Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg van Hasselt d.d. 14.07.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT,ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 07/820/A
1. H. W., ambtenaar, wonende te …, …,
2. H. M., zelfstandige, wonende te …, …,
3. J. C., gepensioneerde, wonende te …, …,
in hun hoedanigheid van erfgenamen van de heer H. J. (+ 16.08.2005), hun overleden vader, respectievelijk overleden echtgenoot.
eisers,
vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 21.
ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS- EN INKOMENSFISCALITEIT, vertegenwoordigd door de heer gewestelijk directeur ter controlecentrum Tongeren-Genk, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3700 Tongeren, Verbindingsstraat 26.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
EN IN ZAKE AR nr. 07/1219/A
H. M., zelfstandige, wonende te …, ….
eisers,
vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 21.
ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS- EN INKOMENSFISCALITEIT, vertegenwoordigd door de heer M. B., eerstaanwezend inspecteur diensthoofd van het controlecentrum Tongeren-Genk, met kantoren te 3700 Tongeren, Verbindingsstraat 26.
verweerder,
vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer M. B., eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd bij het Controlecentrum Tongeren-Genk.
VOLGT HET VONNIS :
In zake AR nr. 07/820/A
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 29.03.2007;
- de conclusies en stukken van eisers;
- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder.
Inzake AR nr. 07/1219/A
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.05.2007, met aangehecht een afschrift van de directorale beslissing van 20.04.2007;
- de conclusies, syntheseconcIusies en stukken van verweerder;
- de conclusies en, stukken van eiser.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
IN ZAKE AR nr. 07/820/A
1. De betwisting heeft betrekking op een naheffing inzake BTW met betrekking tot de jaren 2003 en 2004.
Naar aanleiding van een fiscale controle door ambtenaren van het AOIF met betrekking de door wijlen de heer H. J. (overleden op 16.08.05) tijdens de jaren 2003 en 2004 te …, … uitgebate drankenhandel, werd, ter afsluiting van het BTW-luik van dit fiscale onderzoek, door de heer M. H., als gevolmachtigde erfgenaam, de hem voorgelegde correctieopgave op 08.11.06 voor akkoord ondertekend.
In die correctieopgave, voor akkoord ondertekend, werd voor het jaar 2003 een omzetverhoging van 24.000,00 euro en voor het jaar 2004 een omzetverhoging van 40.000,00 euro weerhouden, met een bijkomend verschuldigde BTW van in totaal 11.724,00 euro tot gevolg, verhoogd met tot 2.345,00 euro verminderde proportionele boeten en de wettelijke interesten ad 0,8 % per maand over de verschuldigde BTW vanaf 21.01.05.
2. Eisers komen thans terug op dit akkoord; volgens hen is dit akkoord aangetast door dwaling in feite.
Het akkoord zou gesteund zijn op verkeerde gegevens en derhalve willekeurig zijn. Daarom moeten volgens eisers het akkoord en de erop volgende navordering nietig worden verklaard.
Bovendien zou dit akkoord eveneens nietig zijn omdat H. M. dit ondertekend heeft zonder volmacht van de andere erfgenamen.
IN ZAKE AR nr. 07/1219/A
1. Het geschil heeft betrekking op een aanslag in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting van de gemeente … in hoofde van eiser gevestigd voor het aanslagjaar 2004, kohierartikel … voor een te betalen belasting van 14.153,81 euro.
De betwiste aanslag in de personenbelasting resulteert uit het fiscaal administratief onderzoek dat gelijktijdig gevoerd werd voor deze aanslag, de aanslag van het inkomstenjaar 2004 (aanslagjaar2005) en de bepaling van de verschuldigde BTW over de inkomstepjaren 2004-2005.
2. Eiser was ingeschreven als zelfstandige helper in de drankenhandel van zijn ouders, H. J. en J. C..
H. J. baatte deze drankenhal uit onder BTW-nummer …, en had zowel professionele klanten (cafés enz.) aan wie gefactureerd werd, als particuliere klanten (drankafhalingen in de drankenhaI in …) aan wie niet gefactureerd werd;
Na het overlijden van H. J. werd de drankenhal tot 31.01.06 verder uitgebaat onder het BTW nummer … op naam van de vader, met eiser als zelfstandig helper en zijn moeder J. C..
Op 01.02.06 werd aan J. C. op haar verzoek een nieuw BTW-nummer toegekend ….
Eiser blijft officieel actief als zelfstandig helper.
3. Op 17.10.06 voerde het AOIF een controle uit bij de erfgenamen van H. J. over de inkomstenjaren 2003 en 2004.
Volgens het AOIF was gebleken dat er verschillende onregelmatigheden waren in de boekhouding en dat ze niet bewijskrachtig was, met name :
- er werd geen kasboek bijgehouden;
- er werd geen BTW-dagboek bijgehouden;
- er werden geen dubbels van kassarollen of kastotalen bijgehouden;
- de ontvangsten werden door eiser op twee manieren bepaald, met name door uitgestelde facturen voor de verkopen aan café's en door een forfaitaire berekening voor de verkoop in de drankenhal zelf.
De controlerend ambtenaar maakte een herberekening van het aan te geven omzetcijfer, en kwam op een aanzienlijk hoger bedrag uit dan het aangegeven omzetcijfer.
4. Na diverse besprekingen en wederzijdse toegevingen werd in aanwezigheid van eiser en zijn schriftelijk akkoord overeengekomen om de omzetverhoging van de twee gecontroleerde jaren 2003 en 2004 te bepalen op respectievelijk 24.000,00 euro (inkomstenjaar2003, aanslagjaar 2004) en 40.000,00 euro (inkomstenjaar 2004, aanslagjaar 2005).
De hieruit voortvloeiende belastbare nettowinsten van 44.503,43 euro (aanslagjaar 2004) en 60.204.73 euro werden met schriftelijk akkoord van eiser belast in zijnen hoofde, aangezien de eigenlijke leiding van de zaak door eiser zelf gebeurde (zie stukken 44 en 67 van het administratief dossier).
5. Eiser houdt in essentie voor dat het akkoord behept is met een dwaling en dus nietig is. Het in aanmerking genomen gemiddelde brutowinstpercentage van 19 % is te hoog. De berekening voor de verkopen in de drankenhal gebeurde volgens eiser op basis van verkeerde verkoopprijzen, waarbij de verkoopprijzen van 1996 in aanmerking genomen werden in plaats van die van 2003. Eiser legt daartoe de prijslijsten van 2003, 2004 en 2007 ter griffie neer.
Verder houdt eiser voor dat een akkoord niet verhindert dat de belasting moet gevestigd zijn conform de wet; dergelijk akkoord laat de administratie hierop te stellen als een vermoeden, doch staat er niet aan in de weg dat de belasting wettelijk moet gevestigd zijn en laat een betwisting van de geldige totstandkoming van dit akkoord onverlet.
6. Bij briefvan31.01.2007, toegekomen bij de bevoegde directie op 01.02.2007, ging eiser in bezwaar tegen de overeenkomstig het akkoord gevestigde aanslag.
Bij directorale beslissing van20.04.2007 werd het bezwaarschrift ontvankelijk doch ongegrond verklaard.
7. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter zitting van deze rechtbank op 18.05.2007 stelde eiser een vordering in rechte in.
II. SAMENVOEGING
Ter wille van een goede rechtsbedeling dienen de twee zaken met AR nr. 07/820/A en AR nr. 07/1219/A te worden samengevoegd.
III. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid ende ontvankelijkheid van de vorderingen.
De vorderingen zijn dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
IN ZAKE AR nr. 07/820/A
2.1. Inzake het zogenaamd gebrek aan volmacht
In conclusies van 03.06.2008 wordt het argument dat er geen volmacht van de andere erfgenamen was om het akkoord te ondertekenen, niet meer gehandhaafd (blz. 2 van die conclusies).
Samen met verweerder gaat de rechtbank er dan ook van uit dat er een geldige volmacht was om dergelijk akkoord te ondertekenen.
2.2. Inzake de dwaling: bij de ondertekening van het akkoord
1. Eisers houden voor dat het akkoord (correctieopgave van 07.11.2006) behept is met een dwaling in feite en dus nietig is.
Bij de berekening van de omzet-verkoop in de drankenhal werd uitgegaan van bepaalde verkoopprijzen. Uit de correctieopgave blijkt dat werd uitgegaan van de verkoopprijzen in 2006 (zie stuk 1, bundel verweerder).
De berekening werd zodoende gemaakt op basis van de prijzen in 2006 terwijl deze meer dan 10 % hoger liggen dan de prijzen in 2003. Tot staving van de prijzen in 2003, overleggen eisers de prijslijsten zoals deze in de drankenhal ter inzage lagen met betrekking tot 2003, 2004 en 2006. Eiser M. H. zou bij het afsluiten van het akkoord dit niet opgemerkt hebben.
2. De correctieopgave van 08.11.2006 is krachtens art. 84 W.BTW, een compromis omtrent feitenkwesties waarvan de partijen, ter beëindiging van een geschil op onherroepelijke wijze de vaststelling aanvaarden.
De belastingplichtige behoudt steeds het recht om op het akkoord terug te komen, indien hij aantoont dat hij een dwaling in feite of in rechte heeft begaan of indien hij een ander wilsgebrek kan aantonen.
Eisers falen in deze bewijslast.
Wat nu de door eisers ingeroepen dwaling in feite betreft, die zou zijn gebeurd bij de vaststelling van het brutowinstpercentage dat van toepassing was op de in de drankenhal verkochte aankopen, stelt de rechtbank vast dat er van een dwaling in feite geen sprake kan zijn nu het weerhouden brutowinstpercentage slechts na lange onderhandelingen en aanpassingen op verzoek van de feitelijke uitbater van de drankenhal, de heer M. H. zelf en de toenmalige boekhouder werden vastgesteld op 19 %. Dit percentage is niet het resultaat van een loutere vergelijking van de verkoopprijzen 2006 met de aankoopprijzen 2003 zoals voorgehouden, nu blijkt dat het percentage in de onderhandélingsfase werd verminderd.
Het volstaat niet te verwijzen naar een aantal verkoopprijzen (die van 2003, 2004, 2006 en 2007) die al dan niet verkeerdelijk zouden zijn gehanteerd als tegenbewijs.
De thans voorgelegde prijslijsten kunnen niet getoetst worden op hun werkelijkheid. Het is niet bekend wanneer ze werden opgesteld. Op basis van deze prijslijsten kunnen de concrete verkoopprijzen derhalve niet worden nagegaan.
Eisers dienen aan te tonen dat de ingevolge het akkoord belaste omzetcijfer van de jaren 2003 en 2004 door een dwaling in feite is aangetast doordat zij de werkelijk gerealiseerde omzetcijfers overtreffen of dat de werkelijke brutowinst gerealiseerd bij de verkopen in de drankenhallager is dan de thans belaste brutowinst.
Verder stelt de rechtbank vast dat na ondertekening van de correctieopgave prompt overging tot betaling van de BTW-schuld.
3. De vordering is dan ook ongegrond.
IN ZAKE AR nr. 07/1219/A
1. In beginsel heeft een akkoordverklaring van de belastingplichtige met het door de administratie gewijzigde bedrag van de aangegeven inkomsten, dezelfde bewijskracht heeft als de aangifte in de personenbelasting.
Dat evenwel deze erkenning geen dading is, doch enkel de juistheid van een feit betreft, te weten het cijfer dat de belastingplichtige moest aangeven; dat deze erkenning evenmin een verzaking aan een recht inhoudt, doch als enige uitwerking heeft dat de administratie wordt vrijgesteld van het leveren van het bewijs van de feitelijke elementen waarop de aanslag dient gevestigd.
Derhalve kan eiser als belastingplichtige steeds het bewijs leveren dat zijn akkoordverklaring is aangetast door een vergissing in feite of in rechte (zie Cass., 21 april 1953, Pas., 1953, I, 642; Cass., 14 september 1990, Pas., 1990, 1, 48; Antwerpen, 25 april 1994, F.J.F., 94/246)
2. Wederom stelt de rechtbank vast dat eiser niet in zijn bewijslast slaagt.
Zoals hoger gemotiveerd volstaat het voor eiser in casu niet om als tegenbewijs aan te voeren dat een vergissing in feiten aan de basis van het afgesloten akkoord ligt door louter een aantal verkoopprijzen die al dan niet verkeerd zouden zijn gehanteerd naar voren te schuiven.
Eiser dient aan te tonen dat de ingevolge het akkoord belaste omzetcijfer voor het jaar 2003 door een missing in feite het werkelijk gerealiseerde omzetcijfer overtreffen. Dit bewijs wordt door eiser niet geleverd.
3. De vordering is derhalve ongegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS, 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen ter zake standpunt ingenomen en begroten beide de rechtsplegingsvergoeding op 1.200,00 euro.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Voegt de zaken met AR nr. 07/820/A en AR nr. 07/1219/A samen.
Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding, vereffent in hoofde van verweerder op 1.200,00 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 14.07.2010, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.