Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 30.06.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER FISCAAL MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN
In de zaak nr. 98/1520/A - 250
R. J., uitbaatster van het café "S.", wonende te …, …,
en haar echtgenoot :
C. W., thans overleden op 23/9/1997,
zijn erfgenamen :
* R. J., hierboven vermeld,
* C. N., wonende te …, …
* C. I., wonende te …, …,
eiseres,
vertegenwoordigd door en pleitend meester K. G., advocaat te …, …, loco meester P. D., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, met kantoren te 1000 Brussel, Wetstraat 14, in persoon van de heer Gewestelijke Directeur de BTW te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, Sint-Katelijnestraat 7, op vervolging en benaarstiging van :
* de ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,
* de Hoofdcontroleur der BTW, Kortrijk 3, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,
verweerder,
vertegenwoordigd door en pleitend meester F. W., advocaat te …, … (ref. : RD 587),
Gezien de dagvaarding-verzet op 19/8/1998 betekend aan verweerder bij exploot van gerechtsdeurwaarder J. V. N. S. met standplaats te …, waarbij eisers verzet aantekenen :
a) tegen het aan eisers per 30/4/1989 ter kennis gegeven dwangbevel, uitgevaardigd per 12/1/1989 door de ontvanger van het eerste BTW-kantoor te Kortrijk, de heer E. T. en zgn. geviseerd en uitvoerbaar verklaard per 16/1/1989 door de heer A. V., gedelegeerd Inspecteur at interim, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie te Brugge, welke vordert :
- rechten BTW : 530.533 BEF weze 13.151,57 euro
- boeten : 397.500 BEF weze 9.853,77 euro
te vermeerderen telkenmale met de verwijlrenten zoals gespecifieerd en verder met de vervolgingskosten.
b) tegen het aan eisers per 17/6/1993 ter kennis gegeven dwangbevel, uitgevaardigd, per 12/1/1989 door de heer E. T. voornoemd, en zgn. geviseerd en uitvoerbaar verklaard per 16/1/1989, door de zgn. gedelegeerde inspecteur at interim, zgn. aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW; registratie en douanen te Brugge, waarbij gevorderd wordt :
- rechten BTW : 530.533 BEF weze 13.151,57 euro
- boeten : 397.500 BEF weze 9.853,77 euro
te vermeerderen ten. met de renten zoals gespecifieerd en verder met de vervolgingskosten.
c) tegen elke andere en verdere uitvoering, elke hypothecaire inschrijving en andere bewarende en uitvoerende maatregelen, tegen elke onrechtmatige inhouding of (zelfs toekomstige) compensatie zoals gespecifieerd.
In het dispositief wordt gevorderd te horen zeggen voor recht :
dat de op de schuld nr. 288/0317/13.912 betaalde som t.b.v. 556.510 BEF moet worden terugbetaald aan eisers, verhoogd met de moratoire rente aan 0;8 % per maand vanaf de dag der betaling;
en, zo nodig, dat de kennisgeving van dwangbevel, PV en ambtelijke aanslag en de aanslag zelf nietig zijn, minstens onwettelijk en/of ongegrond; zodat uitvoering onmogelijk is, minstens dat er niets valt in te vorderen;
en dienvolgens te horen zeggen voor recht, dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben;
indien de ''automatische'' aanzuivering van bovengenoemde som t.b.v. 556.510 BEF terecht mocht zijn - quod non - de terugbetaling ervan te horen bevelen, samen met de andere sommen die, of mochten zijn betaald, of aangezuiverd of ingehouden, verhoogd met de moratoire rente aan 0,8 % per maand, vanaf het ogenblik der betaling;
gedaagden minstens te horen bevelen dat de boeten moeten worden kwijtgescholden of verminderd;
- Eisers beroepen zich op de nietigheid van de kennisgeving en van het dwangbevel zelve, samen met het mede ter kennis gegeven proces-verbaal en bijgevoegd documentatie (ambtshalve aanslag).
- Ten tweede beroepen eisers ·zich op de nietigheid van de ambtshalve aanslag zowel als procedurehandeling dan als administratieve rechtshandeling, zodat tevens de verjaring niet zou gestuit zijn. Voorts wordt de nietigheid van de boeten ingeroepen. Tenslotte zouden betalingen ten onrechte ingehouden zijn.
Feitenrelaas volgens de administratie
Mevrouw J. R. is wegens haar geregelde activiteit van café-uitbaatster geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer ….
Op 15-06-1987werd een controle aangevangen over de jaren 1984 en 1985, dewelke nadien werd uitgebreid tot de periode van 1/1/1983 tot 31/12/1986.
De vastgestelde onregelmatigheden werden geacteerd in het proces-verbaal opgesteld door de controlerende ambtenaar, P. D., op 11 maart 1988 (stuk nr. 1).
Wegens het niet voorleggen van de leveringsbonnen uitgereikt door de NV B. A.-K., en het niet op afdoende wijze beantwoorden van de vraag om inlichtingen, werd bij aangetekend schrijven van 16/05/1988 kennis gegeven van het voornemen van de Administratie om een ambtelijke aanslag op te leggen. Overeenkomstig art. 66, 1ste lid W.BTW werd op 25/7/1988 een ambtelijke aanslag gevestigd, nadat betrokkenen niet had gereageerd binnen de voorziene termijn van één maand (stuk nr. 2).
Wegens het niet betalen van de verschuldigde bedragen, werd op 12/1/1989 door de bevoegde Ontvanger een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 16/01/1989 werd geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de gedelegeerde ambtenaar (stuk 3).
Dit dwangbevel werd een eerste maal ter kennisgeving verstuurd op 30/01/1989. Vervolgens werd met het oog op de stuiting van de verjaring respectievelijk op 17/6/1993 en 2/12/1997 een herhaalde kennisgeving van dwangbevel verstuurd aan eisers door de bevoegde Ontvanger.
Beoordeling
Verweerder werpt in limine litis de onontvankelijkheid van het verzet in wegens laattijdigheid waardoor de rechten van verdediging zouden geschonden zijn. De administratie verwijst tevens naar art. 6 E.V.R.M. volgens dewelke éénieder recht heeft op een tijdige behandeling van de zaak.
Het algemeen rechtsbeginsel van de rechten·van de verdediging is in casu niet van toepassing daar waar de BTW-administratie de taxerende en derhalve aanvallende partij is. De BTW-administratie moet geen uitvoerbare titel opmaken om belastingen te heffen zoals eisers terecht uiteenzetten. Voorts is art. 6 E.V.R.M. evenmin in casu op de proces-voering van toepassing.
Het verzet is ontvankelijk.
- Voorts dient van meet af aan opgemerkt dat de ingeroepen nietigheid van het dwangbevel zelve om redenen aangehaald in de dagvaarding onder litera B, 1 en 2 en C ongegrond is.
De wetgever heeft niet geregeld, noch expliciet aangeduid wie er bevoegd is om het afschrift van het dwangbevel ter kennis te brengen aan de belastingplichtige. De ontvanger is trouwens nauw betrokken bij het uitvaardigen en viseren en uitvoerbaar verklaren van het dwangbevel. Het afschrift van het dwangbevel staat redelijkerwijze gelijk met een voor eensluidende verklaarde fotocopie van het geheel ervan.
De identiteit en de hoedanigheid van de ondertekenaar, die tot de fiscale administratie behoort, zijn aldus genoegzaam bekend zodat in de redenen terzake door verweerder aangehaald er geen nietigheid voor het dwangbevel zelve voor handen is.
- Anderzijds bepaalt art. 85, § 1 W.BTW dat de kennisgeving van het dwangbevel gebeurd bij een ter post aangetekende brief en dat de afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag. Daar waar verweerder de vorderingen aan de post, inzake de aangetekende vorderingen van 17/6/1993 en 3/12/1997 voorlegt dient zij toe te geven geen bewijs van aangetekende zending van de kennisgeving van het dwangbevel van 30/1/1989 te kunnen voorleggen.
De rechtbank is van oordeel dat dit een substantiële vormvereiste betreft waardoor de administratie het positief bewijs dient te leveren op straffe van nietigheid.
De omstandigheid dat de belastingplichtige op de ene of andere wijze de inhoud blijkt te kennen is dus terzake niet relevant. Het dwangbevel is dus nietig zodat uitvoering is uitgesloten en de verjaring niet gestuit is. De volgende kennisgevingen zijn laattijdig, de verjaring verworven zijnde.
Tenslotte is er wel geen reden tot terugbetaling van de betaalde som van 556.510 BEF zijnde 13.795,52 euro nu tegoeden en/of betalingen niet op de oudste schuld van verweerster toegerekend worden wanneer deze betwist was. De verdere motivering en welke de rechtbank bijtreed worden door eisers terzake niet ontkracht gelet op het verzet met dagvaarding voor de rechtbank werden de betalingen toegerekend op de niet betwiste schuld 288/0804/03565.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende op tegenspraak,
Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het verzet ontvankelijk en als volgt gegrond.
Zegt voor recht dat gezien de nietigheid van de kennisgeving van het dwangbevel d.d. 30/1/1989, de aanslag nietig en zonder gevolg is.
Veroordeelt verweerder tot de kosten gevallen aan de zijde van eisers en begroot in besluiten neergelegd ter griffie op 8/11/1999 op 93,93 euro (3.789 BEF) rolstelling en dagvaardingskosten en 309,87 euro (12.500 BEF) rechtsplegingsvergoeding.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande enig verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.
Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Kortrijk, in de openbare terechtzitting op DERTIG JUNI TWEEDUIZEND EN DRIE.
Aanwezig :
B. D., alleenzetelend rechter,
H. L., adjunct-griffier.
H. L. B. D.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.