Vervolging, rechten en voorrechten schatkist, geding, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 7 november 2006

Zoeken

Vervolging, rechten en voorrechten schatkist, geding, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-rechten-voorrechten-schatkist-geding-rechtbank-brugge-2006-11-07-2ab9

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
7 november 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

96 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 07.11.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 04/2842/A Rep.nr.2006/13979

de heer M. R., arbeider, wonende te …, …,

eiser,

voor wie is opgetreden Meester L. V. (balie Veurne) loco Meester T. V., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, BTW-directie te Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE, Katelijnestraat 7,

verweerder,

voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift tot kwijtschelding van boeten en intresten d.d. 14 juli 2004.

Gelet op de beslissing genomen door de BTW-directie Brugge d.d. 9 augustus 2004 waarbij het verzoek werd afgewezen.

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie d.d. 23 september 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 3 oktober 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiser was sinds 1 april 1982 als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE … wegens zijn activiteit als kleinhandelaar in vis.

Door eiser werden er geen BTW-aangiften ingediend voor het derde en het vierde kwartaal 1998.

Met aangetekende schrijven van 26 april 1999 en 27 mei 1999 kondigde de BTW­administratie een controle aan met als doel de ontbrekende aangiften op te halen en inzage te krijgen in de boekhouding. Eiser reageerde niet en er werd geen toegang verleend aan de BTW-administratie. Er werd een proces-verbaal opgemaakt op 27 mei 1999 en wegens het niet voorleggen van de boekhouding werd een boete opgelegd t.b.v. 100.000 BEF (2.476,94 EUR). Wegens niet betaling van deze boete werd op 1 augustus 2000 een dwangbevel uitgevaardigd.

Met aangetekende schrijven van 26 augustus 1999 en 24 december 1999 wordt door de BTW-administratie opnieuw een plaatsbezoek aangekondigd. Eiser reageerde niet en er werd geen toegang verleend aan de BTW-administratie. Vervolgens wordt in hoofde van eiser voor de periode 31 oktober 1999 tot 31 januari 2000 een bijzondere rekening opgemaakt wegens het niet indienen van de BTW-aangiften voor het derde en vierde kwartaal 1999. Wegens het niet indienen van deze BTW-aangiften is een geldboete verschuldigd van 40.000 BEF (991,57 EUR). M.b.t. de geldboete werd een dwangbevel uitgevaardigd op 23 april 2002.

Op 19 juli 2000 dient eiser een aangifte van stopzetting in met als datum van stopzetting 11 oktober 1999.

De BTW-administratie neemt inzage van het dossier van eiser bij de administratie der directe belastingen. Op basis van dit dossier en de gegevens die de BTW-administratie zelf heeft berekenen zij de BTW die nog verschuldigd is. Er werd een proces-verbaal opgesteld d.d. 10 december 2001. In dit proces-verbaal wordt de nog verschuldigde BTW vastgesteld op 4.506,11 EUR, er wordt een boete opgelegd t.b.v. 297,47 EUR wegens overtredingen inzake de aftrekregeling, facturatie en het niet opnemen van belastbare handelingen in de BTW-aangiften en een boete t.b.v. 2.478,94 EUR wegens het niet voorleggen van de boekhouding. Er werd hieromtrent een dwangbevel uitgevaardigd d.d. 13 december 2001.

Op 22 maart 2004 wordt uitvoerend beslag onder derden gelegd bij NV P. & C. te …, zijnde de werkgever van eiser.

Op 5 april 2004 wordt eiser gedagvaard in faillissement voor de rechtbank van koophandel te Veurne. Gezien de stopzetting van de handelsactiviteit zijn de voorwaarden voor faillissement niet vervuld en wordt de zaak op 12 januari 2005 doorgehaald.

Door eiser werd het bedrag van 4.820,49 EUR betaald, zijnde de hoofdsom van de verschuldigde BTW en de kosten. Deze betaling zou gebeurd zijn in 2004.

Volgens een overzicht van verweerder op 17 mei 2004 bedragen de openstaande sommen : boete 6.073,18 EUR, intresten 2.300,22 EUR en moratoire intresten 1.170,53 EUR.

Op 14 juli 2004 verzoekt eiser om kwijtschelding of vermindering van de boete en intresten.

Het verzoek wordt afgewezen bij beslissing van 9 augustus 2004.

Tegen deze beslissing werd fiscaal verhaal aangetekend.

2. Eiser vraagt :

- dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- dat gezegd wordt voor recht dat de boetes en intresten worden kwijtgescholden;

- ondergeschikt, dat de boetes en de intresten herleid worden op een billijk bedrag, af te betalen in 10 maandelijkse betalingen;

- dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard niettegenstaande elk verhaal en zonder kosten.

Verweerder vraagt dat de vordering ongegrond wordt verklaard en eiser veroordeelt wordt tot de gedingkosten begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

B. Betreffende de grond

1. bewijskracht van een proces-verbaal

De overtredingen en feiten die de verschuldigdheid van de geldboeten aantonen zijn opgenomen in de processen-verbaal die opgesteld zijn door verweerder. Deze processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Eiser levert het geen tegenbewijs maar stelt enkel dat eiser geen frauduleuze intenties had en dat hij zijn activiteit reeds had stopgezet.

Voor het opleggen van boetes m.b.t. de door verweerder aangehaalde overtredingen is evenwel geen frauduleuze intentie vereist.

Het is wel correct dat eiser zijn activiteit had stopgezet op 11 oktober 1999, maar hij bericht dit pas op 19 juni 2000 aan de BTW-administratie. Ondertussen had hij al een aantal brieven ontvangen van de BTW-administratie waarop hij niet gereageerd heeft. Eiser kan de BTW-administratie niet verwijten ten tijde van de feiten niet op de hoogte te zijn geweest van de stopzetting, gezien dit te wijten is aan de slordigheid van eiser zelf.

Eiser ontkent de feiten op zich ook niet.

2. kwijtschelding van administratieve boeten

2.1. Verweerder betwist niet dat de rechtbank met volle rechtsmacht kan oordelen over de door de BTW-administratie opgelegde boetes.

Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechtbank de rechtsmacht heeft om de boete aan te passen aan de concrete omstandigheden van de zaak d.w.z. na te gaan of de boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de toetsing met volle rechtsmacht niet alleen geldt voor geldboeten opgelegd bij toepassing van artikel 70, § 4 W.BTW maar ook voor de boeten opgelegd op grond van artikel 70, § 1 en 1bis W.BTW. De in artikel 70, § 1 en 1bis W.BTW voorziene fiscale geldboeten is een strafsanctie in de zin van artikel 6 E.V.R.M. en bijgevolg heeft de rechtbank de volledige rechtsmacht om zowel te oordelen over de opportuniteit als over de hoogte van de boete.

2.2. Eiser heeft tweemaal een boete gekregen van 2.478,94 EUR wegens het niet voorleggen van de boekhouding. Uit de feiten en stukken blijkt dat eiser herhaaldelijk werd op de hoogte gesteld van de controles, maar niet reageerde. Ook op de processen-verbaal en op de dwangbevelen heeft eiser niet gereageerd. De inbreuk op zich wordt niet betwist maar de straf dient in verhouding te staan met de inbreuk. Een boete van tweemaal 2.478,94 EUR is voor dergelijke inbreuken overdreven, zelfs als men er rekening mee houdt dat deze boetes tot doel hebben de belangen van de schatkist te vrijwaren en de belastingplichtige ertoe aan te zetten zijn verplichtingen na te komen. De rechtbank houdt hierbij rekening met het feit dat eiser sinds 11 oktober 1999 zijn activiteit had stopgezet en als loontrekkende was tewerkgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de aan eiser opgelegde boetes wegens het niet voorleggen van de boekhouding een repressief karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM. De sancties zijn onevenredig met de ernst van de gepleegde inbreuken. Een boete van 1.239,47 EUR per inbreuk is aangepast aan de ernst van de gepleegde inbreuk. De inbreuk werd door eiser tweemaal gepleegd zodoende is een boete van telkens 1.239,47 EUR evenredig en wordt een bedrag van 2.478,94 EUR van de totale boete kwijtgescholden.

Daarnaast heeft eiser een boete gekregen t.b.v. 297,47 EUR wegens overtredingen in 1997 en 1998 inzake de aftrekregeling, facturatie en het niet opnemen van belastbare handelingen in de BTW-aangifte. Uit de stukken blijkt dat de verschuldigde BTW inzake deze overtredingen 114.294 BEF (2.833,27 EUR) bedroeg. De boete werd door de BTW-administratie reeds verminderd volgens het toepasselijk barema vermeld in het Koninklijk Besluit nummer 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele geldboeten inzake BTW.

Gezien de ernst van de overtreding in een boete van ongeveer 10 % in verhouding billijk. Eiser heeft de overtreding ook nooit betwist en heeft de betreffende BTW slechts betaald in 2004.

Ten slotte kreeg eiser een boete van 991,57 EUR wegens het niet indienen van de BTW-aangiften voor het derde en vierde kwartaal 1999.

Verweerder heeft herhaaldelijk gemeld dat hij deze BTW-aangiften zou komen ophalen, doch zonder enige reactie van eiser. De controleur stond telkens voor een gesloten deur. De BTW-aangiften hadden trouwens betrekking op periodes toen eiser volgens zijn eigen verklaring van stopzetting toch nog een activiteit had.

Gezien de ernst van de overtreding is de boete in verhouding billijk.

3. kwijtschelding van de intresten

De wettelijke intrest is een normale vergoeding voor het gebruik van geld dat aan de schuldeiser van de hoofdsom al had moeten betaald zijn. Intresten op een BTW­schuld is een schuld die de belastingplichtige moet dragen.

Er is geen aparte rechtsgrond die de rechtbank toestaat om rechtstreekse deze schuld kwijt te schelden. De rechtbank kan alleen nagaan of de beslissing van de administratie om niet in te gaan op een vraag tot kwijtschelding van intresten is gebeurd binnen de wettelijke beperkingen en met respect voor de beginselen van behoorlijk bestuur.

Eiser stelt niet dat de beslissing d.d. 9 augustus 2004 niet is gebeurd binnen de wettelijke beperkingen of met een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.

Ook de rechtbank stelt geen inbreuken vast. Er kan bezwaarlijk enige schending van het evenredigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur zijn door van eiser intresten te vorderen die door de wet is voorzien. De beslissing van 9 augustus 2004 is bovendien voldoende gemotiveerd.

In die omstandigheden kan de rechtbank niet ingaan op de vordering tot kwijtschelding van intresten.

4. uitstel van betaling

4.1. Ondergeschikt vraagt eiser de boete en intresten te mogen afbetalen.

Volgens verweerder is alleen de BTW-ontvanger bevoegd om een afbetalingsplan toe te staan. Dit principe vindt volgens verweerder zijn oorsprong in artikel 66 van het Koninklijk Besluit van 17 juli 1991, houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit en dit artikel is geen fiscale wet in de zin van artikel 569, eerste lid, 32° Ger.W.

4.2. De Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat tot de Wet van 23 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken heeft geleid, bepaalt dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de werkelijkheid van om het even welke individuele toepassing van de belastingnorm. In de Memorie van Toelichting is o.m. te lezen dat tot deze geschillen o.m. behoren "het (niet) toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 W. 15 mei 1846, thans artikel 66 gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit)" (Part. St. Kamer, 1997-98, 1341/1 en 1342/1, bespreking van art. 4, p. 35).

Een belastingplichtige die betalingsmodaliteiten vraagt voor de uitvoering van een dwangbevel inzake BTW, betwist de facto de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel. Wanneer de administratie weigert de uitvoering van een dwangbevel (geheel of gedeeltelijk) op te schorten, is er wel degelijk sprake van een fiscaal geschil in de zin van artikel 569, eerste lid, 32° Ger.W.

4.3. Om zijn verzoek te staven legt eiser de aanslagbiljetten in de personenbelasting voor betreffende de inkomstenjaren 2000 en 2002. Daaruit maakt de rechtbank op dat eiser gehuwd is en 2 kinderen ten laste heeft. Hij is loontrekkende en heeft een netto-belastbare bezoldiging van ongeveer 22.000 EUR (in 2002 het meeste recente jaar). Zijn echtgenote is ook loontrekkende en heeft een lagere netto-belastbare bezoldiging. Het gezin heeft een eigen woning waarvoor zij een lening afbetalen.

Verder legt eiser een fiche 281.10 voor m.b.t. het inkomstenjaar 2003 waaruit blijkt dat eiser een bruto-belastbare bezoldiging heeft van 13.622,29 EUR. Verdere gegevens worden niet voorgelegd m.b.t. het jaar 2003.

Voorts mag worden aangenomen dat eiser te goeder trouw is. Eiser werkt, heeft geen hoog inkomen, heeft een gezin en heeft een lening af te betalen.

Rekening houdend met deze elementen gaat de rechtbank in op de vraag van eiser om de boete en intresten te mogen afbetalen.

Gelet op het uitzonderlijke karakter wordt de afbetalingsfaciliteit slechts verleend op voorwaarde dat de afbetaling stipt maandelijks zal gebeuren, uiterlijk de vijfde werkdag van de maand en met het gebruikelijke opeisbaarheidsbeding. De afbetaling moet ten laatste aanvangen in januari 2007.

Om praktische redenen verkiest de rechtbank om een minimale maandelijkse afbetaling te bepalen. Dit minimum wordt bepaald op 400 EUR per maand.

C. Betreffende de kosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.

D. Betreffende de uitvoerbaarheid bij voorraad

Eiser motiveert zijn verzoek om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet, zodat de rechtbank ook niet kan ingaan op het verzoek.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Vernietigt de beslissing van BTW-directie Brugge d.d. 9 augustus 2004 in de mate dat uitspraak gedaan werd over het verzoek van eiser om kwijtschelding te bekomen van de opgelegde boetes wegens het niet voorleggen van de boekhouding.

Verklaart het verzoek in de hierna bepaald mate gegrond.

Stelt de boete wegens het niet voorleggen van de boekhouding vast op 1.239,47 EUR per inbreuk en scheldt, gezien de inbreuk tweemaal werd gepleegd, een bedrag van in totaal 2.478,94 EUR aan boete kwijt.

Machtigt eiser om de BTW-boete en intresten jegens verweerder af te betalen aan 400 EUR per maand, ten laatste tegen de vijfde dag van elke maand tot volledige aanzuivering van de schuld en ten laatste aan te vangen in januari 2007. Verstaat dat deze machtiging tot afbetaling vervalt zodra eiser éénmaal ministens één volle maand vertraging oploopt bij de afbetaling, in welk geval het verweerder zal toegelaten zijn het volledige saldo in één keer in te vorderen.

Verwijst elk van de partijen in hun eigen gerechtskosten, zodat die kosten niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hen zelf moeten gedragen worden.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op zeven november tweeduizend en zes.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.