---
title: "Vervolging · Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 17 januari 2007"
description: "Vervolging. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 17 januari 2007."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-rechtbank-gent-2007-01-17-b648"
lang: "nl"
---

# Vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

17 januari 2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

116 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 17.01.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 JANUARI 2007

## Algemene rol nummer : 02/4630/A

In de zaak van :

**De heer J. D. T.**, wonende te …, …,

**eiser,**

hebbende als raadsman Mtr. **P. B.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur, ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Gent 2, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9050 Gent, Zuiderpoort, Gaston Crommenlaan 6/604,

**verweerder,**

hebbende als raadsman Mtr. **M. P.**, advocaat te …, …,

vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. RECHTSPLEGING

**1.1.** Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 20 december 2006 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

**1.2.** Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de geding inleidende dagvaarding d.d. 11 december 2002 met verzet tegen dwangbevel d.d. 14 oktober 2002, de onderscheiden conclusies van de partijen en hun respectieve stukkenbundels.

## 2. DE VORDERING

De vordering strekt ertoe :

\- het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te horen verklaren;

\- dienvolgens te horen zeggen dat de gevestigde bedragen niet verschuldigd zijn;

\- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding;

\- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande elk verhaal, zonder borg noch kantonnement.

## 3. FEITEN

Eiser was voor zijn activiteit van metser-voeger geïmmatriculeerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer …. Hij was gehouden tot het indienen van kwartaal-aangiften en derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en reglementering.

Bij vonnis d.d. 31 oktober 1990 van de rechtbank van koophandel te Gent werd eiser in staat van faillissement verklaard.

Door de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor te Gent 8 werd op 12 november 1990 lastens eiser een bijzondere rekening opgesteld voor het tijdvak van 30 april 1990 tot 31 juli 1990. Blijkens deze bijzondere rekening was eiser aan de Belgische staat een bedrag verschuldigd aan BTW van 187.578 BEF en een geldboete van 18.000 BEF meer de intresten.

Op 28 november 1990 werd door de ontvanger van het BTW­ontvangkantoor te Gent 2 een voorlopige verklaring van schuldvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van koophandel te Gent.

Ingevolge het vonnis van 9 januari 1991 van de rechtbank van koophandel te Gent werd de schuldvordering van de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Gent 2 opgenomen in het passief van het faillissement ten provisionele titel.

Op 4 januari 1991 werd bij aangetekend schrijven door de ontvanger van de BTW-ontvangkantoor te Gent 2 een definitieve verklaring van schuldvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van koophandel te Gent. Het verschuldigde bedrag aan BTW bedroeg 187.578 BEF meer intresten berekend tot op datum van het vonnis ten bedrage van 4.488 BEF.

De verminderde geldboete ten bedrage van 18.000 BEF werd kwijtgescholden door de gewestelijke directeur van de BTW te Gent.

Op 18 oktober 1993 werd door de curator medegedeeld aan verweerder dat het faillissement definitief werd afgesloten wegens gebrek aan actief bij vonnis gewezen door de rechtbank van koophandel te Gent d.d. 24 februari 1993 waarbij de schuldeisers werden hersteld in hun rechten.

Op 25 november 1993 werd aan eiser onder bepaalde voorwaarden een afbetalingsplan toegestaan met maandelijkse betalingen van 4000 BEF (bewijsstuk 9 - verweerder). Over de naleving van het afbetalingsplan werd door eiser en de BTW-ontvanger een uitvoerige briefwisseling gevoerd (zie bewijsstukken 10 tot 17 verweerder).

Op 8 mei 1995 werd door eiser een nieuw verzoekschrift gericht aan het BTW-ontvangkantoor waarbij hij verzocht om zijn schulden verder te mogen afbetalen met een kleine afkorting per maand (bewijsstuk 12 - verweerder)

Op 16 mei 1995 werd hem onder bepaalde voorwaarden een afbetalingsplan toegestaan van maandelijkse betalingen van 1000 BEF.

In de periode van 3 december 1993 tot 2 december 1997 werd aldus in totaal voor 59.000 BEF afbetaald.

Vermits er sedert 2 december 1997 geen betalingen meer werden verricht door eiser werd op 11 oktober 2002 een dwangbevel uitgevaardigd door de e.a. inspecteur ontvanger van het tweede BTW­ontvangkantoor te Gent. Overeenkomstig dit dwangbevel is eiser verschuldigd aan de Belgische Staat een bedrag aan BTW van 4.561,04 EUR, intresten tot 20 oktober 2002 ten bedrage van 2.925,19 EUR, te vermeerderen met de intresten vanaf 21 oktober 2002 en de vervolgingskosten.

Op 12 november 2002 werd het dwangbevel bij deurwaardersexploot betekend aan eiser (procedure stuk 2 - verweerder).

Op 3 december 2002 werd door de gerechtsdeurwaarder uitvoerend beslag gelegd op roerende goederen (procedure stuk 3 - verweerder).

Op 11 december 2002 werd door eiser verzet tegen dwangbevel met dagvaarding betekend. Eiser betwist daarin dat hij de sommen vermeld in het dwangbevel verschuldigd is. Gezien de eisbaarheid zich voordeed in 1990 zou deze schuld verjaard zijn. Verder stelt eiser dat de redelijke termijn is verstreken voor vervolgen van de betaling van de belasting, minstens de verwijlrente, aangezien eiser door het verstrijken van de jaren niet meer in de mogelijkheid is de gegrondheid van de motieven van het dwangbevel met kennis van zaken te onderzoeken. Verweerder zou bovendien de nalatigheidsintresten nodeloos hebben laten oplopen.

## 4. BESPREKING

### 4.1. met betrekking tot de verjaring van de schuldvordering

**4.1.1.** Verweerder stelt dat de verjaring van de schuldvordering niet is ingetreden en motiveert dit als volgt, daarbij verwijzend naar de relevante stukken :

> "- de vordering van verweerder heeft betrekking op een bijzondere rekening voor het tijdvak van 30 april 1990 tot 31 juli 1990 opgesteld bij toepassing van artikel 8, § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 24 van 23 oktober 1970 door de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor te Gent 8 (zie bewijsstuk nr. 1). De verschuldigde BTW blijkend uit deze bijzondere rekening spruit voort uit het vorig saldo op datum van 30 april 1990 van de BTW-rekening-courant van verzoeker gehouden overeenkomstig artikel 5, § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 24 van 23 oktober 1970. Uit de bijzondere rekening blijkt dat inzake dit vorig saldo het vroegste tijdstip waarop de vordering tot voldoening van de BTW is ontstaan 21 mei 1989 is (zie bewijsstuk nr. 1 : deel 3, rubriek d).
>
> \- de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten is derhalve ten vroegste ontstaan op 21 mei 1989. Overeenkomstig artikel 81 W.BTW zou de verjaring bijgevolg intreden op 21 mei 1994 indien de verjaring niet tijdig werd gestuit.
>
> \- de verjaring werd tijdig gestuit op 28 november 1990 door de tijdige indiening van een voorlopige verklaring van schuldvordering op de griffie van de Rechtbank van Koophandel te Gent door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Gent 2 (zie bewijsstuk nr. 3). De verjaring werd telkens opnieuw gestuit door de indiening van een definitieve verklaring van schuldvordering op 4 januari 1991 door de Ontvanger van het BTW­Ontvangkantoor te Gent 2 op de griffie van de Rechtbank van Koophandel te Gent (zie bewijsstuk nr. 4); de opname van de voorlopige verklaring van schuldvordering in het passief van het faillissement ingevolge het vonnis van 9 januari 1991 van de Rechtbank van Koophandel te Gent (bewijsstuk nr. 5) en de opname van de definitieve verklaring van schuldvordering in het passief van het faillissement ingevolge het vonnis van 27 maart 1991 van de Rechtbank van Koophandel te Gent (bewijsstuk nr. 6).
>
> \- de verjaring die aldus werd gestuit, ressorteert effect tot de datum van het vonnis van afsluiting van het faillissement, zijnde 24 februari 1993 (zie bewijsstuk nr. 7).(...) De verjaring loopt slechts verder na de sluiting van het faillissement op 24 februari 1993 (Cass., 13 november 1997, op. cit.). Het vertrekpunt van de nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar dient bepaald te worden op 24 februari 1993. De verjaring zou bijgevolg intreden op 25 februari 1998 indien de verjaring niet tijdig werd gestuit.
>
> \- de verjaring werd gestuit op 12 november 1993 ingevolge het verzoek van verzoeker om zijn schuld te mogen afbetalen met 4.000 BEF (99,16 EUR) per maand (zie bewijsstuk nr. 8). Een vraag om gemak van betaling zonder voorbehoud geldt immers als stilzwijgende schulderkenning en stuit de verjaring (...). Hetzelfde geldt voor het nieuwe verzoek van verzoeker van 8 mei 1995 tot het bekomen van betalingsfaciliteiten (zie bewijsstuk nr. 12).
>
> \- het schrijven van 6 januari 1995 van verzoeker (zie bewijsstuk nr. 10), het schrijven van 8 mei 1995 van verzoeker (zie bewijsstuk nr. 12), het schrijven van 30 januari 1996 van verzoeker (zie bewijsstuk nr. 14), het schrijven van 9 februari 1996 van verzoeker (zie bewijsstuk nr. 16) en het schrijven van 14 februari 1997 van verzoeker (zie bewijsstuk nr. 17) kunnen beschouwd worden als een stilzwijgende schulderkenning en stuiten bijgevolg telkens de verjaring(...).
>
> \- de verjaring werd telkens gestuit door de vrijwillige betalingen verricht zonder voorbehoud door verzoeker (...). Er werden door verzoeker in totaal 35 betalingen verricht zonder voorbehoud. De eerste betaling werd verricht met datum van uitwerking 3 december 1993. De laatste betaling werd verricht met datum van uitwerking 2 december 1997. Deze vrijwillige betalingen verricht zonder voorbehoud gelden als stilzwijgende schulderkenningen (...).
>
> \- ingevolge de laatste vrijwillige betaling zonder voorbehoud van 1.000 BEF (24,79 EUR) met datum van uitwerking van 2 december 1997 (...), werd de verjaring op 2 december 1997 gestuit. Het vertrekpunt van de nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar dient bepaald te worden op 2 december 1997. De verjaring zou bijgevolg intreden op 3 december 2002 indien de verjaring niet tijdig werd gestuit.
>
> \- de verjaring werd tijdig gestuit op 12 november 2002 ingevolge de betekening bij deurwaardersexploot van het dwangbevel aan verzoeker (zie procedurestuk nr. 2). De betekening heeft derhalve plaatsgevonden voor 3 december 2002. De betekening van een dwangbevel met bevel tot betaling stuit de verjaring (...). Een nieuwe verjaringstermijn begon te lopen tot 12 november 2007.
>
> \- de verjaring werd opnieuw gestuit op 3 december 2002 ingevolge de betekening door de gerechtsdeurwaarder van een beslag op roerend goed (zie procedurestuk nr. 3). Een nieuwe verjaringstermijn begon te lopen tot 3 december 2007.
>
> \- op 11 december 2002 werd door verzoeker verzet tegen dwangbevel met dagvaarding betekend voor de Rechtbank (zie procedurestuk nr. 4) (verweerder) verwijst dienaangaande wat de verjaring betreft naar artikel 83 W.BTW."

**4.1.2.** Eiser stelt dat de afbetaling van schuld alleen geldt als stilzwijgende erkenning van deze schuldvordering indien de betaling werkelijk vrijwillig is gebeurd.

De wijze waarop de verweerder is gekomen tot de verjaringstermijn van vijf jaar die aanvangt op 24 februari 1993 wordt door eiser niet betwist.

Wel wordt betwist dat de daaropvolgende betalingen een vrijwillig karakter zouden hebben. Er is volgens eiser immers geen vrijwillige betaling indien de afbetaling volgt op een vordering van de administratie tot betaling.

Terzake verwijst eiser naar de brief van 26 oktober 1993 (bewijsstuk 18 - verweerder) die alle kenmerken zou vertonen van een uitvoeringsmaatregel uitgaande van een bevoegde overheid.

De betaling als gevolg van de toezending van dit schrijven kan volgens eiser niet met een vrijwillige betaling worden gelijkgesteld, gelet op het dwingend karakter ervan.

Eiser stelt dat rekening houdend met de morele dwang die van de brief van 26 oktober 1993 uitging, de betaling niet als vrijwillig kan worden aanzien. De uitgevoerde betalingen als gevolg van de veruitwendigde intentie van de bevoegde overheid om in te vorderen via alle middelen van recht, zouden bijgevolg de verjaring niet stuiten.

**4.1.3.** De artikelen [81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81), [82](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) en [83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals zij bestonden sedert hun wijziging bij de wet van 8 augustus 1980 (BS 15 augustus 1980), alvorens zij respectievelijk werden gewijzigd door de artikelen 52, 53, 54, 55 en 56 van de wet van 15 maart 1999, blijven van toepassing op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve boeten die zijn ontstaan vóór 1 januari 1999 (zie hoofdstuk IV - Art. 97 Inwerkingtreding Wet 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, BS 27 maart 1999).

Vermits in voorliggend geval de vordering tot voldoening van de BTW is ontstaan vóór 1 januari 1999, zijn de wetsbepalingen van artikelen 81 en 83 nog van toepassing.

De toepasselijke wetsartikelen luidden :

#### Art. 81 (oud) W.BTW

De vordering tot voldoening van de belasting, van de intrest en van de administratieve geldboete, verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.

#### Art. 83 (oud) W.BTW

Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het burgerlijk wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangende is.

Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, § 1, wordt ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoeld stuiting.

**4.1.4.** [Artikel 83 wetboek BTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) stelt duidelijk dat al de stuitingswijzen vermeld in het burgerlijk wetboek (artikel 2244 en 2248 B.W.) ook inzake BTW gelden.

Krachtens artikel 2248 B.W. kan de verjaring ook worden gestuit door de erkenning door de schuldenaar of de bezitter van het recht van degene tegen wie de verjaring loopt. Uiteraard kan ingeval van dergelijke erkenning de schuldeiser niet meer worden verplicht zijn vordering nog op te vorderen.

De erkenning door de schuldenaar is een eenzijdige rechtshandeling die zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend kan gebeuren.

De erkenning van de schuld gebeurt stilzwijgend wanneer dit op ondubbelzinnige wijze blijkt uit de handelingen van degene in wiens voordeel de verjaring loopt :

\- een begin van uitvoering, door een gedeeltelijke betaling van de schuld, het aanvragen van uitstel of van gemak van betaling, de betaling van de interesten;

\- het voorstel van borgstelling door degene in wiens voordeel de verjaring loopt;

(Fiscaal compendium, deel J.1.8/15).

Met vrijwillige betaling wordt bedoeld een betaling zonder dwang vanwege de administratie en voor elke vervolging (Cass. 24 september 1981, R.W., 1982-83, 1051-1052).

**4.1.5.** In het litigieuze schrijven van 26 oktober 1993 uitgaande van de BTW-ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Gent 2 wordt gesteld :

> "(...)
>
> Betreft : afsluiting faillissement d.d. 24/02/1993
>
> Tijdens het nazicht van uw dossier stelde ik vast dat de volgende bedragen op mijn kantoor verschuldigd zijn :
>
> #### RCIV nr. …
>
> BTW : 137.578 Fr.
>
> intresten berekend tot 20/11/1990
>
> en vanaf 21/03/1993 4.483 Fr.
>
> Ik zou u willen verzoeken mij een regeling te willen voorstellen teneinde deze sommen aan te zuiveren.
>
> De schuldenaar - natuurlijke persoon, wordt dus niet bevrijd door de sluiting van het faillissement, en voor zover de aanzuivering van de BTW-invordering(en) er niet kon worden door geschieden, herneemt de Administratie haar rechten en kan de invordering van het onbetaalde saldo met alle wettige middelen worden vervolgd op grond van artikel 535 van de faillissementswet van 18 april 1851 (...)"

Eiser kan zich niet beroepen op de morele dwang die hij zou hebben ervaren bij kennisname van het schrijven van 26 oktober 1993, daar hierin enkel de rechtspositie van eiser wordt verduidelijkt en nog alle mogelijkheden tot een minnelijke afbetalingsregeling worden opengelaten. De vraag om een voorstel tot regeling kan niet als een dwangmaatregel worden aanzien.

Dat dit door eiser ook zo werd ervaren blijkt onder meer uit diens brief d.d. 12 november 1993 waarin hij verzocht om een afbetaling van ongeveer 4000 BF per maand (bewijsstuk 8 - verweerder).

Op dit verzoek werd door de BTW-ontvanger op 25 november 1993 ingegaan (bewijsstuk 9 - verweerder). Eiser verzocht vervolgens op 8 mei 1995 om een wijziging van het afbetalingsplan te bekomen (bewijsstuk 12 - verweerder). Op dit verzoek werd ingegaan door de BTW -ontvanger op 16 mei 1995 (bewijsstuk 13 - verweerder).

Er werd door eiser geen enkel voorbehoud gemaakt bij de verrichte betalingen.

Het komt de rechtbank voor dat een vraag om uitstel van betaling, zonder enig voorbehoud geformuleerd, als een verjaringsstuitende schulderkenning geldt en dat de vrijwillige betalingen, verricht zonder voorbehoud, gelden als stilzwijgende schulderkenningen.

De vordering van de BTW en intresten is dan ook niet verjaard.

### 4.2. Over de redelijke termijn voor de invordering van de BTW en de nalatigheidsintresten

**4.2.1.** Eiser stelt dat de redelijke termijn voor de invordering is verstreken. Meer dan 15 jaar nodig hebben om een som, weze het een belastingschuld, in te vorderen, zou niet redelijk zijn. De nalatigheidintresten zouden daardoor nodeloos zijn opgelopen.

De overheid zou hierdoor een fout hebben begaan met als schade de belastingschuld zelf. Volgens eiser dient verweerder de belastingschuld dan ook zelf te dragen.

Tevens zou eiser door het verstrijken van de jaren niet meer in de mogelijkheid zijn de gegrondheid van de motieven van het dwangbevel met kennis van zaken te onderzoeken.

**4.2.2.** De rechtbank stelt evenwel vast dat de BTW-schuld voldoende duidelijk blijkt uit de door verweerder voorgelegde bewijsstukken nummers 19 tot en met 22.

Aangezien de verjaring in voorliggend geval nog niet is ingetreden, noch voor de BTW, noch voor de intresten, zijn er geen redenen om aan te nemen dat de redelijke termijn voor de invordering is verstreken.

**4.3.** Eiser kan ook niet worden gevolgd in de redenering dat verweerder door nalatigheid de interesten nodeloos zou hebben laten oplopen. Het is immers eiser zelf die het door hem voorgestelde afbetalingsplan tot tweemaal toe niet nakwam. Tevens heeft eiser in zijn schrijven van 14 februari 1997 de BTW-ontvanger verzocht de betalingen tijdelijk op te schorten (bewijsstuk 17 - verweerder). Na de laatste betaling met datum van uitwerking 2 december 1997 werd door eiser geen nieuw afbetalingsplan meer aangevraagd, terwijl hij nochtans wist nog een aanzienlijke som te moeten voldoen en wist dat de intresten nog liepen. Eiser werd immers door de BTW-ontvanger expliciet op de hoogte gebracht dat de verschuldigde intresten bleven lopen (stukken 9 en 13 - verweerder).

De BTW ontvanger kan dan ook geen nalatigheid worden verweten

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**DE RECHTBANK,** rechtdoende op **TEGENSPRAAK**,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en ongegrond,

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding,

Begroot de kosten als volgt :

aan de zijde van eiser :

dagvaarding met verzet : 208,23 EUR

rechtsplegingsvergoeding : 364,40 EUR

aan de zijde van verweerder :

rechtsplegingsvergoeding: 364,40 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken door de **zesde (fiscale) kamer** van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de openbare terechtzitting van **woensdag 17 januari 2007**, alwaar aanwezig waren :

Alleenzetelend rechter **J. V. d. F.**

Griffier **M. V.**

**M. V.** **J. V. d. F.**

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 2 voorkomens

[WBTW art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) 1 voorkomen

[WBTW art. 82](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Betaling, Verjaring, Faillissement](https://juriel.be/nl/rechtspraak/betaling-verjaring-faillissement-rechtbank-gent-2007-01-17-354c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring;dwangbevel;BTW-belastingplichtige;invordering van de BTW, vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-dwangbevel-btw-belastingplichtige-invordering-rechtbank-gent-2007-01-17-1311) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring, Verjaring van de vordering tot teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-vordering-teruggaaf-rechtbank-bergen-2009-03-04-5745) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, bewijs, controlemaatregel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-brussel-2009-04-06-5b0b) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-rechtbank-hasselt-2011-07-20-afd0) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Teruggaaf van belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-kortrijk-2002-03-04-caf8) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Teruggaaf van belasting, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-kortrijk-2003-03-17-f262) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring, Herzieningstermijn, Inventaris, Historische btw, verbouwing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-herzieningstermijn-inventaris-historische-btw-hof-van-beroep-antwerpen-2022-05-17-6c33) 2 gemeenschappelijke bepalingen
