Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 09.05.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL – 33ste KAMER
AR : 98/1742/A & 98/8837/A
In zake van :
NV I. & M. C., H.R. Brussel nr. …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …
Eisende partij op verzet,
vertegenwoordigd door Mter G. S. loco Mter F. V., advocaat te …, …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Halle, Zuster Bernardastraat, 32 te 1500 Halle
verwerende partij op verzet,
vertegenwoordigd door Mter F. S., advocaat te …, …
In deze zaken, in beraad genomen op 11 april 2001, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
I. PROCEDURE
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
a) in de zaak gekend onder AR nr. 98/1742/A :
- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van F. S., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder J. V. te …, betekend op 4 februari 1998, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;
- de beschikking ex art. 750, § 2 Ger. W. van deze rechtbank van 15 november 2002,
- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 15 juni 1999 en op 3 maart 2003 (deze aanvullende besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 98/8837/A);
- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 11 december 2000 en op 31 januari 2003 (deze besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 98/8837/A).
b) in de zaak eckend onder AR nr. 98/8837/A
- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van gerechtsdeurwaarder H. v. H.·te·…, betekend op 3 augustus 1998, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;
- de beschikking ex art. 750, § 2 Ger. W. van deze rechtbank van 15 november 2002;
- de besluiten, aanvullende en tweede aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 15 juni 1999, op 10 januari 2001 en op 3 maart 2003 (deze aanvullende en tweede aanvullende besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 98/1742/A);
- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 11 december 2000 en op 31 januari 2003 ( deze besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 98/1742/A).
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 11 april 2003, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
Il. FEITEN EN RETROACTEN
De NV IMC, huidige eiseres, heeft als activiteit consulting en advies, commercieeltechnische dienstverlening en administratiekantoor. Zij bezit als dusdanig de hoedanigheid van BTW-beiastingplichtige. Zij is als belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-identificatienummer BE … en was voor het jaar 1992 gehouden tot het indienen van een jaaraangifte en vanaf 1993 tot het indienen van kwartaalaangiften.
Aan de hand van de stukken in het bezit van de BTW-administratie en van het dossier dat voor de NV IMC werd gehouden bij de administratie der directe belastingen, waarvan de BTW-administratie inzage kreeg, heeft de heer J. D. M., voormalig eerstaanwezend verificateur verbonden aan het BTW-controlekantoor Ternat, met uitzondering van de overtredingen waarvoor op 27 april 1993 een correctieopgave werd ondertekend, overtredingen op de naleving van de BTW-reglementering vastgesteld voor het jaar 1992.
Op 12 januari 1998 werden de vastgestelde BTW-inbreuken opgenomen in een proces-verbaal.
Op 13 januari 1998 werd op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 14 januari 1998 bij aan getekende brief aan de NV IMC ter kennis werd gebracht.
Uit dit dwangbevel blijkt dat de NV IMC aan de Belgische Staat, huidig verweerder, een bedrag van … euro (… BEF) verschuldigd is als BTW. Bovendien werd aan de NV IMC een geldboete van … euro (… BEF) opgelegd, onverminderd de interest van 0, 80 % per maand vertraging te rekenen overeenkomstig art. 91 W.BTW over de verschuldigde BTW, de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten te rekenen tegen de rentevoet in burgerlijke zaken vanaf de betekening van het dwangbevel, de wettelijke kosten en interesten daarop en de vervolgingskosten.
Op 4 februari 1998 ging de NV lMC over tot dagvaarding houdende verzet tegen dit dwangbevel.
Op 13 januari 1998 had de heer J. D. M. een nazicht uitgeoefend omtrent de naleving van de BTW-reglementering over de periode van 1 januari 1992 tot 31 december 1996 bij de NV IMC.
Aan de hand van de voorgelegde boeken en stukken, aangevuld met de gegevens in het bezit van de BTW-administratie en van het dossier dat voor de NV lMC werd gehouden bij de administratie van de directe belastingen, waarvan de BTWadministratie inzage kreeg, heeft de heer D. M., behoudens de overtredingen waarvoor op 27 april 1993 een correctieopgave werd ondertekend, overtredingen vastgesteld op de naleving van de BTW-reglementering voor de periode van 1 januari 1992 tot 31 december 1996.
Op 6 april 1998 werden de vastgestelde BTW-inbreuken opgenomen in een procesverbaal.
Op 8 april 1998 werd op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 14 januari 1998 bij aangetekende brief aan de.NV lMC ter kennis werd gebracht.
Uit dit dwangbevel blijkt dat de NV IMC aan de Belgische Staat een bedrag van … euro (… BEF) verschuldigd is als BTW. Bovendien werd aan de NV IMC een geldboete van … euro (… BEF) opgelegd, onverminderd de interest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen overeenkomstig art. 91 W.BTW over de verschuldigde BTW, de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten te rekenen tegen de rentevoet in burgerlijke zaken vanaf de betekening van het dwangbevel, de wettelijke kosten en interesten daarop en de vervolgingskosten.
Op 3 augustus 1998 ging de NV IMC over tot dagvaarding houdende verzet tegen dit dwangbevel.
III. IN RECHTE
A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN :
Eiseres vraagt :
- met het oog op de goede rechtsbedeling, de zaken met AR nr. 98/ 1742/A en AR nr. 98/8837/A samen te voegen;
- vervolgens haar vorderingen ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- dienvolgens de bestreden dwangbevelen, gekend onder Reg. 127/1027 en Reg. 127/1061, uitgevaardigd op 13 januari 1998 en respectievelijk 8 april 1998, van nul en generlei waarde te horen verklaren en haar te horen ontslaan van de in deze dwangbevelen van haar gevorderde sommen;
- - in ondergeschikte orde - in zoverre de rechtbank van oordeel zou zijn dat haar vorderingen niet prima facie gegrond zouden kunnen worden verklaard, de heer C. D. B., wonende te …, … op te roepen als getuige teneinde hem te horen inzake de door haar in opdracht van de NV E. met ingang van 1992 uitgevoerde activiteiten, verricht vanuit het appartement gelegen te …, …;
- verweerder te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die werden toegerekend op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans vernietiging wordt gevorderd;
- het uit te spreken vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande welk rechtsmiddel ook, zonder borgstelling en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement.
Verweerder vraagt :
- beide zaken gekend onder AR nr. 98/1742/A en AR nr. 98/8837/A samen te voegen;
- het verzet van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en eiseres in haar eis af te wijzen.
B. BEOORDELING
1) Wat de samenvoeging van de zaken wegens samenhang betreft
Beide partijen vragen de samenvoeging van de zaken gekend onder AR nr. 98/1742/A en AR nr. 98/8837/A.
Krachtens art. 30 Ger. W. past het inderdaad deze zaken als samenhangende zaken te behandelen, aangezien zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het de rechtbank als wenselijk voorkomt ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zouden kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk zouden worden berecht.
2) Wat de grieven m.b.t. het bestreden dwangbevel van 13 januari 1998 betreft
a) Wat de beweerde nietigheid van dit dwangbevel wegens gebrek aan voorafgaande kennisgeving van de motivering betreft :
Eiseres stelt dat dit dwangbevel nietig is wegens schending van de Wet-"Cerexhe" van 29 juli 1991, die oplegt dat de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk dienen te worden gemotiveerd. Dit impliceert voor haar een voorafgaande kennisgeving van een afdoende motivering van een bestuurlijke beslissing met individuele strekking aan het betrokken individu.
Eiseres wijst erop dat het proces-verbaal aan haar ter kennis werd gebracht ter gelegenheid van de betekening van het dwangbevel, zodat zij zich nooit tegen de beweringen van het proces-verbaal heeft kunnen verweren teneinde de uitvaardiging van een dwangbevel te vermijden. Enkel in de in art. 4 van voormelde Wet-"Cerexhe'' limitatief opgesomde gevallen geldt de motiveringsplicht niet. Buiten deze gevallen kan de administratie, volgens eiseres, de verplichting tot uitdrukkelijke motivering niet ontlopen, zelfs niet om redenen die verband houden met de spoed waarmee de betrokken beslissing zou zijn genomen. Art. 5 van de Wet-"Cerexhe" bepaalt immers uitdrukkelijk dat dringende noodzakelijkheid het bestuur niet ontslaat van zijn verplichting zijn handelingen uitdrukkelijk te motiveren.
Met reden doet verweerder evenwel gelden dat het verwijt van eiseres dat de BTW administratie haar geen kans heeft gegeven om de betekening van het dwangbevel te vermijden of om de verschuldigde sommen vooraf te regulariseren ongegrond is.
Bovendien merkt verweerder nog terecht op dat eiseres ruimschoots de kans heeft gehad om tijdens de controle ter plaatse op 13 januari 1998 over alle in de correctieopgave vermelde overtredingen haar opmerkingen kenbaar te maken of ze te weerleggen, en er werd rekening mee gehouden voor zover ze gesteund waren door controleerbare gegevens of feiten.
Derhalve dient dit eerste middel van eiseres te worden afgewezen.
b) Wat de beweerde nietigheid van dit dwangbevel wegens gebrek aan dergeijke formele motivering betreft :
Eiseres wijst erop dat, nu het dwangbevel de titel vormt van de belastingschuld, alleen de motivering die in het dwangbevel werd weerhouden, in casu in het bijgevoegde proces-verbaal, in aanmerking kan worden genomen om de geldigheid van het dwangbevel te beoordelen.
De verbalisant baseerde zich in zijn proces-verbaal van 12 januari 1998 op vaststellingen van andere BTW-ambtenaren. In dat verband wijst eiseres erop dat de bewijskracht van een proces-verbaal zich niet uitstrekt tot de onderzoeken die door andere ambtenaren dan de verbalisanten werden verricht. Wanneer bijgevolg wordt verwezen naar een ander proces-verbaal waaruit het privé-gebruik van het onroerend goed te … zou blijken, dan kan de vermelding in het proces-verbaal van 12 januari 1998 volgens eiseres geen bijzondere bewijskracht dragen voor deze vaststelling. Enkel bestaat er bijzondere bewijskracht over de vaststelling dat de verbalisant mededeling heeft gekregen van een dergelijk proces-verbaal.
Verder doet eiseres gelden dat de ingeroepen processen-verbaal met hel oog op een deugdelijke motivering aan het met het bestreden dwangbevel betekende proces verbaal van 12 januari 1998 hadden moeten worden gehecht.
Verder stelt eiseres dat de vermeldingen van het proces-verbaal van 26 mei 1997 ten aanzien van verklaringen en getuigenissen slechts de materialiteit ervan betreffen, en niet de waarachtigheid. Zij stelt dat de zogenaamde verklaringen van iemand die zich zou hebben voorgedaan als haar gedelegeerd bestuurder, op incorrecte wijze werden weergegeven en er bijgevolg geen enkele bewijskracht aan kan worden verleend.
Met reden merkt verweerder op dat, in tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt, de processen-verbaal van vaststelling, waarvan melding werd gemaakt in het proces verbaal van 12 januari 1998, wel degelijk bij dit laatste proces-verbaal werden gevoegd.
Verder doet verweerder gelden dat eiseres nalaat het tegenbewijs te leveren van hetgeen in het proces-verbaal van 12 januari 1998 werd opgenomen.
Voorts geeft zij toe dat de bewijskracht van dit proces-verbaal zich niet uitstrekt tot de onderzoeken door andere ambtenaren verricht, maar stelt zij dat dit in casu niet ter zake is, nu deze processen-verbaal van andere ambtenaren niet ten grondslag liggen van de in het proces-verbaal van 12 januari 1998 opgenomen overtredingen, maar wel de door de verbalisant persoonlijk gedane vaststellingen aan de hand van de in zijn bezit zijnde stukken en van het voor eiseres bij de administratie der directe belastingen gehouden dossier, en uitsluitend daarop.
Derhalve dient ook dit middel van eiseres te worden afgewezen.
c) Wat de beweerde nietigheid van dit dwangbevel wegens gebrek aan deugdelijke materiële motivering betreft :
Verder verwijst eiseres naar het feit dat verweerder in zijn besluiten stelt dat voor de vaststelling in het proces-verbaal van 12 december 1998 van de overtredingen niet werd gesteund op één van de erin vermelde processen-verbaal, maar op vaststellingen die de verbalisant persoonlijk heeft gedaan aan de hand van de stukken in zijn bezit en van het dossier dat voor haar bij de administratie der directe belastingen wordt gehouden, en uitsluitend daarop.
Eiseres leidt daaruit af dat enkel en alleen de levering en plaatsing van inbouwkasten en een wijnkast kunnen worden weerhouden als element dat zou moeten dienen ter ondersteuning van de bewering dat het onroerend goed te … niet voor beroepsdoeleinden werd gebruikt in 1992. Dit is volgens haar onvoldoende.
Met reden doet verweerder evenwel opmerken dat het recht op aftrek van de BTW steeds, op verzoek van de BTW-administratie, door de belastingplichtige zelf dient te worden aangetoond, of, anders uitgedrukt, dat de belastingplichtige moet aantonen dat de goederen of diensten die zij heeft verkregen, en waarvan de aangerekende BTW in aftrek werd gebracht, wel degelijk worden aangewend voor het verrichten van handelingen, zoals omschreven in art. 45, § 1 W.BTW.
Dit bewijs werd door eiseres geenszins geleverd.
Derhalve dient ook dit middel van eiseres te worden afgewezen.
d) Wat de beweerde opeenstapeling van vermoedens betreft :
Volgens eiseres bezondigt het dwangbevel zich aan een verboden opeenstapeling van vermoedens doordat vooreerst het vermoeden dat de ingebouwde kasten en de wijnkast niet voor de beroepswerkzaamheid zouden zijn gebruikt wordt afgeleid uit de vaststelling dat er dubbels van facturen werden bekomen bij de firma die de levering en plaatsing van voormelde kasten heeft gedaan. Uit dit vermoeden dat de hoger vermelde kasten niet voor beroepsgebruik bestemd zouden zijn, wordt vervolgens afgeleid dat het gehele onroerend goed niet voor beroepsdoeleinden zou zijn gebruikt in het jaar 1992.
Gelet op hetgeen voorafgaat, gaat de rechtbank ook op dit punt niet akkoord met eiseres.
Derhalve dient ook dit middel van eiseres te worden afgewezen.
e) Ten gronde : wat het bewijs van liet beroepsmatig gebruik betreft :
Volgens eiseres blijkt het beroepsmatig gebruik van het betrokken onroerend goed uit de activiteiten die door haar in de betrokken periode werden gevoerd. Deze activiteiten betreffen meer bepaald activiteiten in West-Vlaanderen met betrekking tot adviesverlening aan de openbare sector, meer bepaald steden en gemeenten.
De staf belast met deze activiteiten opereerde vanuit het onroerend goed te … waar de burelen tot en met januari 1997 waren gevestigd. De vergoedingen voor de prestaties en kosten werden met BTW doorgefactureerd aan de NV E..
Terzake biedt eiseres het bewijs door getuigen aan. Zo kan de heer D. B., voormalig gedelegeerd bestuurder van de NV E. worden gehoord omtrent haar activiteiten, verricht vanuit het appartement gelegen te ….
Gelet op hetgeen voorafgaat, meent de rechtbank dat geen gevolg dient te worden gegeven aan dit verzoek van eiseres.
Derhalve dient ook dit middel van eiseres te worden afgewezen.
f) In ondergeschikte orde : wat de administratieve geldboete betreft :
Eiseres stelt dat art. 109 van de Wet van 4 augustus 1986 voorschrijft dat het bericht, waarbij aan de belastingplichtige wordt medegedeeld dat een geldboete wordt opgelegd, de gegevens vermeldt welke de overtreding uitmaken, de verwijzing naar de toegepaste wets- of verordeningsteksten en de motieven die hebben gediend om het bedrag van de boete vast te stellen. Indien noch het proces-verbaal, noch het dwangbevel enige motivering van de boete bevat, is deze onwettig.
In casu wordt in het proces-verbaal enkel vermeld dat de administratieve geldboete overeenkomstig art. 70, § 1 W.BTW gelijk is aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde rechten. Vervolgens wordt slechts het bedrag van de geldboete vermeld en wordt enkel verwezen naar de artikelen·1, 2 en4 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987.
Dit kan volgens eiseres bezwaarlijk worden beschouwd als een voldoende motivering. Eiseres merkt nog op dat in ieder geval niet werd gemotiveerd op welke wijze de proportionele geldboete werd berekend. Het in hoofdsom verschuldigde bedrag aan BTW bedraagt … euro (… BEF), zodat bij toepassing van voornoemd
K.B. nr. 41 nooit een boete van 3.718,40 euro (150.000 BEF) wordt bekomen, maar hoogstens … euro (… BEF).
Eiseres wijst erop dat, in de mate dat haar geenszins de kans werd geboden al dan niet tot regularisatie over te gaan voor betekening of kennisgeving van een dwangbevel, in geen geval tot een verhoging van de administratieve geldboete met 50 % had mogen worden overgegaan. Maar zelfs indien er een voorafgaandelijke correctieopgave zou zijn gestuurd, meent eiseres dat de boete in geval van betekening van een dwangbevel niet kan worden verhoogd met 50 % vermits dit tot gevolg heeft dat de belastingplichtige wordt gesanctioneerd indien hij niet akkoord gaat met het standpunt van de administratie. Eiseres meent dat art. 2 van voornoemd KB nr. 41 in die zin strijdig is met art. 6 E.V.R.M.
Naar haar oordeel dient het dwangbevel dan ook te worden vernietigd in de mate dat de administratieve geldboete werd verhoogd van … euro (… BEF) tot … euro (… BEF).
Daarenboven merkt eiseres op dat zij, in de mate dat van enige inbreuk op de BTWreglementering sprake zou zijn, onbetwistbaar te goeder trouw heeft gehandeld.
Derhalve vraagt zij de rechtbank in elk geval kwijtschelding te verlenen van de opgelegde administratieve geldboete.
Ter zitting van 11 april 2003 verklaarde verweerder zich ter zake te gedragen naar de wijsheid, maar maakte hij het grootste voorbehoud omtrent de goede trouw van eiseres.
De rechtbank gaat met verweerder akkoord dat er geen sprake kan zijn van een kwijtschelding van de opgelegde administratieve geldboete.
Wel gaat zij met eiseres akkoord dat het dwangbevel van 13 januari 1998 dient te worden vernietigd in de mate dat de administratieve geldboete werd verhoogd van … euro (… BEF) tot … euro (… BEF).
g) Wat de nalatigheidsinteresten betreft :
Eiseres stelt dat de in het schrijven van de BTW-controle Ternat van 9 december 1992 aangekondigde gecontroleerde periode de periode 1992 tot en met 1996 betrof. Het administratief gebruik bestaat volgens haar erin om daags na de uiterste datum van de eerstvolgende aangifte, volgend op de gecontroleerde periode, als aanvangspunt van de berekening van nalatigheidsinteresten te beschouwen.
Bij gebreke aan de ondertekening door haar van een afstand van verlopen verjaring, werden de beweerde overtredingen voor 1992 reeds opgenomen in een afzonderlijk proces-verbaal en afgesplitst van de gecontroleerde periode van 1993 tot en met 1996. Zodoende zijn de nalatigheidsinteresten niet verschuldigd vanaf 21 januari 1992, noch van 21 januari 1993, doch ten vroegste vanaf 21 januari 1997, met name het uiterste tijdstip waarop de eerstvolgende aangifte van de BTW had dienen te worden ingediend volgend op de aangekondigde te controleren en ook daadwerkelijk gecontroleerde periode.
Ter zitting van 11 april 2003 verklaarde verweerder zich ter zake te gedragen naar de wijsheid.
De rechtbank treedt ook op dit punt eiseres bij.
3) Wat de grieven m.b.t. het bestreden dwangbevel van 8 april 1998 betreft
a) Wat de nietigheid van dit dwangbevel wegens gebrek aan deugdelijke formele motivering, het bewijs van het beroepsmatig gebruik en de niet-motivering van de administratieve geldboete betreft :
Eiseres verwijst in dat verband mutatis mutandis naar hetgeen hiervoor met betrekking tot het dwangbevel van 13 januari 1998 werd gezegd.
De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder 2, b, e en f werd gezegd.
b) Wat de beweerde laattijdige vordering van vermeend ten onrechte afgetrokken BTW betreft :
Eiseres wijst erop dat in het dwangbevel een factuur van 30 maart 1992 van de NV M. met nr. 96/93 werd weerhouden, waarvan, bij schending van art. 45, § 1 W.BTW, de BTW ten onrechte zou zijn afgetrokken. De verjaringstermijn van art 81 W.BTW zou op 21 januari 1998 zijn ingegaan voor wat de over het jaar 1992 nog verschuldigde sommen betreft, hetgeen volgens eiseres door verweerder niet wordt betwist. Zodoende meent eiseres dat in casu geen BTW meer kan worden gevorderd voor een factuur van 30 maart 1992 waarvan de BTW ten onrechte in aftrek zou zijn gebracht.
Gelet op het verstrijken van de verjaringstermijn meent eiseres dat de vermeende ten onrechte afgetrokken BTW niet meer bij haar kan worden nagevorderd.
De rechtbank stelt inderdaad vast dat verweerder niet betwist dat de verjaringstermijn van art. 81 W.BTW op 21 januari 1998 is ingegaan voor wat de over het jaar 1992 nog verschuldigde sommen betreft.
Derhalve dient ook dit middel van eiseres te worden ingewilligd.
c) Wat de nietigheid van het dit dwangbevel wegens gebrek aan deugdelijke visering en uitvoerbaarverklaring betreft :
Eiseres verwijst naar art. 85 W.BTW, dat bepaalt dat, bij gebreke aan voldoening van de belasting, de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitvaardigt. Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, of door de door hem aangewezen ambtenaar.
Een dwangbevel dat niet geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard, kan niet ten uitvoer worden gelegd. De schending van de verplichting tot visering en uitvoerbaarverklaring heeft de nietigheid van het dwangbevel tot gevolg.
Nu het dwangbevel eerst dient te worden uitgevaardigd vooraleer het kan worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard, is het bestreden dwangbevel in casu formeel ongeldig om reden dat het op 4 april 1998 zou zijn uitgevaardigd, terwijl het op 4 april 1998 zou zijn geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Daarenboven merkt eiseres op dat het proces-verbaal dat voornoemd dwangbevel schraagt, werd gedateerd op 6 april 1997, terwijl het werd opgesteld naar aanleiding van een controle van 13 januari 1998.
Gelet op het cruciaal belang van data voor deze stukken, onder meer ter controle van onderzoeks- en verjaringstermijnen, meent eiseres dat deze vormgebreken tot de nietigheid van het dwangbevel leiden.
De rechtbank stelt vast dat verweerder als bewijs van de visering en uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel van 8 april 1998 een kopie van een uittreksel van het Register der dwangbevelen neerlegt, waaruit blijkt dat de datum van visering 9 (en niet 4) april 1998 is.
Verder gaat de rechtbank akkoord dat enkele materiële misslagen werden begaan, die evenwel niet leiden tot de nietigheid van het dwangbevel. Zo dient het proces-verbaal waarvan sprake niet te worden gedateerd up 6 april 1997, maar op 6 april 1998. In dit proces-verbaal van 6 april 1998 wordt verwezen naar een proces-verbaal niet van 18, maar van 12 januari 1998.
Derhalve dient dit middel van eiseres te worden afgewezen.
4) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het uit te spreken vonnis betreft, niettegenstaande welk rechtsmiddel ook, zonder borgstelling en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement
Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiseres om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande welk rechtsmiddel ook, zonder borgstelling.
Wat de gevraagde uitsluiting van kantonnement betreft, dient te worden aangenomen dat het door de schuldeiser gevorderde verbod tot kantonnement door hem voldoende moet worden gemotiveerd, door aan te tonen dat hij dringend de beschikking over de gelden nodig heeft. Enkel indien de vertraging in de regeling hem blootstelt aan een ernstig nadeel, kan het kantonnement worden verboden (zie : Brussel, 25 april 1997, P. & B., 1997, 224; Brussel, 8 juli 1998, J.T., 1998, 796; DIRIX, E. en BROECKX, K, Beslag, in A.P.R., Brussel, E. Story Scientia, 1902, nr. 36O, p. 196)
De rechtbank dient vast te stellen dat eiseres haar vordering ter zake geenszins motiveert.
Aangezien het kantonnement een recht is voor de debiteur, onder voorbehoud van toepassing van art. 1406 Ger. W, (zie : Brussel, 25 april 1997, voormeld), dient het door eiseres gevraagde kantonnementsverbod te worden afgewezen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Voegt de zaken gekend onder AR nr. 98/1742/A en AR nr. 98/8837/A samen.
Verklaart de vorderingen van de NV lMC ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond.
Vernietigt de bestreden dwangbevelen, gekend onder Reg. 127/1027 en Reg. 127/1061, uitgevaardigd op 13 januari 1998 en respectievelijk 8 april 1998, in de hiervoor bepaalde mate.
Beveelt de herberekening van de door de NV IMC verschuldigde sommen, rekening houdende met hetgeen voorafgaat.
Veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling van het door de NV lMC ten onrechte betaalde of ten onrechte lastens haar ingehouden bedrag.
Wijst het meergevorderde af.
Veroordeelt de NV IMC tot 3/4de, en de Belgische Staat tot 1/4de van de kosten van het geding.
Deze kosten worden begroot ten aanzien van de NV IMC op … euro, en ten aanzien van de Belgische Staat op … euro.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande welk rechtsmiddel ook, zonder borgstelling.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 9 mei 2003
Waar aanwezig waren en zitting namen :
- de heer J. V., alleenrechtsprekend rechter,
- mevrouw R. B., afgevaardigd adjunct-griffier.
B. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.