Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 18.01.2012
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTINGHOUDENDE TE HASSELT 11C KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 09/2120/A
MR. J. M. en MR. S. V., advocaten te …, … , in hun hoedanigheid q.q. van curatoren over het faillissement van de L. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer …, welke het geding hebben hervat bij conclusies neergelegd ter griffie op 21.09.2009.
eisers,
vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. N. G., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 21
ADMINISTRATIE DER BTW-administratie, in de persoon van de gewestelijke directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43,
verweerster,
vertegenwoordigd door Mr. O. loco Mr. R. F., advocaat te …, ….
EN IN ZAKE AR nr. 09/2121/A
MR. J. M. en MR. S. V., advocaten met kantoor te …, …, in hun hoedanigheid q.q. van curatoren over het faillissement van de NV L., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer …, daartoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van Koophandel te Leuven d.d. 27.04.2004.
eisers,
vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. N. G., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 21
ADMINISTRATIE DER BTW-administratie, in de persoon van de gewestelijke directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43,
verweerster,
vertegenwoordigd door Mr. O. loco Mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- de verzoeken op tegenspraak, inzake AR 09/2120/A neergelegd op 26.02.2004 en inzake AR 09/2121/A neergelegd ter griffie op 15.07.2004.
- de aanvullende en synthese conclusies van eisers, inzake AR nr. 09/2121/A, inhoudende een gedinghervatting.
- de respectievelijke overige besluiten en stukken van partijen.
I. Feiten en voorgaanden
De betwisting betreft het verzoek van eisers tot vrijstelling van nalatigheidsintresten en het verzoek tot wijziging van de toerekeningsvolgorde.
Bij NV L. werd er een controle uitgevoerd met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving met betrekking tot het jaar 1996. Er werden tijdens deze controle een aantal onregelmatigheden vastgesteld. Op 05.09.1997 werd desbetreffende een proces-verbaal opgesteld. Op basis van voornoemd proces-verbaal werd een dwangbevel uitgevaardigd.
NV L. tekende verzet aan tegen voormeld dwangbevel bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
Op 13.09.2002 besliste de rechtbank van eerste aanleg te Leuven dat het verzet gegrond was in de mate dat de administratieve geldboete verminderd werd tot 20 % van de verschuldigde belasting. Voor het overige werd het verzet als ongegrond afgewezen.
Er werd door NV L. geen hoger beroep aangetekend tegen voormeld vonnis.
Op 20.08.2003 verzocht NV L. om kwijtschelding van de nalatigheidsintresten. In haar verzoek aan de Gewestelijk Directeur te Hasselt stelde zij dat alle bedragen die zij ondertussen had betaald of werden ingehouden aangerekend werden op de nalatigheidsintresten en de geldboeten, vooraleer er kon begonnen worden aan de delging van de hoofdsom. Hetgeen volgens haar concreet betekende dat er dagelijks bijkomende intresten werden aangerekend op het nog verschuldigde saldo in hoofdsom. Zij meende dat vermits er geen sprake was van bedrog en/of van een poging de belasting te ontduiken aan haar vrijstelling van nalatigheidsintresten overeenkomstig art. 84bis W.BTW kon worden verleend.
Bij directorale beslissing van 03.12.2003 werd het verzoek van NV L. afgewezen. De administratie was van mening dat na nazicht van het dossier was gebleken dat de vennootschap reeds enkele jaren systematisch weigerde om elke som aan verschuldigde BTW te betalen en er door eiseres geen doorslaggevende elementen voor de kwijtschelding werden aangehaald.
Op 25 februari 2004 verzocht NV L. de Gewestelijk directeur der BTW, Registratie en Domeinen om de toerekeningsvolgorde van de ingehouden bedragen te willen wijzigen. Volgens NV L. was dit de enige mogelijkheid om tot een delging van de hoofdsom te komen.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 26.02.2004 stelde NV L. een vordering in rechte in tegen de beslissing van 03.12.2003 (rolnummer 09/2120/A).
Bij directorale beslissing van 25.03.2004 werd beslist om de uitspraak van de rechtbank betreffende de vrijstelling van nalatigheidsintresten af te wachten.
Bij schrijven van 31.03.2004 liet de raadsman van NV L. weten dat zij van mening was dat het verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsintresten niets te maken had met het verzoek tot wijziging van de toerekeningsvolgorde.
Bij directorale beslissing van 19.04.2004 werd beslist om geen wijziging van de toerekeningsvolgorde van betaling toe te staan.
Bij vonnis van de rechtbank van Koophandel te Leuven d.d. 27.04.2004 werd eiseres in staat van faillissement verklaard.
Bij verzoekschrift op tegenspraak (AR 09/2121/A) neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 15.07.2004 stelden Mr. J. M. en Mr. S. V., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van NV L., een vordering in rechte in tegen de directorale beslissing van 19.04.2004.
Middels conclusies (AR 09/2120/A) houdende verzoek tot gedinghervatting, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 21.09.2009 werd door Mr. J. M. en Mr. S. V., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van NV L., gevraagd akte te verlenen van de hervatting van het geding zoals ingeleid door de NV L..
Mr. J. M. en Mr. S. V., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van NV L. vorderen :
- hen akte te willen verlenen van de hervatting van het geding voor de NV L.
- de zaken met rolnummer 09/2120/A en 09/2121/A (voor de weglating van de rol respectievelijk 04/422/A en 04/1356/A) samen te voegen op grond van art. 30 Ger. W.
- de vorderingen ontvankelijk en gegrond te verklaren :
*
- dienvolgens de beslissing d.d. 03.12.2003 van de ambtenaar gedelegeerd door de Gewestelijk Directeur der BTW te hervormen.
- te zeggen voor recht dat er dient ingegaan te worden op het verzoek van eiseres tot vrijstelling van nalatigheidsintresten.
- in uiterst ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat minstens een substantiële herleiding van de intresten dient te worden doorgevoerd voor de periode van 20.10.1997 tot 13.09.2002
*
- dienvolgens de beslissing van 19.04.2004 van de ambtenaar gedelegeerd door de Gewestelijk Directeur der BTW te hervormen.
- te zeggen voor recht dat in casu dient ingegaan te worden op het verzoek tot wijziging van de toerekeningsvolgorde.
- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding inbegrepen de wettelijke rechtsplegingsvergoeding conform art. 1022 Ger. W., begroot op 1.200 €.
- minstens in het onmogelijke geval dat eisers zouden veroordeeld worden tot de gerechtskosten deze te beperken tot het minimum gelet op de financiële toestand van de NV L..
Verweerder vraagt de samenvoeging van beide dossiers en besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van de vorderingen van eisers. Tevens vordert verweerder eisers te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.320 €.
ll. Samenvoeging
Partijen vragen de samenvoeging van beide dossiers.
Ter wille van een goede rechtsbedeling dienen de twee zaken met AR nr.09/2120/A en AR nr.09/2121/A te worden samengevoegd.
III. Beoordeling
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vorderingen zijn dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
Overeenkomstig artikel 84bis BTW-wet mag de gewestelijke directeur van de BTW in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen van nalatigheidsintresten. Deze mogelijkheid tot vrijstelling is ook een gunstmaatregel die volgens de tekst van de wet enkel kan worden verleend door de gewestelijke directeur. Wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing mag de rechtbank niet in zijn plaats treden (vergelijk Cass., 4 maart 2004, www.cass.be , Cass., 17 april 2000, Arr. Cass., 2000, 258). Dit is het geval bij artikel 84bis BTW-wet.
De belastingplichtige heeft geen subjectief recht om te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen.
Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten een loutere schadeloosstelling is wegens de vertraging in de betaling van de belastingschuld zodat deze verschuldigdheid geenszins een straf is en aldus geen strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM.
Aangezien fiscale geschillen geen geschillen zijn over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.1 EVRM en aangezien de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten evenmin een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, heeft de rechtbank over deze verschuldigdheid geen controle met volle rechtsmacht op grond van artikel 6.1 EVRM (vergelijk EHRM 14 september 2004, F.J.F. 2005/126, EHRM 12 juli 2001, T.F.R. 2001/94 en Cass., 23 jan. 1992, Pas., 1992, l, nr. 269, p. 453).
Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen en heeft zij enkel rechtsmacht om te oordelen over de wettelijkheid van de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur. Indien de beslissing niet in overeenstemming met de wet is genomen dan kan de rechter deze beslissing enkel vernietigen maar niet zelf de gevraagde vrijstelling toestaan zoals door eisers wordt gevorderd.
Hetzelfde geldt voor de beslissing tot wijziging van de toerekeningsvolgorde van de betalingen. Deze beslissing behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de Minister van Financiën en de Directeur-generaal van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, en van de door deze laatste daartoe aangewezen ambtenaren.
Art. 19 Koninklijk Besluit nr. 24 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt immers : "De betalingen worden in de navolgende volgorde toegerekend : eerst op de kosten, daarna op de interesten, vervolgens op de administratieve geldboeten en tenslotte op de nog verschuldigde belasting.
Door of vanwege de Minister van Financiën kan, in overleg met de schuldenaar, die toerekeningsvolgorde worden gewijzigd."
Overeenkomstig het tweede lid van die bepalingen kan dus door of vanwege de Minister van Financiën, in overleg met de schuldenaar, die toerekeningsvolgorde worden gewijzigd.
De rechtbanken hebben daartoe geen enkele bevoegdheid. De rechtbank heeft enkel rechtsmacht om te oordelen over de wettelijkheid van de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur.
Betreffende de wettelijkheid van de bestreden beslissingen van de gewestelijke directeur
De beslissingen van de gewestelijke directeur dienen te beantwoorden aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
De bestreden beslissingen beantwoorden aan deze motiveringsvereiste wanneer deze beslissingen door hun inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.
Bij de motiveringsverplichting wordt een onderscheid gemaakt naargelang de administratie een gebonden bevoegdheid dan wel een discretionaire bevoegdheid uitoefent :
gebonden bevoegdheid, dit is wanneer de wet de inhoud of het voorwerp van de beslissing bepaalt die het bestuur moet nemen zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn, zodat er van beleidsvrijheid geen sprake is; de motivering speelt hierbij slechts een ondergeschikte rol (P. Van Orshoven, De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, R.W. 1991-92, 488),
discretionaire bevoegdheid, dit is wanneer de administratie op grond van haar eigen appreciatie al dan niet kan optreden, of de keuze heeft van de maatregel die het meest geschikt voorkomt om het gestelde doel te bereiken; de motivering heeft vooral hierbij belang en de administratie dient dan ook meer uitleg te verschaffen dan bij een gebonden bevoegdheid.
Uit art. 84bis W.BTW en art. 19 van het KB nr. 24 volgt dat de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid uitoefent betreffende respectievelijk de vrijstelling van nalatigheidsintresten en de wijziging van de toerekeningsvolgorde zodat de motivering van zijn beslissing dan ook van belang is en er dan ook meer uitleg moet worden verschaft dan bij een gebonden bevoegdheid.
In de bestreden beslissingen is respectievelijk de afwijzing van het verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsintresten en toewijzing van de toerekeningsvolgorde voldoende gemotiveerd, rekening houdende met de in de verzoeken van NV L. van 20.08.2003 en 25.02.2004 aangehaalde argumenten en deze beslissingen berusten op rechtens aanvaardbare motieven die steun vinden in werkelijk bestaande feiten. Dit geldt des te meer nu in deze verzoeken geen "bijzondere omstandigheden" werden aangehaald en tevens niet blijkt dat NV L. zich in een zodanige sociale toestand bevond dat de grootst mogelijke betalingen die zij kon verrichten lager blijven dan de tijdens een zelfde periode over de verschuldigde belasting te vervallen interest. Bovendien werd NV L. pas bij vonnis van de rechtbank van Koophandel te Leuven d.d. 27.04.2004 in staat van faillissement verklaard.
De beslissingen van de gewestelijke directeur beantwoorden aldus aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen zodat deze beslissingen aldus wettelijk zijn.
Betreffende de rechtsplegingsvergoeding
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS, 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen zijn akkoord over het niet in geld waardeerbaar zijn van de vordering.
Eisers stellen dat in het geval zij in het ongelijk gesteld worden zij enkel het minimumbedrag verschuldigd zijn.
Bij toepassing van artikel 1022 Ger. W. kent de rechtbank op verzoek van de curator het minimumbedrag van 82,50 EUR toe, rekening houdend met de huidige financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij omwille van het gegeven dat deze failliet is verklaard op 27.04.2004.
De voorschriften van de artikelen 2 en 30 tot 37 van de wet. van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak,
Verleent akte van de hervatting van het geding aan Mr. J. M. en Mr. S. V., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van NV L., zoals ingeleid door de NV L. en gekend onder rolnummer 09/2120/A,
Voegt de zaken met rolnummers AR nr. 09/2120/A en AR nr. 09/2121/A samen;
Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk, doch ongegrond.
Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding. Vereffent de kosten in hoofde van verweerder op 82,50 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer C op het gerechtshof te Hasselt op 18.01.2012 alwaar aanwezig waren :
Mevrouw C. P., rechter,
De heer Ph. N., griffier.
Ph. N. C. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.