---
title: "b662c359 · 28 mei 2004 · Vervolging, geding · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, vrijstelling, uitvoer, invoer. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 28 mei 2004."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brussel-2004-05-28-b662"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, vrijstelling, uitvoer, invoer · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

28 mei 2004

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

108 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 28.05.2004

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33****ste** **KAMER**

AR : **03/4839/A**

*Fiscaal geschil- BTW*

*Op tegenspraak*

*Eindvonnis*

In zake van :

**De naamloze vennootschap A. T.**, met maatschappelijke zetel te …, … en als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer …

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mter. **N. V.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Vilvoorde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat, 32

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mter. **V. D. V.** loco Mter. **F. C.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 10 mei 2004, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van **K. V.**, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder **M. V. E.** te …, betekend op 4 april 2003, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen in der minne van deze rechtbank van 13 juni 2003;

\- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 16 juni 2003;

\- de besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 12 augustus 2003.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 10 mei 2004, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

Op 25 maart 1999 vond bij de NV **A. T.**, huidige eiseres, toen evenwel gekend onder de benaming NV **R. D. and S. T. I.**, een BTW-controle plaats met betrekking tot de juiste toepassing van de BTW-wetgeving en reglementering voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1997.

Volgens de Belgische Staat, huidig verweerder, werd naar aanleiding van deze controle een inbreuk vastgesteld op art. 39bis, lid 1 W.BTW en [art. 2 van het KB nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art2) van 29 december 1992, volgens hetwelk een intracommunautaire levering slechts wordt vrijgesteld van belasting indien onder meer het bewijs wordt geleverd dat deze levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet­belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Zo werd vastgesteld dat op 29 december 1997 door de NV **A. T.** een factuur werd uitgereikt aan de Britse firma **R. L.**, …, …, …, …. Het betrof een levering van 4.000 GSM­toestellen van het type Ericsson GF 788 Black, voor een bedrag van 1.646.806,26 euro (66.432.000 BEF) Op de factuur werd geen BTW aangerekend en er werd de melding '*Intra*' op aangebracht.

Op 7 januari 2003 werden de gedane vaststellingen en de verschuldigde sommen opgenomen in een proces-verbaal.

Het proces-verbaal vermeldt dat niet was voldaan aan de voorwaarde van art. 2 van voormeld KB nr. 52, en dat de levering niet werd verricht voor een belastingplichtige die als zodanig optrad in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden was zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de BTW te onderwerpen.

Volgens de Belgische Staat bleek dit uit de volgende vaststellingen :

\- de op de factuur vermelde afnemer gaf een BTW-nummer op in Groot-Brittannië, zijnde GB …;

\- uit inlichtingen verstrekt door Groot-Brittannië bleek dat die afnemer een spoorloze handelaar is, waarvan het identificatienummer werd geschrapt met uitwerking op 2 december 1997;

\- uit een op 13 januari 1998 door TNT **E. W.** uitgereikte factuur bleek dat de goederen werden vervoerd naar PH **A.**, …, …

\- de afnemer had evenmin een identificatienummer opgegeven in Nederland, waaronder hij zijn intracommunautaire verwervingen aldaar aan de BTW kon onderwerpen.

Uit dit proces-verbaal blijkt nog dat de NV **A. T.** aan de Belgische Staat de volgende sommen verschuldigd was :

\- als BTW : 345.829,32 euro

\- als wettelijk boete : 34.580,00 euro

\- als interest op grond van art. 91, § 1 W.BTW, te berekenen vanaf 21 januari 1998 aan 0,8 % per maand over 345.820,00 euro : p.m.

Op 8 januari 2003 vaardigde de Belgische Staat een dwangbevel uit.

Op 9 januari 2003 werd dit dwangbevel aan de NV **A. T.** betekend bij aangetekend schrijven.

Op 4 april 2003 ging de NV **A. T.** over tot dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel.

## III. IN RECHTE

### A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres vraagt haar vordering ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren; dienvolgens :

\- nietig en zonder effect te verklaren, het dwangbevel, uitgevaardigd door de heer **J.**, eerstaanwezend inspecteur ad interim van het ontvangkantoor van de BTW te Vilvoorde, op 8 januari 2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8 januari 2003 door mevrouw **V.**, e.a. inspecteur ad interim te Vilvoorde, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Mechelen en haar bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht op 10 januari 2003, krachtens hetwelk zij de volgende sommen moet betalen :

\- de BTW : 345.829,32 euro;

\- geldboeten (art. 70, § 1 W.BTW) : 34.580,00 euro;

\- de interest van 0,8 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW, zijnde 345.829,32 euro, en dit vanaf 21 januari 1998 (art. 91, § 1 W.BTW);

\- verweerder te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging lastens haar van het betwiste dwangbevel;

\- verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde sommen.

Verweerder vraagt het verzet tegen dwangbevel ongegrond te verklaren en eiseres af te wijzen.

### B. BEOORDELING

#### 1) Wat de verjaring betreft :

1.1. Eiseres meent dat in casu de verjaring is ingetreden sinds 31 december 2002.

Zij stelt dat algemeen wordt aanvaard dat de vordering tot voldoening van de BTW ontstaat op het moment dat de oorzaak van eisbaarheid zich voordoet.

Art. 81 (oud) W.BTW, zoals van toepassing op onderhavig geval luidde letterlijk als volgt :

> *"De vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan"*.

In dat verband is eiseres van oordeel dat het ontstaan van de vordering tot voldoening van de belasting samenvalt met het belastbaar feit. Zij meent dat dit de door het W.BTW aangenomen oplossing bij de parlementaire werkzaamheden van de Wet van 3 juli 1969 is, en bevestigd in 1977 (in de Zesde BTW-Richtlijn).

Eiseres wijst erop dat de tekst van art. 81 W.BTW tot 1 november 1980 als volgt luidde :

> *"De vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van zes jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.*
>
> *De termijn van verjaring bedraagt evenwel twee jaar voor de voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de aangifte ingediend ingevolge art. 50, § 1, 3°. Deze termijn gaat in de dag van de indiening van de aangifte"*.

Eiseres meent dat indien men in het tweede lid preciseert dat de termijn loopt vanaf de dag waarop de aangifte werd ingediend, dit is gebeurd omdat hetzelfde niet geldt voor wat het eerste lid betreft.

Verder stellen de parlementaire werkzaamheden van de Wet van 3 juli 1969 met betrekking tot dit art. 81 W.BTW dat het een herneming is van art. 202,8 W.Z.G.T. en dat in deze de taks werd betaald door het aanbrengen van een fiscale zegel op het moment van de levering van de verkochte zaak aan de verwerver.

Vanaf 1980 werd de zin "*Deze termijn gaat in de dag van de indiening van de aangifte*" geschrapt uit art. 81 W.BTW.

In het gemeenschapsrecht (Zesde BTW-Richtlijn) werd het vertrekpunt van de verjaring niet geregeld, nu procedurele kwesties afhankelijk zijn van het interne recht, maar werd wel het ogenblik van de opeisbaarheid van de BTW vastgesteld.

Zo komt in [art. 10 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-10) tweemaal de term '*betaling*' voor, hetgeen volgens eiseres inhoudt dat de opeisbaarheid van de belasting betekent dat de Schatkist een recht op betaling van de belasting heeft, ook al kan deze betaling worden uitgesteld.

Eiseres meent uit de tekst van het W.BTW (meer bepaald de artikelen [17](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) en [22](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-22) daarvan) en de parlementaire voorbereidingen bij de Wet van 3 juli 1969 af te kunnen leiden dat de belasting opeisbaar is vanaf het ogenblik dat het belastbaar feit zich heeft voorgedaan, en dat de aangifte inzake BTW enkel strekt tot vaststelling van een belasting die reeds vroeger opeisbaar was en waarbij de opeisbaarheid van de betaling door een wettelijke bepaling is uitgesteld tot de laatste dag van de termijn die is bepaald voor de indiening van de aangifte.

Verder wijst eiseres erop dat indien de aangifte volgens de BTW-Handleiding (Uitgave van de administratie, losbl., s.d., 1996, nr. 620) een verjaring stuitende daad uitmaakt, dit enkel zo kan zijn omdat de verjaring reeds vroeger is beginnen te lopen.

1.2. De vraag te weten wanneer de BTW op een levering van goederen belastbaar is, is de vraag naar het belastbaar feit in verband met de levering.

Deze vraag dient te worden onderscheiden van de vraag wanneer de BTW op dit belastbaar feit verschuldigd wordt, hetgeen de vraag naar de verschuldigdheid van de BTW is.

Inzake BTW vallen het belastbaar feit en de verschuldigdheid van de BTW samen.

Dit impliceert evenwel geenszins dat deze BTW ook daadwerkelijk op dat ogenblik aan de Staat moet worden betaald. De BTW wordt immers door aangiften aangegeven en het positiefsaldo van de aangifte moet binnen een bepaalde termijn worden betaald.

De effectieve betaling en de vordering van de fiscus op de verschuldigde BTW ontstaan bijgevolg op nog een ander moment dan dit waarop de BTW verschuldigd is.

Waar de verjaring van de aftrek van de BTW aanvangt op het moment van de verschuldigdheid van de BTW, zal de verjaring van de vordering van de fiscus met betrekking tot de verschuldigde BTW slechts ingaan op het moment dat de BTW effectief diende te worden afgedragen (zie : Rb. Mechelen, 10 november 1981, BTW­Revue, 1982, 299; Rb. Kortrijk, 12 november 1982, BTW-Revue, 1983, 423; Rb. Leuven, 17 januari 1983, BTW-Revue, 1983, 419; Rb. Doornik, 5 januari 1989, BTW-Revue, 1989, 204; Rec. Gén. Enr. Not., 1990, 51; VANDEBERGH, H., Het BTW-Handboek editie 1995, Gent, Mys & Breesch uitgevers, 1995, nr. 213, p. 151).

In dat verband kan worden verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 november 1998 inzake Société Financière d'Investissement SPRL/Belgische Staat ([C-85/97](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-97-arrest), Jur., 1998, I-07447). De argumentatie van S.F.I. dat de verjaringstermijn ingaat op datum van het belastbaar feit, en dat de praktijk van de Belgische BTW­administratie, die erin bestaat de verjaringstermijn te laten lopen vanaf de datum waarop de aangifte moet worden ingediend, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en tot rechtsonzekerheid leidt, werd verworpen door het Hof van Justitie.

Met reden verwijst verweerder naar art. 53, 4° W.BTW, dat bepaalt dat de vordering van de fiscus met betrekking tot de verschuldigde BTW ontstaat op het einde van de termijn van indiening van de krachtens art. 53, 3° W.BTW en [art. 18, § 1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) van 29 december 1992 in te dienen BTW-aangiftes (zie ook : Brussel, 30 oktober 1997, A.J.T., 1998-1999, 175; Gent, 19 december 2001, T.F.R. net http://www.Iarcier.be/tfrnet (29 mei 2002)).

De rechtbank treedt verder ook verweerder bij inzake de vraag in welke aangifte de verschuldigde BTW op de levering van de GSM's diende te worden opgenomen.

Zo vindt de ten onrechte met vrijstelling van BTW verrichte levering van GSM's krachtens art. 15, § 2, lid 2, 1° W.BTW plaats in België, op de plaats waar het vervoer is aangevangen.

Krachtens art. 16, § 1, lid 2 W.BTW vindt die levering in casu plaats op 30 december 1997, op het tijdstip van de aankomst van het vervoer.

Krachtens art. 17, § 1, lid 2 W.BTW vindt het belastbaar feit plaats en wordt tevens de belasting opeisbaar op 29 december 1997, op het tijdstip van facturering van de prijs.

Het tijdstip van opeisbaarheid bepaalt het aangiftetijdvak waarbinnen de opeisbare BTW, over een levering zich heeft voorgedaan en dus ook het tijdstip van doorstorting van de BTW aan de Schatkist

De op 29 december 1997 opeisbare BTW moest worden opgenomen in de BTW­aangifte voor de handelingen van de maand december, krachtens art. 18, § 1 van voornoemd KB nr. 1 in te dienen uiterlijk op 20 januari 1998.

Derhalve ontstond de vordering van de fiscus en begon de verjaringstennijn te lopen op 20 januari 1998.

De verjaring zou in beginsel intreden op 20 januari 2003, maar deze werd krachtens art. 83, in fine W.B.T.W. ingevolge de betekening van het dwangbevel op 9 januari 2003 gestuit.

Derhalve dient dit eerste middel van eiseres te worden afgewezen.

#### 2) Wat de in het proces-verbaal opgenomen overtredingen betreft :

2.1. Eiseres stelt dat de stelling van verweerder dat haar medecontractant geen intracommunautaire verwerving kon doen nu deze niet over een Nederlands identificatienummer beschikte, niet kan worden bijgetreden.

Zij stelt dat uit de artikelen 25ter en 25quinquies, § 3, lid 3 W.BTW, getroffen in uitvoering van art. 1, punt 13 van de Richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992, duidelijk blijkt dat in geval van twee opeenvolgende leveringen, waarin drie lidstaten betrokken zijn, de tweede verkoper gebruik kan maken van vereenvoudigingsmaatregelen die het hem mogelijk maken de zware verplichting om zich in de lidstaat van aankomst van de goederen te laten identificeren, te ontwijken.

Derhalve meent eiseres dat zij perfect goederen kon verkopen aan de Engelse belastingplichtige, die zijn Engels BTW-identificatienummer verschafte, terwijl de goederen rechtstreeks werden verzonden van België naar Nederland.

2.2. Met reden wijst verweerder erop dat de toepassing van de vrijstelling in casu niet enkel en alleen werd verworpen omdat eiseres niet over een Nederlands identificatienummer beschikte. De vrijstelling werd daarentegen verworpen omdat niet was voldaan aan de in art. 2 van voornoemd KB nr. 52 gestelde voorwaarde, volgens dewelke de in art. 39 bis, lid 1, 1° W.BTW bedoelde vrijstelling afhankelijk is van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Aan deze voorwaarde werd in casu niet voldaan, nu de klant niet alleen niet geregistreerd is in Nederland, maar zijn registratie in Engeland werd geschrapt op 2 december 1997, zodat hij in geen enkele lidstaat geldig was geïdentificeerd als BTW­plichtige.

Verder alludeert eiseres op het stelsel van de driehoeksverkopen (verwijzing naar de artikelen 25ter en 25quinquies W.BTW). Dit houdt in dat goederen door een van vertrek (België), maar binnen de gemeenschap (Nederland). De levering moet dan gebeuren aan een belastingplichtige die als zodanig optreedt in een andere lidstaat (Engeland) en die er aldaar toe gehouden is om zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan BTW te onderwerpen.

Zoals verweerder terecht opmerkt, was de eerste koper niet geldig geregistreerd in Engeland, zodat in deze hypothese evenmin was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling door eiseres.

Derhalve dient dit ook dit tweede middel van eiseres te worden afgewezen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, op **tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de NV **A. T.** ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt de NV **A. T.** tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op 342,09 euro (RPV), en ten aanzien van haarzelf op 188,91 euro (dagvaarding) + 342,09 euro (RPV).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van : **28 mei 2004**,

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V.**, alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw **B.**, afgevaardigd adjunct-griffier.

**B.** **V.**

## Aangehaalde teksten

7

[KB nr. 1 art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 10](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-10) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 17](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 22](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-22) 1 voorkomen

richtlijn 92/111 art. 1 1 voorkomen

[C-85/97, arrest van 19 november 1998](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-97-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-recht-rechtbank-leuven-2007-06-15-ef8c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Gemengde belastingplichtige, Aftrek, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gemengde-belastingplichtige-aftrek-werkelijk-gebruik-rechtbank-luxemburg-2022-05-11-e285) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Boete 200%, Vennootschapsbelasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-vennootschapsbelasting-rechtbank-2025-10-13-34a8) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vordering tot teruggaaf, Gestelde formaliteiten en voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vordering-teruggaaf-gestelde-formaliteiten-voorwaarden-cassatie-brussel-2014-10-31-5e44) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, voldoening van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-gent-2011-01-18-0979) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-gent-2011-06-28-2fa3) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Neutraliteitsbeginsel, Btw-fraude, Fictieve intracommunautaire verwerving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-neutraliteitsbeginsel-btw-fraude-cassatie-brussel-2014-06-19-4bf5) 2 gemeenschappelijke bepalingen
