Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 26.04.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste Kamer
A.R.-nr. 99/12755/A en 01/455/A
Fiscaal geschil – BTW
Eindvonnis in eerste aanleg en op tegenspraak
A.R. nr. 99/12755/A
Inzake van :
De N. M. D.B. S., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …
Eiseres,
Vertegenwoordigd door Mr. M. C., advocaat, met kantoor te …, …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Eerstaanwezend Inspecteur a.i. / rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brussel 2 waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, leperlaan 41.
Verweerder,
Vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat, met kantoor te …, …
A.R. nr. 01/455/A
Inzake van :
De N. M. D.B. S., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …
Eiseres,
Vertegenwoordigd door Mr. M. C., advocaat, met kantoor te …, …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Eerstaanwezend Inspecteur a.i. / rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brussel 2 waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, leperlaan 41.
Verweerder,
Vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat, met kantoor te …, …
In deze zaak, in beraad genomen op 29 maart 2002 spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
I. PROCEDURE
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging. Inzonderheid :
a) in de zaak gekend onder AR nr. 99/12755/A :
- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van art. 1385 decies Ger. W., neergelegd ter griffie op 10 december 1999;
- de besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende en synthesebesluiiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 17 maart 2000, op 13 maart 2001 en op 12 november 2001 (de aanvullende en tweede aanvullende en synthesebesluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 01/455/A);
- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 29 december 2000 en op 12 september 2001 (de aanvullende besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 01/455/A).
b) in de zaak 2ekend onder AR nr. 01/455/A :
- het exploot van dagvaarding van St. T., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder J. G. te Ukkel, betekend op 29 december 2000;
- de aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 14 maart 2001 (deze aanvullende besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 99/12755/A);
- de aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 12 september 2001 (deze aanvullende besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 99/12755/A).
Verweerder verklaart zich te beperken tot zijn tweede aanvullende en synthesebesluiten.
Gehoord ter openbare zitting van 29 maart 2002 de advocaten van partijen, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
II. FEITEN EN RETROACTEN
De NV NMBS, huidige eiseres, is BTW-belastingplichtige voor haar activiteit van vervoer per spoor.
In de periode van februari tot juli 1993 werden 15 overdrachtsformulieren TR gebruikt om uit derde landen afkomstige goederen per spoor met behulp van containers naar België te vervoeren onder een regeling van extern communautair douanevervoer, waarbij Zeebrugge werd aangeduid als zijnde het kantoor van bestemming. De uiteindelijke bestemming was het Verenigd Koninkrijk.
Vanuit douane technisch oogpunt gebeurde dit vervoer onder de regeling 'Vereenvoudigd vervoer per spoor met behulp van grote containers', waarop, op het ogenblik van het geldig maken van de overdrachtsformulieren TR, de artikelen 85 tot en met 99 van de Verordening 1214/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake communautair douanevervoer (thans opgenomen in de artikelen 426 tot en met 442 C.D.W.) van toepassing waren.
Overeenkomstig art. 87 van voornoemde Verordening gelden de door de spoorwegmaatschappijen gebruikte overdrachtsformulieren TR als T1 document, hetgeen inhoudt dat deze documenten ter aanzuivering dienden te worden aangeboden aan de douaneautoriteiten van Zeebrugge.
De NV I. was belast met de verscheping van de bedoelde goederen naar het Verenigd Koninkrijk, en heeft ze in ontvangst genomen, zonder ze evenwel aan te bieden aan de douanediensten te Zeebrugge.
Op 8 juli 1997 richtte de administratie der douane en accijnzen een brief aan de NV NMBS, waarin zij inzake de 15 zendingen in kwestie de NV NMBS uitnodigde tot betaling van een bedrag van … euro (… BEF) hoofdens invoerrechten, BTW en bijzondere accijns, alsnog te vermeerderen met interesten.
Op 14 augustus 1997 beantwoordde de NV NMBS die brief.
In de loop van de administratieve fase van het geschil heeft de NV NMBS kunnen aantonen dat 12 van de 15 zendingen werden aangegeven en ingeklaard door de douanediensten van het Verenigd Koninkrijk.
Voor 2 zendingen (nl. de zendingen nrs 14 en 15) voldeed de NV NMBS, bij gebreke van enig bewijs van aanbieding en inklaring vanwege voornoemde douaneautoriteiten, de verschuldigde BTW en interesten, waarbij de BTW-administratie kwijtschelding van boeten verleende.
Onderhavig geding heeft betrekking op de verschuldigde BTW betreffende zending nr. 12, waarvoor de verschuldigde invoerrechten en bijzondere accijnzen reeds door de NV NMBS werden voldaan. Het betrof een partij wijn die werd doorvervoerd naar het Verenigd Koninkrijk.
Op 10 december 1999 legde de NV NMBS een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie.
Op 29 december 2000 ging de NV NMBS over tot dagvaarding.
III. IN RECHTE
A STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Eiseres vraagt haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens te zeggen voor recht dat er, gelet op de ingetreden verjaring, lastens haar geen BTW-vordering bestaat ten bedrage van … euro (… BEF) in hoofdsom met betrekking tot het vervoer van een partij “wijn van verse druiven” onder TR-document ….
Verweerder vraagt de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.
B. BEOORDELING
1) Wat de samenvoeging van de zaken wegens samenhang betreft
Krachtens art 30 Ger. W past het de onderscheiden zaken, gekend onder A.R. nr. 99/12755/A en A.R. nr. 01/455/A, als samenhangende zaken te behandelen, aangezien zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het de rechtbank als wenselijk voorkomt ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zouden kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk berecht zouden worden.
2) Wat de ontvankelijkheid van de vordering betreft
De rechtbank gaat akkoord met verweerder dat de vordering, voor zover zij werd ingeleid door middel van een tegensprekelijk verzoekschrift, onontvankelijk dient te worden verklaard.
De mogelijkheid om het geding door middel van een tegensprekelijk verzoekschrift in te leiden, werd ingevoegd in het Ger. W. door art 9 van de Wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken.
Deze wetswijziging dient, wat de BTW betreft, te worden samengelezen met art. 59 van de Wet van 15 maart 1999 inzake de beslechting van fiscale geschillen, dat een wijziging aanbrengt aan art. 89 W.BTW.
Ingevolge deze wijziging kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel inzake BTW slechts worden gestuit door een vordering in rechte, daar waar voordien de tenuitvoerlegging enkel kon worden gestuit door een door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.
Nu de toepasselijkheid van voornoemd art. 59 ingevolge art. 97, tweede streepje van voornoemde Wet van 15 maart 1999 werd bepaald op "de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999, en onderhavig geding betrekking heeft op de invordering lastens eiseres van belastingen en interesten waarvan de datum van opeisbaarheid zich voordoet op 9 februari 1993, hetgeen door eiseres niet wordt betwist, diende onderhavige procedure aanhangig te worden gemaakt door middel van een met redenen omkleed verzet met dagvaarding als bedoeld in art. 89, leden 2 en 3 (oud) W.BTW.
Derhalve dient de vordering onontvankelijk te worden verklaard in zoverre ze werd ingeleid bij tegensprekelijk verzoekschrift en ontvankelijk in zoverre ze werd ingeleid bij exploot van dagvaarding.
3) Ten gronde
3.1. Eiseres is van oordeel dat de vordering van verweerder reeds verjaard was per 20 maart 1998. Zij stelt dat verweerder niet betwist dat de vordering in BTW, bedrag dat werd ingehouden op haar kwartaalaangiften, verjaard is tenzij de brief, die zij op 14 augustus 1997 aan de administratie der douane en accijnzen richtte, een erkenning in rechte uitmaakt, hetgeen volgens verweerder het geval is, maar door haar ten stelligste wordt betwist.
Volgens eiseres wordt de verjaringstuitende schulderkenning van art. 2248 B.W. gelijkgesteld met de bekentenis (zie : LAURENT, F., Principes de droit civil, T. XXXII, Brussel, Bruylant, 1878, nr. 120, p. 127) en met afstand van recht (zie : LAURENT, F., op. cit., T. XXXII, nr. 124, p. 133), en moeten deze begrippen strikt worden uitgelegd en kunnen zij enkel worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, zelfs niet door onkunde of onwetendheid (zie : Cass., 24 september 1981, Arr. Cass., 1981-82, 140; Cass., 23 september 1988, Arr. Cass., 1988-89, 96; Pas, 1989, I, 85; Cass, 18 november 1996, Arr. Cass., 1996, 1060).
Eiseres meent dat haar brief van 14 augustus 1997 niet aan die vereisten voldoet, en dit zowel wat de inhoud daarvan, als wat haar chronologisch perspectief betreft.
De rechtbank stelt vast dat de betrokken brief van 14 augustus 1997 letterlijk als volgt luidt :
"Geachte Heer Directeur Generaal,
Niet aan de douane aangeboden overdrachtsformulieren-TR te Zeebrugge
Het schrijven G-93-2636 van 8 juli 1997 van uw Gewestelijke Directie Gent en …-… van 10 juli 1997 van de Hoofdcontroleur van Zeebrugge, hebben onze nodige aandacht weerhouden.
Wij begrijpen volkomen dat de begane overtredingen en de gemaakte fouten overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen aanleiding geven tot de voorgestelde vervolgingen en het betalen van de berekende verschuldigdheden.
Waar wij echter niet onmiddellijk vrede kunnen mee nemen is het feit dat de inbreuken dateren van begin 1993 waarbij de openstelling van de binnengrenzen en de talrijke nieuwe onderrichtingen voor dermate verwarring en moeilijkheden zorgden, dat noch de aangevers, noch de vervoerders en zelfs de plaatselijke douanediensten niet met zekerheid de nieuwe procedures konden toepassen.
- De gemaakte fouten werden mondeling door de diverse partijen bij een bespreking op uw Centrale Administratie toegegeven;
- De betreffende zendingen werden ten onrechte als vrij goed verscheept naar het Verenigd Koninkrijk;
- De TR-documenten werden voorgelegd maar niet gezuiverd;
- De aard van de in de containers vervoerde goederen laat redelijkerwijze aannemen dat deze wel rechtmatig in Groot-Brittannië werden ingevoerd en dat de diverse verschuldigdheden aldaar werden betaald.
Al deze verzachtende omstandigheden nopens ons ertoe U een ultieme vraag tot kwijtschelding te richten of toch tenminste vrijstelling van boete en verwijlinteresten te bekomen.
Wij zouden het eveneens zeer op prijs stellen wanneer de beslissing als dusdanig uitvoerbaar is, wij uitstel van betaling mochten krijgen om ons toe te laten intern de nodige stappen te ondernemen teneinde de vereiste kredieten te bekomen."
3.2. a) Eiseres geeft toe dat in de tweede alinea van de brief sprake is van "de begane overtredingen en de gemaakte fouten, die overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen aanleiding geven tot de voorgestelde vervolgingen en het betalen van de berekende verschuldigdheden", maar stelt dat in de derde alinea een opsomming wordt gegeven van omstandigheden, waaronder het redelijke vermoeden dat de goederen in Groot-Brittannië werden ingevoerd en de verschuldigdheden aldaar werden betaald, waaruit kan worden opgemaakt dat de invoerrechten en de BTW in België niet verschuldigd waren.
Deze tegenstrijdigheid wijst er, naar haar oordeel, op dat de brief van 14 augustus 1997 geen ondubbelzinnige erkenning van de verschuldigdheid van de rechten in België uitmaakt.
b) Verder verwijst eiseres naar de term "kwijtschelding", die voorkomt in de vierde alinea van de brief. Naar haar oordeel kan er van een kwijtschelding in de zin van art. 236.1 C.D.W. slechts sprake zijn, indien wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van de boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel indien dat bedrag ten onrechte werd geboekt.
Het feit dat voor deze kwijtschelding niet de geëigende documenten werden aangewend, verklaart eiseres door te stellen dat haar brief van 14 augustus 1997 een informeel verzoek aan de administratie der douane en accijnzen uitmaakt, dat, mits principiële instemming van de administratie, nadien op reglementaire wijze (met de geijkte formulieren) zouden worden ingediend.
c) In laatste instantie verwijst eiseres naar de vijfde alinea van de brief, waarin zij om uitstel van betaling verzocht teneinde de nodige kredieten te bekomen wanneer de beslissing uitvoerbaar was. Volgens eiseres gaat het hier om een voorwaardelijk uitstel van betaling dat bovendien werd gevraagd voor betwisting (de regel onder het C.D.W. is immers dat een geboekte vordering in beginsel dient te worden betaald, en vervolgens slechts kan worden betwist). Bovendien stelt zij dat zij verwees naar een uitvoerbare beslissing, waartegen nog betwisting mogelijk is, die duidelijk dient te worden onderscheiden van een definitieve beslissing, waartegen geen verhaal meer mogelijk is. Eiseres roept in dat verband in dat de administratie zelf de brief van 14 augustus 1997 niet als een erkenning heeft beschouwd, nu zij eiseres de mogelijkheid heeft verleend om de verschuldigdheid van de rechten te betwisten, hetgeen eiseres naar eigen zeggen ook daadwerkelijk heeft gedaan.
3. 3. a) Wat de vermeende tegenstrijdigheid tussen de tweede en derde alinea van de brief betreft, sluit de rechtbank zich aan bij verweerder wanneer hij stelt dat eiseres in de tweede alinea haar schuld erkent, terwijl zij in de derde alinea een aantal “verzachtende omstandigheden" (term gebruikt in de vierde alinea van de brief) opsomt om de kwijtschelding van de verschuldigde rechten of minstens de vrijstelling van boete en verwijlinteresten te verkrijgen.
Overigens heeft eiseres het door haar ingeroepen feitelijke vermoeden van invoer in Groot Brittannië en de betaling van de rechten aldaar (waardoor in België geen douanerechten en BTW verschuldigd zouden zijn) zelf ontkracht door de betaling in België van de BTW voor de zendingen nrs. 14 en 15, waarvoor geen bewijs van inklaring in het Verenigd Koninkrijk werd aangebracht.
Derhalve kan er van enige tegenstrijdigheid tussen de tweede en derde alinea van de brief geen sprake zijn.
b) Verder treedt de rechtbank ook verweerder bij dat het verzoek tot kwijtschelding niet kan gesteund zijn op art. 236.1 C.D.W., maar dat het gegrond is op een geheel van verzachtende omstandigheden, zonder de nodige materiële bewijzen die de onverschuldigdheid van de rechten kunnen dragen.
Zo geeft eiseres in de tweede alinea van de brief toe dat zij het bedrag van de gevorderde rechten verschuldigd was. Bovendien werd het verzoek tot kwijtschelding niet gedaan volgens het daartoe voorgeschreven model, bij de verkeerde instantie en zonder de nodige documenten Ten slotte wordt naast de kwijtschelding/terugbetaling van de rechten tevens vrijstelling van verwijlinteresten en boete en een uitstel van betaling gevraagd. Indien het verzoek tot kwijtschelding daadwerkelijk gegrond was op art. 236.1 C.D.W., dient men zich inderdaad af te vragen waarom naast de terugbetaling of kwijtschelding van de rechten, die enkel in dit artikel wordt beoogd, tevens vrijstelling van verwijlinteresten en boete, alsmede een uitstel van betaling wordt gevraagd.
Nu het verzoek tot kwijtschelding niet gesteund is op art. 236.1 C.D.W., houdt de gevraagde kwijtschelding noodzakelijk in dat hij, die erom verzoekt, per definitie schuldenaar is en dus schuld erkent.
c) Ten slotte treedt de rechtbank verweerder eveneens bij, wanneer hij stelt dat het uitstel van betaling niet voorwaardelijk was en dat eiseres niet de bedoeling had de “uitvoerbare” beslissing te betwisten.
De rechtbank treedt verweerder bij dat de zin in kwestie dient te worden gelezen in de context van de brief waarin eiseres haar schuld erkent (tweede alinea), maar zich beroepend op verzachtende omstandigheden (derde alinea) kwijtschelding van de verschuldigde rechten of minstens vrijstelling van boete en verwijlinteresten vraagt.
Derhalve moet de zinsnede "wanneer de beslissing als dusdanig uitvoerbaar is" worden gelezen als : "wanneer de administratie verkiest tot vervolging over te gaan", m.a.w. tot de creatie van een uitvoerbare titel overgaat.
Bovendien gaat de rechtbank met verweerder akkoord dat eiseres niet de bedoeling had de 'uitvoerbare' beslissing te betwisten. Zo vond de betaling pas plaats na 9 maart 1999 (en niet binnen de 10 dagen) en werd in de vijfde alinea van de brief van 14 augustus 1997 de term "ultieme'' vraag tot kwijtschelding of ten minste vrijstelling van boete en verwijlinteresten gebruikt. Deze term "ultieme" sluit inderdaad de mogelijkheid voor eiseres uit om de (nog te nemen) beslissing te betwisten.
Terecht stelt verweerder dat het feit dat de administratie eiseres een nieuw uitstel tot 9 maart 1999 toekende om verdere bewijzen te verzamelen niet wegneemt dat de brief van 14 augustus 1997 een schulderkenning vanwege eiseres inhoudt.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN;
DE RECHTBANK,
Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. zoals nadien gewijzigd.
Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak.
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig.
Voegt de zaken gekend onder A.R. nr. 99/6998/A en A.R. nr. 99/19150/A samen.
Verklaart de vordering van de NV NMBS onontvankelijk in zoverre zij werd ingeleid bij tegensprekelijk verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 10 december 1999.
Verklaart deze vordering ontvankelijk in zoverre zij werd ingeleid bij exploot van dagvaarding. betekend op 29 december 2000. doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt de NV NMBS tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op … euro (rechtsplegingsvergoeding), en ten aanzien van haarzelf op … euro (… euro rechtsplegingsvergoeding + … euro dagvaardingskosten).
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 26 april 2002.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
de heer V., alleenrechtsprekend rechter.
mevrouw V., griffier.
V. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.