoep ;

Veroordeelt eiser in de kosten.

De kosten begroot op de som van vierhonderd negenentwintig euro vijfendertig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd achttien euro negenennegentig cent jegens de verwerende partij.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter ...

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 92](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) 7 voorkomens

## Rechtspraak

6

### België

6

Hof van beroep te Gent 30.11.2017

#### [Consignatie, schadevergoeding, verjaring, procedure, vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/consignatie-schadevergoeding-verjaring-procedure-vervolging-hof-van-beroep-gent-2017-11-30-cb64)

Hof van beroep te Gent 24.01.2012

#### [Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-geding-rechten-hof-van-beroep-gent-2012-01-24-5604)

Hof van beroep te Gent 20.11.2007

#### [Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2007-11-20-f66e)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Beroep, Ontvankelijkheid, Consignatie, hoger beroep](https://juriel.be/nl/rechtspraak/ontvankelijkheid-consignatie-hoger-hof-van-beroep-gent-2000-03-29-0903) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-1999-09-08-0975) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, maatstaf van heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-antwerpen-2004-12-23-0f70) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Dwangbevel, Tegenstelbaarheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-tegenstelbaarheid-hof-van-beroep-gent-2000-12-20-29e0) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Beroep, Consignatie van verschuldigde sommen, Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/beroep-consignatie-verschuldigde-sommen-voorwaarden-cassatie-brussel-2015-06-04-3cb3) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-strafbepaling-administratieve-hof-van-beroep-antwerpen-2008-03-18-4102) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-strafbepaling-hof-van-beroep-antwerpen-2010-09-14-5477) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-geding-rechten-hof-van-beroep-gent-2012-01-24-5604) 1 gemeenschappelijke bepalingen
