---
title: "Verzet tegen het dwangbevel, consignatie · Hof van Cassatie van België, 15 oktober 2009"
description: "Verzet tegen het dwangbevel, consignatie. Hof van Cassatie van België, 15 oktober 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-consignatie-cassatie-brussel-2009-10-15-5774"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/opposition-contrainte-consignation-cassation-bruxelles-2009-10-15-f971"
---

# Verzet tegen het dwangbevel, consignatie · verzet tegen het dwangbevel - consignatie

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Datum**

15 oktober 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

365 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**Arrest van het Hof van Cassatie dd. 15.10.2009, Zaak** **F.08.0001.N**

*Verzet tegen het dwangbevel*

*Consignatie*

## Samenvatting

Artikel 92 van het B.T.W.-Wetboek, dat het recht van hoger beroep tegen de rechterlijke beslissing waarbij het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, onderwerpt aan de verplichting het bedrag van de verschuldigde sommen in consignatie te geven, beperkt het recht hoger beroep in te stellen maar niet op een wijze die onevenredig het recht van de belastingplichtige zich tot de rechter te wenden bemoeilijkt (1).

(1) Zie Cass., 3 jan. 2OO3, AR C.00.0318.N, A.C., 2003, nr 6, met concl. O.M.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. F.08.0001.N

M.Z.,

eiser,

met als raadsman mr. Michel Maus, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor

te 8310 Brugge, Blekerijstraat 103/0302,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor

wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur van het btw-ontvangkantoor te Brugge,

met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats

kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 april 2007 gewezen door het

hof van beroep te Gent.

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

-artikel 13 van de Grondwet;

-artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aangevochten beslissingen

In het bestreden arrest stelt het hof van beroep dat het hoger beroep van verzoeker in

cassatie ongegrond is op grond van volgende overweging:

"Met een aangetekende brief van 20 december 2005 heeft de (verweerder), onder

verwijzing naar [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), de (eiser) uitgenodigd om de sommen waarop de

huidige vordering betrekking heeft en waarvoor het verzet tegen het dwangbevel door het

bestreden vonnis ongegrond werd verklaard, binnen de twee maanden, namelijk tegen

uiterlijk 20 februari 2006 in consignatie te geven bij de Deposito- en consignatiekas in

Brussel. De volgende motivering werd gegeven:

\- In dit verzoekschrift tot hoger beroep komen geen nieuwe argumenten aan bod, die niet

reeds door de administratie werden weerlegd, zodat dit hoger beroep een dilatoir

karakter heeft.

\- Er werden geen vrijwillige betalingen overgemaakt, zelfs niet onder voorbehoud.

\- Gelet op de grootte van de globale btw-schuld en op de veroordeling voor fiscale fraude

op basis van een zwart kasboek dat gevonden werd tijdens een correctioneel onderzoek

zijn de rechten van de Schatkist duidelijk in gevaar.

-(…) dat, volgens de voorhanden zijnde gegevens, u over geen onroerende goederen

noch andere goederen of inkomsten beschikt die tot zekerheid van de voldoening van de

hogervermelde verschuldigde sommen kunnen dienen.

-(…) dat in een gewone procedure van derdenbeslag er andere schuldeiseres kunnen

voorgaan.

\- (…) dat de rechten van de Schatkist derhalve op geen enkele manier en in dezelfde mate

kunnen worden veiliggesteld dan door de toepassing van [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92).

Deze motivering is afdoende en aangepast aan de concrete gegevens van het dossier, in

het bijzonder met referentie aan de financiële toestand van de (eiser).

De (eiser) heeft op het verzoekschrift niet gereageerd en dus ook niet verzocht om het

verzoek tot consignatie ongegrond te verklaren. De (eiser) ontkent niet dat hij aan het

verzoek tot consignatie geen enkel gevolg gaf, terwijl de termijn van twee maanden te

rekenen vanaf de kennisgeving ruimschoots overschreden is. In die omstandigheden is de

exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep ongegrond'".

Verzoeker in cassatie meent dat het hof van beroep met deze overweging heeft gehandeld

in strijd met artikel 13 van de Grondwet.

Grieven

b.1. Probleemstelling

b.1.1. De regel zoals omschreven in artikel 13 van de Grondwet stelt: "Niemand kan

tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent".

Dit artikel geeft iedereen het recht van een vrije toegang tot de rechterlijke macht, en

impliceert dat niemand kan worden onttrokken aan de rechter die de wet hem toewees.

b.1.2. Artikel 6.1. van het Europees Verdrag van de rechten van de mens stelt: "bij het

vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de

gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een

eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een

onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het

vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan

de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan,

in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een

democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming

van het privé-leven van partijen bij het proces dit eisen of in die mate als door de rechter

onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer

openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden".

Dit artikel garandeert het recht op een eerlijk proces.

Het recht op toegang tot een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht vormt de eerste

belangrijke waarborg die wordt geboden door artikel 6 EVRM. Rechtsonderhorigen van

verdragsstaten moeten de mogelijkheid krijgen om geschillen betreffende hun burgerlijke

rechten en verplichtingen of betreffende een tegen hem ingestelde strafvervolging aan een

rechterlijke instantie met volle rechtsmacht voor te leggen.

b.1.3. [Artikel 92 van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) daarentegen stelt: "Ingeval van beroep tegen het

vonnis dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, kan de ontvanger van

de belasting op de toegevoegde waarde, gelet op de concrete gegevens van het dossier,

met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, deze laatste kennisgeven bij

een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in consignatie geven van het

geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden

toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke

zekerheid die wordt aangenomen door de administratie bevoegd voor de belasting over

de toegevoegde waarde.

De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te

worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving.

Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de

zekerheid binnen de bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening

aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die

termijn, de voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij, zij op grond van een met

redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee maanden

vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie

maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet

gegrond is".

Het instellen van een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

in een btw-geschil, kan door de ontvanger afhankelijk gemaakt worden van het in

consignatie geven van de volledige of een gedeelte van de verschuldigde bedragen, of

door het vestigen van een zekerheid.

De vraag die zich hier stelt is of [artikel 92 van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) hogere normen schendt,

met name artikel 13 van de Grondwet en artikel 6.1. van Europees Verdrag voor de

rechten van de mens.

Met betrekking tot deze schendingen kunnen twee problemen onderscheiden worden.

Het probleem dat zich stelt is het feit dat [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) het instellen van een

hoger beroep, en bijgevolg de toegang tot de beroepsrechter bemoeilijkt doordat een

financiële waarborg geëist wordt.

b.2. Het standpunt van verzoeker in cassatie

b.2.1. Verzoeker meent dat de bepalingen van [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) in strijd zijn met de

bepalingen van artikel 13 van de Grondwet en artikel 6.1. van het Europees Verdrag voor

de rechten van de mens, omdat het instellen van hoger beroep tegen een vonnis van de

rechtbank van eerste aanleg de iure afhankelijk gemaakt kan worden van het in

consignatie geven van een geheel of een gedeelte van de betwiste som of van het stellen

van een persoonlijke of zakelijke zekerheid, en dat dit aan de beoordeling van de

uitvoerende macht, met name aan een proces partij wordt overgelaten zonder dat

hiervoor objectieve criteria voorgeschreven zijn.

b.2.2. Het feit dat het instellen van hoger beroep afhankelijk gemaakt wordt van het geven

van een financiële waarborg is een schending van het recht op vrije toegang tot de

rechter.

Belastingplichtigen die de financiële middelen niet hebben voor de te stellen zekerheid,

worden bijgevolg door een procespartij, m.n. hun tegenpartij, het recht op hoger beroep

ontnomen.

Ze worden onttrokken aan de beroepsrechter. Dit terwijl artikel 13 van de Grondwet en

artikel 6.1. van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens aan één ieder het

recht van vrije toegang tot de rechterlijke macht toekent.

De belastingplichtige kan bijgevolg door toedoen van [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) geen

beroep doen op rechter waarop hij door artikel 13 van de Grondwet en artikel 6.1. EVRM

recht heeft.

Artikel 6.1. EVRM heeft verregaande consequenties met betrekking tot het recht van de

belastingplichtige op toegang tot een rechter. De verdragsstaten mogen de toegang tot de

rechter niet substantieel verhinderen of bemoeilijken.

Indien de rechtsonderhorige substantieel wordt gehinderd in de uitoefening van zijn recht

om een rechter te vatten, wordt artikel 6 EVRM geschonden. De belastingplichtige moet

zich tot de rechter kunnen wenden zonder enige dwang of dreiging met een sanctie.

In casu is dit klaarblijkelijk niet het geval.

Indien een belastingplichtige hoger beroep wenst aan te tekenen, kan van hem een

financiële waarborg geëist worden. Het is duidelijk dat hiermee de toegang tot de

beroepsrechter verhinderd wordt.

De procedure zoals omschreven in [artikel 92, derde lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), met name de

beoordeling door de beroepsinstantie over de noodzaak van de consignatie, doet niets af

aan het feit dat de belastingplichtige in eerste instantie een obstakel opgeworpen kan

worden bij de toegang tot de rechterlijke macht.

Dit gaat niet op, en is een schending van artikel 13 van de Grondwet en van artikel 6.1.

EVRM.

Bovendien verzoekt verzoekster het Hof voor zoveel als nodig de volgende prejudiciële

vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

> "Schenden de bepalingen van [artikel 92 van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) de bepalingen van artikel
>
> 13 van de Grondwet, omwille van het feit dat [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) afbreuk doet aan het
>
> recht van vrije toegang tot de rechterlijke macht, door de mogelijkheid te voorzien dat het
>
> instellen van een hoger beroep afhankelijk gesteld kan worden van het in consignatie
>
> geven van het geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen of van het geven van
>
> een zakelijke of persoonlijke zekerheid, terwijl overeenkomstig de bepalingen van artikel
>
> 13 van de Grondwet iedereen de vrije toegang tot de rechterlijke macht garandeert".

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

-artikel 14, 5°, van het BUPO-Verdrag.

Aangevochten beslissingen

In het bestreden arrest stelt het hof van beroep dat het hoger beroep van verzoeker in

cassatie ongegrond is op grond van volgende overweging:

Met een aangetekende brief van 20 december 2005 heeft de (verweerder), onder

verwijzing naar [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), de (eiser) uitgenodigd om de sommen waarop de

huidige vordering betrekking heeft en waarvoor het verzet tegen het dwangbevel door het

bestreden vonnis ongegrond werd verklaard, binnen twee maanden, namelijk tegen

uiterlijk 20 februari 2006 in consignatie te geven bij de Deposito- en consignatiekas in

Brussel. De volgende motivering werd gegeven:

"- In dit verzoekschrift tot hoger beroep komen geen nieuwe argumenten aan bod, die

niet reeds door de Administratie werden weerlegd, zodat dit hoger beroep een dilatoir

karakter heeft.

\- Er werden geen vrijwillige betalingen overgemaakt, zelfs niet onder voorbehoud.

\- Gelet op de grootte van de globale btw-schuld en op de veroordeling voor fiscale fraude

op basis van een zwart kasboek dat gevonden werd tijdens een correctioneel onderzoek

zijn de rechten van de Schatkist duidelijk in gevaar.

-(…) dat, volgens de voorhanden zijnde gegevens, u over geen onroerende goederen

noch andere goederen of inkomsten beschikt die tot zekerheid van de voldoening van de

hogervermelde verschuldigde sommen kunnen dienen.

-(…) dat in een gewone procedure van derdenbeslag er andere schuldeiseres kunnen

voorgaan. Overwegende dat de rechten van de Schatkist derhalve op geen enkele manier

en in dezelfde mate kunnen worden veiliggesteld dan door de toepassing van [artikel 92](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92)

van het Btw-wetboek.

Deze motivering is afdoende en aangepast aan de concrete gegevens van het dossier, in

het bijzonder met referentie aan de financiële toestand van de appellant.

De (eiser) heeft op het verzoekschrift niet gereageerd en dus ook niet verzocht om het

verzoek tot consignatie ongegrond te verklaren. De (eiser) ontkent niet dat hij aan het

verzoek tot consignatie geen enkel gevolg gaf, terwijl de termijn van twee maanden te

rekenen vanaf de kennisgeving, ruimschoots overschreden is. In die omstandigheden is de

exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep ongegrond'".

Verzoeker in cassatie meent dat het hof van beroep met deze overweging heeft gehandeld

in strijd met artikel 14, 5°, van het BUPO-Verdrag.

Grieven

b.1. Probleemstelling

b.1.1. Artikel 14, 5°, van het Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en

politieke rechten stelt: Eenieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het

recht veroordeling en vonnis opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege

overeenkomstig de wet.

Deze bepaling kent aan iedereen een recht van dubbele aanleg toe. Deze bepaling heeft

directe werking in de Belgische interne rechtsorde.

b.1.2. [Artikel 92 van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) daarentegen stelt: "Ingeval van beroep tegen het

vonnis dat de door de schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, kan de ontvanger van

de belasting op de toegevoegde waarde, gelet op de concrete gegevens van het dossier,

met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, deze laatste kennisgeven bij

een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in consignatie geven van het

geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden

toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke

zekerheid die wordt aangenomen door de administratie bevoegd voor de belasting over

de toegevoegde waarde.

De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te

worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving.

Bij gebreke van het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de

zekerheid binnen de bepaalde termijn, dient de rechtsinstantie waarbij de voorziening

aanhangig is gemaakt, binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstreken van die

termijn, de voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij, zij op grond van een met

redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee maanden

vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde termijn van drie

maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar gedane verzoek niet

gegrond is".

Het instellen van een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

in een BTW-geschil, kan door de ontvanger afhankelijk gemaakt worden van het in

consignatie geven van de volledige of een gedeelte van de verschuldigde bedragen, of

door het vestigen van een zekerheid.

De vraag die zich hier stelt is of [artikel 92 van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) hogere normen schendt,

met name artikel 14, 5°, van het Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en

politieke rechten stelt.

b.2. Het standpunt van verzoeker in cassatie

b.2.1. Verzoeker meent dat de bepalingen van artikel 14, 5°, van het Verdrag van 19

december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten zijn geschonden, omdat het

instellen van hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg de iure

afhankelijk gemaakt kan worden van het in consignatie geven van een geheel of een

gedeelte van de betwiste som of van het stellen van een persoonlijke of zakelijke

zekerheid.

b.2.2. Het recht op een dubbele aanleg vereist ook in de beroepsprocedure een effectieve

naleving van de elementaire rechten van verdediging. De rechtsonderhorige moet na een

veroordeling in eerste aanleg een hogere rechtsinstantie kunnen vatten die met volle

rechtsmacht kennis kan nemen van het geschil. Het beroep moet met andere woorden een

echte 'review' van de zaak inhouden, dit zowel op feitelijk als op juridisch vlak. Van een

recht op dubbele aanleg is in de klassieke procedure inkomstenbelastingen geen sprake.

De eerbiediging van het recht op een dubbele aanleg zorgt voor problemen op het gebied

van de BTW. Dit is het gevolg van [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) stellende dat tegen een

rechterlijke beslissing waarbij het verzet tegen het dwangbevel werd afgewezen slechts

geldig enig rechtsmiddel kan worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde

sommen niet binnen twee maanden na het verzoek van de bevoegde ambtenaar in

consignatie werd gegeven.

b.2.3. Het verzoek tot consignatie lijkt onmiskenbaar in strijd met de garanties die in deze

artikelen zijn vervat. In de praktijk blijkt dat de administratie de gewoonte heeft de

consignatie te vragen van het geheel van de door de belastingplichtige verschuldigde

sommen, fiscale geldboeten en intresten inbegrepen.

Dit is onverzoenbaar met de vereisten gesteld door de artikelen 6 EVRM en 14 BUPO-

Verdrag. Het verzoek tot consignatie van de administratieve geldboete komt er in feite op

neer dat de administratie de belastingplichtige, zonder het bestaan van een in kracht van

gewijsde gegane rechterlijke beslissing, ertoe gaat dwingen eerst de opgelegde straf te

ondergaan alvorens hij zijn rechtsmiddel zou kunnen uitoefenen. Niet alleen betekent dit

een manifeste schending van het vermoeden van onschuld, daarenboven wordt hierdoor

evenzeer het recht op een dubbele aanleg in strafzaken met de voeten getreden. De

belastingplichtige moet ook in beroep van het recht op een vrije toegang tot de rechter

kunnen genieten.

De Verdragsstaten beschikken weliswaar over de bevoegdheid om dit recht in zekere

mate te conditioneren voor zover de opgelegde beperkingen werden ingesteld met een

gerechtvaardigde intentie en voor zover er een redelijk verband bestaat tussen de

aangewende middelen en de beoogde doelstelling.

b.2.4. De vereiste van het storten van een griffierecht of van een zekerheidsstelling als

ontvankelijkheidsvoorwaarde voor een gerechtelijke vordering is dan ook op zich niet in

strijd met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie. Dit recht wordt echter wel

geschonden indien de gevraagde zekerheden buitengewone proporties aannemen.

Hierboven werd reeds aangegeven dat de fiscale geldboetes inzake btw buitensporig hoog

kunnen zijn, zodat in veel gevallen de belastingplichtige financieel niet bij machte zal zijn

om aan de gevraagde consignatie te voldoen. Dergelijke toestanden zijn niet

aanvaardbaar in het licht van artikel 14 BUPO-Verdrag. De eis vanwege de overheid tot

het betalen van exorbitante proceskosten of zekerheden als voorwaarde tot het voeren

van een gerechtelijke procedure is niet verenigbaar met het recht van de

rechtsonderhorige op toegang tot de rechter. Dit is evenzeer het geval met de huidige

consignatieregeling die is vervat in [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) die onmiskenbaar tot excessen

leidt en ervoor zorgt dat de belastingplichtige substantieel in de uitoefening van zijn recht

op toegang tot de rechter in beroep wordt gehinderd. Het recht op dubbele aanleg wordt

aldus zonder enige twijfel ook inzake btw met de voeten getreden.

b.2.5. Het is in casu dan ook duidelijk dat een verzoek tot consignatie in strijd is met de

bepalingen van artikel 14, 5°, van het BUPO-Verdrag.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1\. De verweerder voert aan dat het cassatieberoep dat werd betekend aan de

Belgische Staat, FOD Financiën, administratie van de btw, registratie en

domeinen, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur van het btw-

ontvangkantoor te Brugge, met kantoor aan de G. Vincke-Dujardinstraat 4, te

8000 Brugge, niet ontvankelijk is om reden dat uit de stukken van het dossier niet

blijkt dat de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Brugge

de door de minister aangewezen ambtenaar was op wiens kantoor de betekeningen

aan de Staat regelmatig konden worden gedaan.

2\. Luidens artikel 42, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek worden de

betekeningen aan de Staat gedaan op het kabinet van de minister die bevoegd is

om ervan kennis te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen

ambtenaar.

In de rechtspleging voor de appelrechters is de minister van Financiën steeds

vertegenwoordigd geworden door de ambtenaar vermeld in het cassatieberoep en

niets laat toe te oordelen dat thans voor het Hof een einde zou gesteld zijn aan die

vertegenwoordiging.

De betekening van het cassatieberoep kon derhalve te dezen rechtsgeldig

gebeuren aan de eerstaanwezend inspecteur van het btw-ontvangkantoor te

Brugge.

Het cassatieberoep is ontvankelijk.

Eerste middel

3\. Krachtens [artikel 92, eerste lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), zoals vervangen bij artikel 61

van de wet van 15 maart 1999, kan de ontvanger van de belasting over de

toegevoegde waarde, in geval van beroep tegen het vonnis dat de door de

schuldenaar ingestelde eis heeft verworpen, gelet op de concrete gegevens van het

dossier, met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, deze laatste

kennisgeven bij een ter post aangetekende brief van een verzoek tot het in

consignatie geven van het geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen.

Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen

door een zakelijke of persoonlijke zekerheid die wordt aangenomen door de

administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde.

Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling dienen de gevorderde bedragen in

consignatie te worden gegeven of dient de zekerheid te worden gevestigd binnen

de twee maanden vanaf de kennisgeving.

4\. Volgens het derde lid van die bepaling dient bij gebreke van het in

consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen de

bepaalde termijn, de rechtsinstantie waarbij de voorziening aanhangig is gemaakt,

binnen drie maanden te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn, de

voorziening niet ontvankelijk te verklaren, tenzij, zij op grond van een met

redenen omkleed verzoekschrift ingediend door de schuldenaar binnen twee

maanden vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, besluit, binnen dezelfde

termijn van drie maanden, dat het door de met de invordering belaste ambtenaar

gedane verzoek niet gegrond is.

Het middel dat uitgaat van een foutieve juridische onderstelling faalt naar recht.

5\. Het recht hoger beroep in te stellen wordt door die bepaling beperkt maar

niet op een wijze die onevenredig het recht van de belastingplichtige zich tot de

rechter te wenden bemoeilijkt.

6\. De aangevoerde strijdigheid van [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) met artikel 6.1.

EVRM steunt op een verkeerde uitlegging van die wetsbepaling en kan derhalve

niet worden aangenomen.

7\. Aangezien de aangevoerde schending van artikel 13 van de Grondwet

eveneens berust op die verkeerde uitlegging van [artikel 92 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) bestaat er

geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk

Hof.

Tweede middel

8\. Artikel 14.5 IVBPR kan van toepassing zijn op geschillen over rechten en

verplichtingen in belastingzaken op voorwaarde dat de rechtspleging in

belastingzaken leidt of kan leiden tot een naar aanleiding van een strafvordering

uitgesproken straf in de zin van die verdragsbepaling.

9\. Het middel dat niet aanvoert dat tegen de eiser een dergelijke rechtspleging

is gevoerd, is niet ontvankelijk.

### Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

De kosten zijn begroot op de som van 160,36 euro jegens de eisende partij en op

de som van 131,14 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,

samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter

Edward Forrier, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Geert Jocqué, en in

openbare terechtzitting van 15 oktober 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan

Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand

van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols G. Jocqué E. Stassijns

E. Dirix E. Forrier I. Verougstraete

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 92](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) 19 voorkomens

## Rechtspraak

1

### België

1

Hof van Cassatie 19.01.2012

#### [Verzet tegen dwangbevel, Afwijzing, Recht op hoger beroep, Beperkingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-afwijzing-recht-cassatie-brussel-2012-01-19-f2a6)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Beroep, Ontvankelijkheid, Consignatie, hoger beroep](https://juriel.be/nl/rechtspraak/ontvankelijkheid-consignatie-hoger-hof-van-beroep-gent-2000-03-29-0903) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-1999-09-08-0975) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, maatstaf van heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-antwerpen-2004-12-23-0f70) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Dwangbevel, Tegenstelbaarheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-tegenstelbaarheid-hof-van-beroep-gent-2000-12-20-29e0) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Beroep, Consignatie van verschuldigde sommen, Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/beroep-consignatie-verschuldigde-sommen-voorwaarden-cassatie-brussel-2015-06-04-3cb3) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Voldoening van de belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-strafbepaling-administratieve-hof-van-beroep-antwerpen-2008-03-18-4102) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-strafbepaling-hof-van-beroep-antwerpen-2010-09-14-5477) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-geding-rechten-hof-van-beroep-gent-2012-01-24-5604) 1 gemeenschappelijke bepalingen
