---
title: "Vervolging, geding · Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 29 september 2009"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 29 september 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-gent-2009-09-29-23af"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

29 september 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

65 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 29.09.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## Rechtbank van Eerste aanleg te Gent - Zesde Fiscale Kamer - Openbare terechtzitting van 29 september 2009

**Rolnummer AR 01/3173/A**

In de zaak van :

**V. D. B. E.**, wonende te …, …

EISER, hebben de als raad Mter **V. D.,** advocaat te …, …

tegen :

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur directie Antwerpen, Administratie van de Ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, Sector BTW, met kantoren te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4

VERWEERDER, hebben de als raad Mter **Ph. V.**, advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift de dato 11 september 2001.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 30 juni 2009 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad genomen.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

**2.1.** Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … voor de economische activiteit van kleinhandel brandstoffen, vervoer van goederen ruimen van aalputten.

Op 31 december 1997 werd door eiser een correctie-opgave voor akkoord ondertekend.

Op 11 mei 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 mei 1998.

Op 25 maart 1998 werd een proces-verbaal opgesteld.

Op 21 augustus 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 augustus 1998.

Op 25 maart 1998 werd een proces-verbaal opgesteld.

Op 21 augustus 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 augustus 1998.

Gelet op de bijzondere rekening voor de periode van 31 maart 1997 tot 31 juli 1997.

Op 15 juni 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22 juni 1998.

Gelet op de bijzondere rekening voor de periode van 30 april 1996 tot 31 juli 1996.

Op 9 juni 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22 juni 1998.

Gelet op de bijzondere rekening voor de periode van 31 oktober 1996 tot 31 januari 1997.

Op 9 juni1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22 juni 1998.

Op 11 februari 1998 werd een proces-verbaal opgesteld.

Op 15 juni 1998·werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22·juni 1998.

Op12 juni 2001 diende eiser een verzoekschrift in tot kwijtschelding van de boete en intresten.

Bij beslissing de dato 13 juli 2001 van de gewestelijke directeur van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit sector BTW te Antwerpen werd het verzoek tot kwijtschelding van de opgelegde administratieve geldboeten (uitgezonderd de verhoging van de boete ingevolge betekening van een dwangbevel) en tot vermindering van de intresten afgewezen.

Op 11 september 2001 legde eiser een fiscaal verzoekschrift ter griffie van de rechtbank alhier neer.

**2.2.** Eiser vraagt dat : de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dat dienvolgens de bestreden beslissing tenietgedaan wordt en dat gezegd wordt voor recht dat eiser niet gehouden is tot de gevorderde administratieve geldboeten en nalatigheidsintresten en dat subsidiair de opgelegde boeten substantieel verminderd worden en dat terugbetaling bevolen wordt van de door eiser ten onrechte betaalde en/of door verweerder ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

**2.3.** Verweerder vraagt dat : de vordering onontvankelijk, minstens ongegrond verklaard wordt en eiser veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vast dat huidige vordering tegen de belastingadministratie werd ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak de dato 11 september2001.

Artikel 89, 2° lid, W.BTW, in voege voor de wetten van 15 en 23 maart 1999 m.b.t. de beslechting en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij een door de belastingschuldige gedaan en met reden omkleed verzet met dagvaarding.

Artikel 59 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat artikel 89, 2° lid W.BTW wordt vervangen door de volgende bepaling : *“de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte”*.

Met betrekking tot de inwerkingtreding van de procedureregels stelt artikel 97, derde lid van voormelde wet van 15 maart 1999 dat voormeld artikel 59 van toepassing is op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

De wet van 23 maart 1999 betreffende in rechterlijke inrichting in fiscale zaken (in werking getreden op 6 april 1999) stelt in artikel 9 het volgende : *"in boek IV van het vierde deel van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen·1385decies en 1385undecies ingevoegd, luidend als volgt : Hoofdstuk XXIV - geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Artikel 1385decies - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake geschillen bedoeld in artikel. 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak”*.

In voormelde wet van 23 maart 1999 wordt de overgangsbepaling van·artikel 97 van de Wet van 15 maart 1999 niet afgeschaft.

Het is duidelijk dat het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385decies en artikel 1385undecies van het gerechtelijk wetboek zoals ingevoerd door de wet van 23 maart 1999) maar van toepassing is in zoverre er hierop geen uitzonderingen zijn voorzien in het bijzonder fiscaal procesrecht.

In casu is het duidelijk dat artikel 89, tweede lid W.BTW en de artikelen 59 en 97, derde lid van de wet van 15 maart 1999 uitzonderingsbepalingen vormen op het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385decies en undecies Ger.W.).

Gelet op het voorgaande dient besloten te worden dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het fiscaal geding wordt ingeleid (verzoekschrift in plaats van dagvaarding) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vordering of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan.

De twaalfde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent kwam in haar vonnis dd. 9 november 2000 in de zaak **C. C.** t/ BELGISCHE STAAT tot dezelfde conclusie.

Uit de door verweerder voorgelegde stukken blijkt dat de oorzaak van opeisbaarheid van de hier betwiste sommen zich heeft voorgedaan in de periode van 1993 tot 1997, zodat het verzet ten onrechte werd ingeleid bij verzoekschrift. De wet voorziet in onderhavig geval dat de geding inleidende dient te geschieden bij dagvaarding.

Aangezien voormelde regels met betrekking tot de rechtsingang ressorteren onder de rechterlijke organisatie, houdt de miskenning ervan zonder meer de ontoelaatbaarheid van de vordering in (Cass, 27 mei 1994, RW 1994-95. Kol 1017) zelfs wanneer deze miskenning de rechten van de verwerende partij geenszins benadeelt.

Gelet op de onontvankelijkheid der vordering dienen de overige grieven van eiser niet onderzocht te worden.

### 3.2. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld en moet overeenkomstig artikel 1017, lid 1 Ger.W. de gerechtskosten dragen. De gerechtskosten belopen het bedrag van … EUR, zijnde het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zoals gevorderd.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering niet ontvankelijk.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op …. EUR basisrechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag **negenentwintig september tweeduizend en negen**, waar aanwezig waren :

\- mevrouw **A. H.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

\- mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **A. H.**
