Vervolging, rechten en voorrechten schatkist, gemene bepaling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 9 januari 2004

Zoeken

Vervolging, rechten en voorrechten schatkist, gemene bepalingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-rechten-voorrechten-schatkist-gemene-rechtbank-brussel-2004-01-09-1068

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
9 januari 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

123 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 09.01.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL

AR 02/10.779/A

Fiscaal geschil

Op tegenspraak

Eindvonnis

In zake van :

…, wonende te … (…), …, … ingeschreven onder het BTW nummer …

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mter A. P., advocaat te …, …

tegen :

De BELGISCH E STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat, 12, en het Hoofd van het BTW-ontvangkantoor te Vilvoorde, met burelen gevestigd te 1800 Vilvoorde, Groenstraat, 51/57

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mter V. d. V. loco Mter F. C., advocaat te …, …


In deze zaak, in beraad genomen op 12 december 2003, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.

I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van art. 1385decies Ger. W. van eiseres, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 20 oktober 2000, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven respectievelijk op 10 januari 2001 en op 20 september 2001;

- de besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 augustus 2001;

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 13 september 2002, waarbij de zaak naar deze rechtbank werd verzonden;

- de beschikking ex art. 750, § 2 Ger. W. van deze rechtbank van 12 september 2003.

Partijen verklaren hun besluiten, zoals neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, te handhaven.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 12 december 2003, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

II. FEITEN EN RETROACTEN

..., huidige eiseres, heeft een kapsalon, en oefent haar professionele activiteit uit te ., …. Zij woont te …(…).

… is als BTW-belastingplichtige geregistreerd sinds 1 oktober 1995.

Op 29 januari 1999 deelde de heer N., opsporingsagent van de lokale opsporingssectie Brussel 2.3, aan de heer L., eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum Vilvoorde, de volgende feiten mee :

"Op 12 januari 1999 heeft … voor de gecontroleerde periode twee dagboeken van ontvangst aan de heer N., voornoemd, voorgelegd, zijnde als volgt genoemd :

- één dagontvangstenboek met inkomsten die zijn aangegeven, later "Caisse 5" genoemd;

- één dagontvangstenboek met de reële inkomsten, later "Caisse maison 4" genoemd.".

Op 13 september en 11 oktober 1999 oefende de heer L. bij … een controle uit voor de periode van 1 december 1995 tot en met 31 december 1998.

Op 25 mei 2000 werden de gedane vaststellingen en verschuldigde sommen opgenomen in een proces-verbaal. Daaruit blijkt dat … de volgende sommen aan de BTW-administratie verschuldigd is :

- als BTW : 16.161,34 euro (651.947 BEF);

- als wettelijke boete : 32.322,69 euro (1.303.894 BEF) en

- als interest op grond van art. 91, § 1 W.BTW te berekenen vanaf 21 januari 1999 à 0,8 % per maand over 16.137,87 euro (651.000 BEF) : p.m.

Op 8 augustus 2000 werd een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 10 augustus 2000 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 14 augustus 2000 werd dit dwangbevel aan … betekend.

Op 20 oktober 2000 legde … een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, houdende verzet tegen dit dwangbevel.

Op 13 september 2002 verzond de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de zaak naar deze rechtbank.

III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres vraagt haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :

- het haar op 14 augustus 2000 betekend dwangbevel, met referentie RCIV-nr. …, afgeleverd op 8 augustus 2000 en uitvoerbaar verklaard op 10 augustus 2000, nietig te verklaren;

- te horen zeggen voor recht dat zij geen enkele belasting verschuldigd is ten aanzien van verweerder, de BTW-administratie, registratie en domeinen;

- verweerder te veroordelen tot vergoeding aan haar van elke ten onrechte geïnde som te verhogen met de moratoire interesten vanaf de eerste dag volgend op de onverschuldigde betaling.

Verweerder vraagt het verzet tegen dwangbevel van eiseres ongegrond te verklaren, en eiseres afte wijzen.

B. BEOORDELING

1) Wat de beweerde nietigheid van het dwangbevel betreft

1.1. Eiseres wijst erop dat zij weliswaar louter privématig woonachtig is te …, maar dat zij haar professionele activiteit uitsluitend te uitoefent.

Zij verwijst naar art. 52 van de Wet van 18 juli 1966 op het taalgebruik in bestuurszaken, dat stelt dat vennootschappen de taal gebruiken van het gewest waar hun zetel of verscheidene uitbatingszetels gevestigd zijn, voor de akten en bescheiden opgelegd door de wet. De Vaste Commissie voor Taaltoezicht heeft beslist dat dit artikel 52 van toepassing is op zelfstandigen (advies nr. 24.113 van 17 februari 1993).

Verder stelt eiseres dat voormelde Wet van 18 juli 1966 van toepassing is op akten afkomstig van fiscale overheden.

Daarnaast verwijst eiseres naar het antwoord van de toenmalige Minister van Financiën op een parlementaire vraag dat de wijziging van het controlekantoor in functie van de woonplaats of van de maatschappelijke zetel door een administratieve circulaire van 1996 aanleiding kan geven tot moeilijkheden op het vlak van het taalgebruik in hoofde van de belastingplichtige.

Eiseres meent dat deze administratieve circulaire van 1996, die de bevoegdheid geeft aan het controlekantoor van Vilvoorde, terwijl haar professionele activiteit zich afspeelt te …, strijdig is met voornoemd art. 52.

Zij meent dan ook dat het dwangbevel en het proces-verbaal van 25 mei 2000 nietig zijn, omdat deze in het Nederlands werden opgesteld door de administratie te Vilvoorde, terwijl zij valt onder de bevoegdheid van … en gebruik wil maken van het Frans in haar relaties met de administratie. Daartoe verwijst eiseres naar art. 20 van voormelde Wet van 18 juli 1966.

Zij stelt nog dat de administratieve circulaire, die de bevoegdheid geeft aan het kantoor te Vilvoorde, geen juridisch bindende waarde heeft.

1.2. Verweerder wijst erop dat inzake BTW sedert 1 januari 1996 is bepaald dat voor natuurlijke personen, voor de bepaling van het bevoegde kantoor, het domicilie ht:t geldende criterium is, en niet de plaats waar de activiteit wordt uitgeoefend. Daarmee wordt dezelfde regeling als inzake directe belastingen toegepast.

Verweerder stelt dat, nu deze bevoegdheidskwestie vreemd is aan het domein van de sociale betrekkingen tussen werkgevers en werknemers, ze niet in strijd is met de Wet van 18 juli 1966, temeer het een louter in overeenstemming brengen is van de regels inzake territoriale bevoegdheid van de BTW en van de directe belastingen.

Nu Zaventem een ééntalig Vlaamse gemeente is, moet de taal worden gebruikt die is opgelegd aan de plaatselijke diensten van de woonplaats van de betrokkene, dus het Nederlands.

1.3. De rechtbank is van oordeel dat art. 52 van voormelde Wet van 18 juli 1966 in casu geen toepassing vindt. Niet alleen kunnen het dwangbevel en het proces-verbaal niet worden beschouwd als door bedrijven gebruikte akten en bescheiden die zijn voorgeschreven door de wetten. Evenmin valt men onder de overige bepalingen van dit artikel, nu deze betrekking hebben op het domein van de sociale betrekkingen tussen werkgevers en werknemers, zoals verweerder terecht voorhoudt. Kortom, art. 52 legt eenzijdig verplichtingen op aan het bedrijfsleven en in de sociale betrekkingen, terwijl dit artikel geen verplichtingen oplegt aan de overheid, die in art. 52 helemaal niet wordt vernoemd.

Ook het beroep van eiseres op art. 20 van voormelde Wet van 18 juli 1966 is naast de kwestie, nu dit artikel het gebruik der talen in de plaatselijke diensten die in Brussel-Hoofdstad zijn gevestigd betreft, en bijgevolg niet van toepassing is op het controlecentrum Vilvoorde dat de controle heeft uitgevoerd, noch op het ontvangkantoor Vilvoorde dat het dwangbevel heeft uitgevaardigd.

Bovendien komt de verklaring van verweerder omtrent de uitvaardiging van de administratieve circulaire in 1996 volkomen plausibel over : thans worden de grondige fiscale verificaties verricht door polyvalente controlecentra bevoegd zowel voor de BTW als voor de inkomstenbelastingen, en is het ondenkbaar dat in de context van eenheid van bevoegdheid in de materie territoriaal een opsplitsing zou gebeuren voor eenzelfde dossier op basis van een verschillend criterium naargelang het om een aangelegenheid inzake BTW of inkomstenbelastingen zou gaan.

Ten slotte wijst verweerder er, naar aanleiding van de door eiseres geciteerde parlementaire vraag, op dat de Minister van Financiën het tot op heden niet nodig heeft geacht om wijzigingen aan te brengen aan de territoriale bevoegdheidsregeling, zodat het controlecentrum Vilvoorde bevoegd is.

Nu Zaventem een ééntalig Vlaamse gemeente is, werd terecht het Nederlands gebruikt als taal die is opgelegd aan de plaatselijke diensten van de woonplaats van de betrokkene (zie de artikelen 34, § 1, vierde lid en 11, § 1 van voormelde Wet van 18 juli 1966).

Derhalve dient het eerste middel van eiseres te worden afgewezen.

2) Wat de beweerde schending van art. 319 WIB 1992 betreft

2.1. Vervolgens wijst eiseres erop dat het proces-verbaal van 25 mei 2000 is gesteund op onderzoekingen, die door de heer N. op 12 januari 1999 werden gedaan met schending van de onderzoeksmiddelen waarover de administratie der directe belastingen beschikt.

Volgens art. 319 WIB 1992 is het aan de ambtenaren van de administratie der directe belastingen toegelaten vrije toegang te hebben tot de beroepslokalen, maar houdt dit recht van toegang in geen geval de bevoegdheid in om deze lokalen te onderzoeken. Meer bepaald is het de ambteI1aren niet toegelaten de kasten te openen en de documenten te onderzoeken.

Eiseres stelt dat de heer N. op 12 januari 1999 haar kasten heeft doorzocht, dat zij zich tegen deze onwettelijke onderzoekingen heeft verzet, maar dat de heer N. haar heeft bedreigd. Zij stelt dat de gegeven onder bedreiging en dwang werden verkregen en bijgevolg op wederrechtelijke wijze in bezit werden genomen.

Eiseres betwist ten stelligste dat zij de heer N. vrijwillig toelating heeft verleend tot het meenemen van de boeken, en stelt dat zij haar verklaring op het ontvangstbewijs (een voor getypte tekst) onder dwang heeft ondertekend. Om de dwang aan te tonen, verwijst eiseres naar een beschikking van 9 november 1999 van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waarbij de heer N. weliswaar buiten vervolging werd gesteld voor identiek dezelfde feiten bij een andere belastingplichtige, enkel en alleen omdat deze feiten noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding uitmaken. Dit neemt volgens eiseres niet weg dat nooit in vraag werd gesteld of de feiten als dusdanig werden gepleegd.

De elementen waarover de administratie beschikt en de vaststellingen die ze heeft uitgevoerd zijn volgens eiseres slechts bewijskrachtig op voorwaarde dat deze op wettelijke wijze, d.w.z. binnen de door de wet bepaalde perken en bevoegdheden, werden verkregen.

Nu in casu het proces-verbaal en het dwangbevel rechtstreeks gebaseerd zijn op de mededeling door de heer N. van documenten die hij op onwettige wijze heeft verkregen, dient de BTW-herziening volgens eiseres als onwettig te worden beschouwd.

2.2. Verweerder stelt dat er geen enkele aanwijzing van protest is bij het uitoefenen van het inzagerecht. Bovendien stelt verweerder dat eiseres vrijwillig toelating heeft verleend tot het meenemen van de boeken waarop de in het proces-verbaal opgenomen berekening van de verschuldigde BTW is gesteund, hetgeen blijkt uit haar ondertekende verklaring op het ontvangstbewijs. Eiseres onthield zich bij die gelegenheid, alsook op de ontvangstmelding voor de teruggave van de register van enig bezwaar, opmerking of voorbehoud, waardoor haar beweringen, volgens verweerder, worden ontkracht.

2.3. De rechtbank treedt verweerder bij wanneer hij stelt dat de bewijsvoering van eiseres zich beperkt tot loutere beweringen en niet gesteund is op positieve en controleerbare argumenten.

Zo maakte eiseres niet het minste bezwaar, opmerking of voorbehoud bij de ondertekening van het ontvangstbewijs op 12 januari 1999, noch bij de ondertekening van de ontvangstmelding voor de teruggave van de registers.

De rechtbank stelt vast dat het ontvangstbewijs vermeldt dat de ondergetekende (eiseres) verklaart de vermelde personen spontaan toelating te hebben verleend om de documenten en/of register mee te nemen.

Letterlijk luidt de tekst van dit ontvangstbewijs als volgt :

"Le soussigné, M (...) déclare par la présente avoir autorisé spontanément les personnes susmentionnées à emporter ces documents et/ou registre.

Ceux-ci sont à me remettre pour Ie (...).

Date :

Signature : (...)".

Het loutere feit dat het ontvangstbewijs een voor getypte tekst was, maakt vanzelfsprekend op zich geen bewijs van enige dwang ten aanzien van eiseres uit.

Evenmin heeft eiseres op enig ander ogenblik verweerder aangeschreven om zich te beklagen over het wangedrag van de heer N., laat staan een schriftelijke klacht tegen hem neergelegd.

Wat de door eiseres ingeroepen klacht tegen de heer N. in een andere zaak betreft, stelt de rechtbank vast dat de raadkamer in haar motivering van de beschikking tot buitenvervolgingstelling van oordeel was dat de in verdenking gestelde in zijn hoedanigheid van ambtenaar van het Ministerie van Financiën zijn bevoegdheid overeenkomstig art. 319 WIB 1992 niet had overschreden en dat er geen sprake was van bedrieglijke wegneming van een dagboek houdende de boekhouding.

Ook de door eiseres ingeroepen krantenartikels bewijzen evenmin dat er in casu sprake is geweest van een op onregelmatige wijze verwerven van inlichtingen door verweerder.

Derhalve dient ook het tweede middel van eiseres te worden afgewezen.

3) Wat de beweerde schending van art. 315 WIB 1992 betreft

3.1. Eiseres doet vervolgens gelden dat de heer N. haar boeken en documenten heeft meegenomen in overtreding van art. 315 WIB 1992, dat alleen de overlegging zonder verplaatsing, d.w.z. de raadpleging ter plaatse, toelaat.

Zij stelt dat de ondertekening van het ontvangstbewijs op 12 januari 1999 onder bedreiging en dwang werd verkregen en bijgevolg niet geldig is.

Verder stelt eiseres dat, in de mate de heer N. zou hebben gehandeld met de bedoeling om inlichtingen te verzamelen met het oog op de vestiging van de BTW, hij niet bevoegd was om de in het W.BTW bepaalde onderzoeksbevoegdheden te gebruiken ten behoeve van de BTW, om boekhoudkundige documenten met bescheiden mee te nemen.

Op het ogenblik van de controle, nl. op 12 januari 1999, kon verweerder zich volgens eiseres niet beroepen op art. 95 van de Wet van 15 maart 1999, dat bepaalt dat de AOIF de bevoegdheid heeft die door de wettelijke bepalingen inzake belastingen is toegekend aan de fiscale administraties en hun ambtenaren. Derhalve beschikte de heer N., een ambtenaar van de directe belastingen, enkel over de door het WIB 1992 aan die administratie toegekende onderzoeksbevoegdheden.

Het feit dat voormeld art. 95 van toepassing is sedert 2 juli 1997 verandert volgens eiseres niets aan het onwettig karakter van de onderzoeksdaden van de heer N.. Eiseres verwijst ter zake naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 29 april 1993, Pas., 1993, I, 415), volgens dewelke een nieuwe wet de nietigheid niet kan opheffen van procedurehandelingen die overeenkomstig de toenmalig van toepassing zijnde wet nietig waren.

3.2. Om de hiervoor onder 2.3. aangehaalde redenen meent de rechtbank dat er van een schending van art. 315 WIB 1992 geen sprake kan zijn.

Verder treedt zij verweerder bij, wanneer deze stelt dat de wet op het vlak van de inkomstenbelastingen niet verbiedt dat de boekhouding met toestemming van de belastingplichtige kan worden meegenomen (zie : Rb. Kortrijk, 17 september 1987, F.J.F., 1988, N° 88/148, p. 273).

Verder treedt de rechtbank verweerder bij dat de heer N. geen gebruik heeft gemaakt van bevoegdheden van BTW-ambtenaren, maar dat hij binnen het kader van de wetgeving inzake directe belastingen gebruik heeft gemaakt van zijn wettelijke bevoegdheden.

Derhalve dient ook het derde middel van eiseres te worden afgewezen.

4) Wat de beweerde schending van art. 333 WIB 1992 betreft

4.1. Vervolgens verwijst eiseres naar art. 333 WIB 1992, volgens hetwelk de onderzoekingen, die de administratie kan verrichten, zonder voorafgaande kennisgevingen mogen worden verricht in de termijn bedoeld in art. 354, lid 1 WIB 1992, d.w.z. gedurende 3 jaar vanaf de eerste januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting verschuldigd is.

De onderzoekingen hebben volgens eiseres plaatsgevonden in januari 1999, zonder voorafgaande kennisgeving en zonder dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die ten aanzien van hem bestaan voor het bedoelde tijdperk (zie art. 333, lid 2 WIB 1992).

Eiseres wijst erop dat een belasting, die werd gevestigd met schending van art. 333 WIB 1992, nietig is.

4.2. Met reden merkt verweerder op dat de in het proces-verbaal vastgelegde verschuldigde BTW het gevolg is van het ontdekken van een dagontvangstenboek dat de werkelijke ontvangsten voor de jaren 1995, 1996, 1997 en 1998 bevatte.

De. BTW-ambtenaar die de BTW, op de niet aangegeven ontvangsten vordert, is niet gebonden door de in het WIB 1992 vastgestelde termijnen. Inzake BTW verjaart de vordering tot voldoening van de belasting door verloop van 5 jaar te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan (art. 81 W.BTW), zodat in casu de niet aangegeven inkomsten niet verjaard waren op 14 augustus 2000, zijnde de datum van betekening van het dwangbevel, waardoor een nieuwe vijfjarige verjaringstermijn begon.

Derhalve dient ook het vierde middel van eiseres te worden afgewezen.

5) Wat de toepassing van art. 93quaterdecies W.BTW betreft

5.1. Eiseres stelt dat verweerder aanhaalt dat de heer N. in zijn hoedanigheid van ambtenaar van directe belastingen de verzamelde inlichtingen heeft medegedeeld aan de ambtenaar van de BTW bij toepassing van art. 93quaterdecies W.BTW.

Volgens eiseres werden deze inlichtingen en stukken op onrechtmatige wijze verkregen en konden zij derhalve niet op basis van voormelde bepaling worden medegedeeld aan de BTW-administratie.

5.2. Om de hiervoor onder 2.3. aangehaalde redenen meent de rechtbank dat er in casu geen sprake kan zijn van een op onregelmatige wijze verwerven van de inlichtingen door verweerder.

Derhalve dient ook dit laatste middel van eiseres te worden afgewezen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van mevrouw V. ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt … tot de kosten van het geding, begroot op 342,09 euro in hoofde van de Belgische Staat en op 342,09 euro in haren hoofde.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 9/1/2004.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer V., alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw B., afgevaardigd adjunct-griffier.

B. V.