Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 24.06.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 JUNI 2009
Rolnummer AR 06/4124/A
In de zaak van :
BVBA F., met maatschappelijke zetel te …, …, ondernemingsnummer …
eiseres,
hebbende als raadsman mter. L. T., advocaat te …, …
tegen :
1. De BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12.
2. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de invorderingen, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Sint-Niklaas, met burelen te 9100 Sint-Niklaas, RAC, Driekoningenstraat 4 bus 2
verweerder,
hebbende als raadsman mter. E. V. A., advocaat te …, …
En in de zaak van :
Rolnummer AR 06/4172/A
BVBA F., met maatschappelijke zetel te …, …, ondernemingsnummer …
eiseres,
hebbende als raadsman mter. L. T., advocaat te …, …
tegen :
1. De BELGISCHE STAAT, .Federale overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
2. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de invorderingen, vertegenwoordigd door de directeur van de Administratie van de BTW, registratie en Domeinen, met burelen te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4
verweerder,
hebbende als raadsman mter. E. V. A., advocaat te …, …
vonnist de rechtbank als volgt :
1. RECHTSPLEGING
1.1. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 2 juni 2009 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
1.2. De dossiers van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het geding inleidende verzoekschrift neergelegd op 6 december 2006 (zaak 06/4172/A) en de geding inleidende dagvaarding d.d. 11 oktober 2006 (zaak 06/4124/A), de onderscheiden conclusies van de partijen, evenals hun respectieve bundels.
2. SAMENVOEGING
De partijen verzoeken de rechtbank de zaken gekend onder AR nrs. 06/4124 en 06/4172/A samen te voegen wegens samenhang (art. 30 Ger. W.)
Aangezien beide voorzieningen betrekking hebben op hetzelfde dwangbevel, dringt de samenvoeging zich op.
3. DE VORDERING
3.1. Eiseres heeft verzet aangetekend tegen een haar op 28 september 2006 per aangetekend schrijven ter kennis gebracht dwangbevel, met RCIV nummer …, uitgevaardigd op 14 september 2006 door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Sint-Niklaas, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen.
3.2. De vordering zoals laatst verwoord in conclusie strekt er meer bepaald toe :
"de zaken gekend AR 06/4172/A en AR 06/4124/A te voegen
Dienvolgens
In hoofdorde te zeggen voor recht dat de bedragen opgenomen in het dwangbevel RCIV … niet verschuldigd zijn gezien de BTW terecht onmiddellijk en volledig is afgetrokken via opname in vak 62 van de BTW aangifte.
minstens te zeggen voor recht dat geen boete noch intresten verschuldigd kunnen
Subsidiair voor zover de rechtbank zou oordelen dat de BTW teruggaaf niet via vak 62 van de BTW aangifte had kunnen gebeuren, de teruggave te bevelen van de BTW ten bedrage van 36.802,13 €, meer de intresten sedert datum van betaling, en dit op grond van 6 van het KB 4 d.d. 29 december 1969.
Verweerster te veroordelen tot alle kosten daarin begrepen de RPV (... )"
4. FEITEN EN GESCHIL
Eiseres heeft een gebouw laten oprichten gelegen aan de … te …. Dit gebouw wordt aangewend voor zowel beroeps- als voor privé-gebruik. De BTW over de verschillende facturen voor de oprichting van dit gebouw (periode 1999 - 2000) werd volledig en onmiddellijk in aftrek gebracht.
Naar aanleiding van een controle over deze periode heeft de Administratie de BTW-aftrek verworpen voor het gedeelte privé-gebruik. Aldus werd een correctie-opgave opgemaakt op 19 oktober 2002 en er werd gesteld dat de BTW op het privé-gebruik ten belope van 70 %, zijnde een totaal bedrag aan BTW in hoofdsom ten bedrage van 26.460,50 €, diende te worden terugbetaald (stuk 7 verweerder).
De verschuldigde BTW, boete en interesten werden aanvankelijk door eiseres betaald (stuk 8 verweerder).
In een brief van 19 oktober 2003 ter toelichting van de ingediende BTWaangifte voor het derde kwartaal 2003 beroept eiseres zich op het arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2003, zaak nr. C-269/00 inzake Seeling. De aanvankelijk naar aanleiding van de correctieopgave betaalde BTW, boete en interesten werden door haar teruggevraagd door opname van een bedrag van 36.802,13 EUR in rooster 62 van de BTW-aangifte.
In gevolge een controle bij eiseres d.d. 21 december 2005 over de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2004 werd door de administratie een proces-verbaal d.d. 20 juli 2006 opgesteld (stuk 1 verweerder).
Verweerder vaardigde op 14 september 2006 een dwangbevel uit dat op 21 september 2006 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur van de BTW te Antwerpen en aan eiseres werd betekend met een aangetekend schrijven d.d. 28 september 2006 (stuk 3 verweerder).
Op 24 november 2006 verzond de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent (zaak met rolnummer 06/4124/A).
Op 6 december 2006 werd door eiseres ook nog een tegensprekelijk verzoekschrift neergelegd bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent (zaak met rolnummer 06/4172/A).
5. BESPREKING
Artikel 6 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt dat in afwijking van artikel 5, § 1 de teruggaaf van de belasting van de interesten en van de administratieve geldboeten die werden voldaan op verzoek van de administratie, niet kan plaatsvinden door toerekening op het bedrag van de door de belastingplichtige verschuldigde belasting, voor zover het niet gaat om teruggaaf van de in een aangifte vastgestelde te betalen sommen. De vordering tot teruggaaf van die belasting, intresten en geldboeten moet worden ingesteld bij de rechtbank bepaald in artikel 632 Ger .W. bijeen verzoekschrift op tegenspraak, opgesteld overeenkomstig artikel 1385decies Ger. W.
Eiseres betaalde destijds het bedrag van 36.802,13 EUR op verzoek van de administratie naar aanleiding van de correctieopgave d.d. 19 oktober 2002 en ging derhalve ten onrechte over tot de opname van deze betaalde som in rooster 62 van haar BTW-aangifte.
Overeenkomstig artikel 14 KB nr. 4, moet de vordering in rechte met betrekking tot deze teruggaaf worden ingesteld voor het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dit van de betaling van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten die werden voldaan op verzoek van de administratie.
In voorliggend geval blijkt dat de betaling van eiseres werd geboekt met als datum van uitwerking 27 december 2002 (stuk 8 verweerder). Verweerder specificeert dat de datum van uitwerking steeds de dag is waarop de schuldenaar de betalingsopdracht geeft aan het financieel organisme dat de betaling verricht en dat de datum van 6 januari 2003 slechts de datum is waarop de verrichting door de administratie intern werd verwerkt (stuk 10 verweerder). Eiseres legt geen rekeninguittreksel of andere stukken voor waaruit het tegendeel zou blijken zodat er moet worden van uitgegaan dat de betaling nog in het jaar 2002 werd verricht. De vordering in rechte met betrekking tot de teruggaaf diende derhalve te worden ingesteld. uiterlijk op 31 december 2005.
Eiseres kan zich niet beroepen op de beginselen van behoorlijk bestuur om in weerwil van de bepalingen van KB nr. 4 teruggaaf te vorderen.
Overeenkomstig artikel 82bis W.BTW is er verjaring van de vordering tot teruggaaf na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf (zijnde in casu de datum van betaling op verzoek van de administratie) zich heeft voorgedaan.
Bij gebreke aan stuitings- of schorsingsdaden dient vastgesteld dat de vordering van eiseres is verjaard.
6. DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
Eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
De vordering van eiseres is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, in de schijf van 40.000 tot 60.000 euro. In die omstandigheden is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 2.500 euro (art. 2 KB 26 oktober 2007).
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op TEGENSPRAAK,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Voegt de zaken 06/4124/A en 06/4172/A samen.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding.
Begroot de kosten als volgt :
- aan de zijde van eiseres :
- dagvaarding : 127,29 EUR
- rechtsplegingsvergoeding : 0 EUR
- aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding : 2.500 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op woensdag vierentwintig juni tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :
De heer J. V. d. F., rechter, voorzitter van deze kamer,
Mevrouw G. L., griffier.
G. L. J. V. d. F.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.