---
title: "30 april 2003 · Vervolging, geding · Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, maatstaf van heffing. Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (België), 30 april 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-hasselt-2003-04-30-d967"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, maatstaf van heffing · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Hasselt

**Datum**

30 april 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

56 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 30.04.2003

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**INZAKE A.R. nr. 02/2011/A**

**K. W. P.**, wonende te …, …, eiser, vertegenwoordigd door Mr. **P.** loco Mr. **J. D.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging van benaarstiging van de Administratie van de belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,

verweerder, vertegenwoordigd door Mr. **F. R.**, advocaat te …,·…;

**EN INZAKE A.R. nr.02.2012.A**

**K. W. P.**, wonende te …, …, eiser, vertegenwoordigd door Mr. **P.** loco Mr. **J. D.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging van benaarstiging van de Administratie van de belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,

verweerder, vertegenwoordigd door Mr. **F. R.**, advocaat te …, …;

**VOLGT HET VONNIS :**

## Feiten en voorgaanden

In A.R. 02.2011.A heeft eiser met gerechtsdeurwaarders exploot van 18 juni 1992 verweerder laten dagvaarden in betwisting van diens dwangbevel van 26 mei 1992 dat aan eiser op 3 juni 1992 was betekend met gerechtsdeurwaardersexploot en waarbij tegelijk betalingsbevel was gedaan.

Deze betwisting was oorspronkelijk gekend onder A.R. 92B.1556, ingeleid op 30 juni 1992, en is, na weglating en herinschrijving op de rol overeenkomstig art. 730, § 2, Ger.W., thans gekend onder hoger vermeld rolnummer.

In A.R. 02.2012.A heeft eiser met gerechtsdeurwaardersexploot van 5 december 1997 verweerder laten dagvaarden in betwisting van diens zelfde dwangbevel van 26 mei 1992, herbetekend met aangetekende brief van 17 november 1997.

Deze betwisting was oorspronkelijk gekend onder A.R.97.2427.A, ingeleid op 16 december1997, en is, na weglating en herinschrijving op de rol overeenkomstig art. 730, § 2 Ger.W., op heden gekend onder hoger vermeld rolnummer.

Met brief van 29 juni 1990 (stuk 6 verweerder in beide zaken) had de belastingdienst van Douane & Accijnzen aan eiser gemeld dat hij bij de aangifte op 30 juni 1987 ten (toen nog) invoer van een gebruikte personenwagen Mercedes vanuit Duitsland, een te lage maatstaf van heffing zou hebben aangegeven en werd er een navordering geformuleerd van BTW-rechten.

Op 23 november 1990 hebben de ambtenaren van Douane & Accijnzen hierover een proces-verbaal ten name van eiser en van de door hem aangestelde douane-expediteur opgemaakt (stuk 7 verweerder in beide zaken), met daarin ook verwoording van de vordering van een BTW-boete gelijk aan tweemaal de nog openstaande rechten.

Dit proces-verbaal is op zijn beurt gehecht aan een proces-verhaal van een ambtenaar van de BTW van 22 mei 1992 met overeenstemmende inhoud als het eerst vermelde proces-verbaal (stuk 8 verweerder in beide zaken).

Het is het geheel van de beide voormelde processen-verbaal dat is gehecht aan het hogerop vermelde dwangbevel van huidig verweerder van 26 mei 1992 dat uitvoerbaar is verklaard op 1 juni 1992 en dat aan huidig eiser is betekend met het hoger vermelde exploot van 3 juni 1992 en later nogmaals met aangetekende brief van 17 november 1997 ( dit laatste als stuk 14 verweerder in beide zaken).

## Beoordeling

1\. Het gegeven dat beide zaken de betwisting van hetzelfde dwangbevel tot voorwerp hebben, leidt tot de samenvoeging ervan wegens samenhang onder toepassing van artikel 30 Ger.W.

2\. De toelaatbaarheid van elk der vernoemde rechtsvorderingen staat niet in betwisting, en ook ambtshalve is er geen oorzaak tot ontoelaatbaarverklaring aan te voeren.

3\. Met een op 15 oktober 1992 inzake A.R. 92B.1556 neergelegde (eerste) conclusie had verweerder verzocht om de behandeling uit te stellen 'in afwachting van een definitieve beslissing in de strafvordering”. Deze zaak lag dan blijkbaar stil tot verweerder op 15 oktober 2002 een nieuwe conclusie neerlegde ter griffie.

In de zaak onder A.R. 97.2427.A heeft verweerder op 15 oktober 2002 een (eerste) conclusie neergelegd met overigens dezelfde inhoud als de reeds vermelde conclusie van dezelfde dag in het A.R. 92B.1556.

Eiser verwijt, gelet op deze gegevens, verweerder dat hij onbehoorlijk bestuur zou hebben gevoerd door te hebben nagelaten *"om na het verzet van concluant het geding "in leven" te houden"* (conclusie eiser bladzijde 4).

Waar de door eiser ingestelde rechtsvordering tot betwisting van de fiscale vordering de uitvoering van het dwangbevel heeft gestuit krachtens van artikel 89, 2 de lid W.BTW, stond het hem vrij in het kader van de lopende gerechtelijke procedures stappen te nemen ter bespoediging ervan, zo hij van oordeel was daarbij belang te hebben.

Tijdens de aanhangigheid van de fiscaalburgerlijke procedures is naderhand gebleken dat de Procureur des Konings binnen zijn beleidsvrijheid heeft geoordeeld de eertijds geformuleerde strafklacht wegens valsheid in geschriften te moeten seponeren.

Het geschil beweegt zich aldus niet op het vlak van al dan niet valsheid in geschriften, zoals eiser voorhoudt, maar wel op het vlak van toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, en daarnaast handelde verweerder van zijn kant bestuurlijk niet onrechtmatig.

4\. Het stond eiser vrij om op de markt van vraag en aanbod voor het hogerop vermelde voertuig een prijs overeen te komen met de particuliere verkoper, uitgangspunt dat niet in betwisting is.

Hoewel het aan het dwangbevel gehechte proces-verbaal van de BTW ook verwijst naar het toenmalige artikel 34, § 5 W.BTW (tweede blad) en hoewel het de berekening van het gevorderde BTW-supplement doet vertrekken van wat met zoveel woorden wordt opgegeven als de 'waarde' van de auto bij het binnenbrengen (derde blad), blijkt uit de opgave van het bedrag van … DM (te zelfder plaatse) dat niet de douanewaarde als maatstaf van heffing in aanmerking werd genomen maar wel de door de belastingdiensten bevonden koopprijs.

De rechtbank dient te beoordelen of dit de werkelijke koopprijs was, nu eiser vooropstelt dat de koopprijs slechts … toenmalige DM was conform koopovereenkomst van 27 mei 1987 (zijn stuk 2), terwijl hij het qua opstelling - buiten dan de factuurprijs van … toenmalige DM - volkomen gelijke document van dezelfde datum bestempelt als 'niet bindend voorstel' van diezelfde datum 27 mei 1987 (zijn stuk 1).

Het document dat door eiser wordt omschreven als een 'niet bindend voorstel' (zijn stuk 1) werd blijkbaar noch ondertekend door eiser aan koperszijde, maar door zijn vader, noch door de eigenaar **H. N.** aan verkoperszijde, maar door ene heer **M.**, door eiser omschreven als hoofd van de plaatselijke dienst van de firma Mercedes te Düsseldorf en bemiddelaar bij autoverkopen door eigen werknemers van Mercedes.

De ondertekening door deze heer **M.** aan de verkopers zijde wordt voorafgegaan door de letters "i a", wat slechts kan worden gelezen als "im Auftrag" (Nederlands : in opdracht), nu bovenaan het document de heer **H. N.** als verkoper wordt vermeld.

Het document dat eiser dan weer bestempelt als de koopovereenkomst waardoor hij eigenaar werd (zijn stuk 2) en dat door hem is aangewend bij de invoeraangifte, blijkt alleen te zijn ondertekend door verkoper en toenmalig eigenaar **H. N.** maar niet door huidig eiser.

Bij de ondervraging door de belastingdienst Douane & Accijnzen heeft eiser verklaard dat de Mercedes zijn eigendom was (stuk 7 van verweerder in beide zaken, blz. 2 onderaan), zulks door aankoop uit handen van **N.**, waarvan niet wordt betwist dat die eigenaar was op de verkoopdatum 27 mei 1987.

Het document dat eiser bestempelt als een 'niet bindend voorstel' (zijn stuk 1) kan slechts worden gelezen als het instrumentum van een overeenkomst van koop-verkoop, nu het de titel "Kaufvertrag" (Nederlands : koopovereenkomst) draagt, terwijl er gelet op de ondertekening door de twee partijen geen tegenindicatie voorligt dat het slechts zou gaan om louter een voorstel, zodat de voorwaarden voor totstandkoming van een koop-verkoop waren voldaan, overigens ook naar Duits recht, en het is gebleken dat de wagen op dezelfde datum 27 mei 1987 is geleverd en in ontvangst genomen, zodat de eigendom van de wagen op die datum is overgegaan.

De vader van huidige eiser die deze koop ondertekende, wordt door laatstgenoemde in conclusie geduid als voor hem optredende onderhandelaar.

Uit de totstandkoming van een geldige koop-verkoop, zoals die blijkt uit het door zowel vader **K.** als dhr. **M.** ondertekende en als koop-verkoop betitelde document, samen met de verklaring van eiser aan de belastingdienst Douane & Accijnzen dat hij op 27 mei 1987 door aankoop uit handen van dhr. **N.** eigenaar is geworden van het voertuig, besluit de rechtbank als feitenrechter dat vader **K.** die koopovereenkomst heeft ondertekend in hoedanigheid van mandataris van huidig eiser, zulks tegen de prijs van … toenmalige DM, met aan de andere kant de hogerop vernoemde heer **M.** als mandataris van **N.**.

Bij dit alles kan het enkel door dhr. **N.** ondertekende andere, door eiser bij de invoer aangeboden document niet dienstig zijn als instrumentum van het gesloten zijn van een koop-verkoop.

Uit een en ander blijkt dat de werkelijk voor het voertuig door eiser betaalde prijs van … toenmalige DM terecht als maatstaf van heffing in aanmerking is genomen en dat de vordering van eiser in betwisting van de gevorderde BTW-rechten ongegrond is.

Nu uit de feiten blijkt dat eiser gepoogd heeft om met kunstgrepen een deel van de werkelijk door hem betaalde aankoopprijs te verdoezelen met het oog op verschuldigdheid van minder BTW dan bepaald door de wet, is hem terecht de hoogst mogelijk BTW-boete aangerekend.

---

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak :

Voegt de zaken onder A.R. 02.2011.A en A.R. 02.2012.A samen. Verklaart beide vorderingen toelaatbaar maar ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten, deze aan elke zijde in de respectieve conclusies begroot en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op € … bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de **elfde kamer** op het gerechtshof te Hasselt op **30 APRIL 2003** alwaar aanwezig waren :

De Heer **L. .B.**, rechter, waarnemend voorzitter;

Mevrouw **M. C.** en Mevrouw **C. V.**, rechters;

De Heer **R. J.**, adjunct-griffier.

**R. J.** **C. V.** **M. C.** **L. B.**
