---
title: "28 september 2001 · Vervolging, geding · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 28 september 2001."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brussel-2001-09-28-6fbf"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

28 september 2001

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

92 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 28.09.2001

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33****ste** **Kamer**

**A.R. 00/5517/A**

Fiscaal geschil

## Eindvonnis in eerste aanleg en op tegenspraak

## Verzending naar de Rechtbank van Koophandel te Brussel

Inzake van :

**De heer B. A.**, advocaat te …, …; in zijn hoedanigheid, van curator van het faillissement van de BVBA **C. EN P.**, met zetel te …, …, bij vonnis dd. 12.1.1999 van de Rechtbank van Koophandel te Brussel voor geopend verklaard:

**eiser,**

vertegenwoordigd door Mr. **M. V.**, advocaat, met kantoor te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door het Ministerie van Financiën, Administratie van de Inkomens- en Ondernemingsfiscaliteit, Sector van de BTW, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-kantoor Halle, met kantoor aan de Zr. Bernardastraat 32 te 1500 Halle,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **S. H.** loco **J. H.**, advocaat, met kantoor te …, ….

---

In deze zaak, in beraad genomen op 7 september 2001, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het exploot van dagvaarding van gerechtsdeurwaarder **H C.** te …, houdende verzet tegen dwangbevel, betekend op 4 mei 2000, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de beschikking "art. 747, § 2 Ger. W." van deze rechtbank van 2 februari 2001;

\- de besluiten en synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 29 november 2000 en op 31 mei 2001;

\- de besluiten van eiser q.q., neergelegd ter griffie op 23 april 2001.

Verweerder verklaart dat enkel rekening dient te worden gehouden met zijn synthesebesluiten.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 7 september 2001, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## ll. FEITEN EN RETROACTEN

De BVBA **C. & P.** dreef handel in en fabriceerde niet-metalen meubelen, schuttingen en afsluitingen en was als dusdanig BTW-plichtig en onderworpen aan het systeem van de driemaandelijkse indiening van BTW-aangiften.

Op 12 januari ·1999 werd deze vennootschap bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel failliet verklaard, en werd meester **A.**, huidig eiser q.q., als curator aangesteld.

Op 26 april 1999 werd overgegaan tot een controle met betrekking tot de toepassing van de BTW-reglementering. Deze resulteerde in een regularisatieopgave, waarin melding werd gemaakt van een BTW·schuld van … F. en een boete van … F., en die op 24 augustus 1999 aan meester **A.** q.q, werd overgemaakt, met het verzoek het origineel exemplaar binnen de 14 dagen voor akkoord ondertekend terug te sturen.

Op 5 november 1999 werd meester **A.** q.q. verzocht om binnen de 10 dagen de akkoordverklaring en de nodige bewijsstukken toe te zenden.

Op 18 november 1999 meldde meester **A.** q.q. dat hij de voormalige zaakvoerder van de BVBA **C. & P.** had gecontacteerd om de nodige documenten, gegevens en bewijsstukken te verzamelen, maar dat dit tot dan toe nog niet was gebeurd ingevolge een misverstand.

Op 1 februari 2000 werd meester **A.** q.q. nogmaals aangeschreven met het verzoek de stukken binnen de 10 dagen toe te sturen.

Op 14 februari 2000 schreef meester **A.** q.q. dat de voormalige zaakvoerder niet meer reageerde en dat hij hem zo nodig aansprakelijk zou stellen voor de berokkende schade.

De overtredingen vastgesteld in voormelde regularisatieopgave werden, met uitzondering van degene waarvoor ondertussen verjaring was ingetreden, overgenomen in een proces-verbaal van 30 maart 2000.

Op 4 april 2000 werd op grond van. dit proces-verbaal van 30 maart 2000 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 4 april 200 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de BTW Mechelen.

Uit dit dwangbevel blijkt dat de BVBA **C. & P.** aan de Belgische Staat een bedrag van … F. verschuldigd is als BTW, alsook een geldboete van … F. en op de verschuldigde BTW van rechtswege een interest van 0,80 % per maand.

Op 5 april 2000 werd dit dwangbevel aan meester **A.** q.q. bij aangetekende brief ter kennis gebracht.

Op 4 mei 2000 ging Meester **A.** q.q. over tot betekening van een exploot houdende verzet tegen dit dwangbevel.

## III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiser-q.q. vraagt zijn verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens :

*-* *in hoofdorde –* te zeggen voor recht dat het dwangbevel uitgevaardigd lastens de gefailleerde op 4 maart 2020 en op dezelfde datum geviseerd en uitvoerbaar verklaard nietig is, minstens dat de bij dit dwangbevel gevestigde aanslag nietig is;

*-* *in ondergeschikte orde –* te zeggen voor recht dat verweerder ten opzichte van het faillissement van de BVBA **C. & P.** een schuldvordering heeft van … F.

Verder vraagt eiser q.q. de zaak voor het overige naar de rechtbank van koophandel te Brussel te verwijzen wat betreft de opname van deze schuldvordering in het passief.

Ten slotte vraagt hij het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Verweerder vraagt het verzet van eiser q.q. ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, hem in zijn eis af te wijzen en hem te veroordelen tot de betaling van de verschuldigde rechten ten bedrage van … F. en de proportioneel verminderde geldboete van art. 70, §§ 1 en 1bis W.BTW ten bedrage van … F.

B. BEOORDELING

### 1) Wat de bevoegdheid van deze rechtbank betreft

Ter openbare zitting van 7 september 2001 wierp de voorzitter van de 33ster kamer van deze rechtbank de vraag naar de (territoriale) bevoegdheid van deze rechtbank op om van onderhavig geschil kennis te nemen.

Partijen verwijzen terecht naar (oud) art. 89, lid 3 W.BTW volgens hetwelk de vordering aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd (in casu het BTW-ontvangkantoor te Halle) ressorteert.

Dit art 89 W.BTW, werd door de Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen slechts gewijzigd voor wat betreft belastingen, boeten en interesten waarvoor de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan vanaf 1 januari 1999.

Dit is in casu niet het geval, nu de aanslag verband houdt met facturen van de jaren 1996, 1997 en 1998.

Derhalve dient onderhavige zaak volgens de oude procedure, zoals die gold voor de door voornoemde Wet van 15 maart 1999 aangebrachte wijzigingen, te worden afgehandeld, en dient er bijgevolg te worden vanuit gegaan dat deze rechtbank territoriaal bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen.

### 2) Wat de vordering van eiser q.q. in hoofdorde betreft

In hoofdorde stelt eiser q.q. dat het hem betekende eensluidend verklaard afschrift van het dwangbevel in origineel werd ondertekend en derhalve geen afschrift kan zijn van het origineel dwangbevel. Hetzelfde geldt voor het eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van 30 maart 2000. Derhalve kan eiser q.q. naar eigen zeggen, niet nagaan of het origineel van het dwangbevel en van het proces-verbaal van 30 maart 2000 eveneens door de bevoegde personen werd ondertekend, Hij stelt dat hij gerechtigd is een volkomen eensluidende kopie te ontvangen, om te kunnen nagaan of ook de originelen van bovenvermelde stukken werden ondertekend en voldoen aan de substantiële vormvereisten.

Naar zijn oordeel brengt het niet naleven van de vereiste dat het afschrift een volkomen eensluidende kopie is van het origineel de absolute nietigheid met zich mee, en is het aantonen van enige belangenschande conform art. 861 Ger. W. geenszins vereist.

Hoewel de administratie gewoonlijk het origineel dwangbevel en proces-verbaal op kantoor bewaart en slechts een eensluidend verklaarde kopie van beide documenten ter kennis van de belastingplichtige brengt, stelt de rechtbank vast dat in onderhavige zaak blijkbaar originele ondertekende exemplaren aan de belastingplichtige ter kennis werden gebracht en dat deze aan de hand van het bewaarde exemplaar voor eensluidende werden verklaard.

De rechtbank treedt verweerder bij, wanneer deze stelt dat de formule van eensluidend verklaring, aangebracht en ondertekend door de bevoegde rekenplichtige, een bijkomende waarborg biedt dat de exemplaren in het dossier eveneens voorzien zijn van de handtekeningen van de betrokken ambtenaren.

Nu het dwangbevel door de wet aan geen enkele sacramentele vorm op straffe van nietigheid werd onderworpen en eiser q.q. bovendien geen belangenschade kan aantonen aangezien uit zijn verzet blijkt dat hij wel degelijk kennis heeft genomen van het voorwerp en de oorzaak van de vordering, dient zijn exceptie van nietigheid te worden afgewezen.

Overigens betreft de door eiser q.q. ingeroepen rechtspraak (meer bepaald Rb. Mechelen, 21 mei 1985, F.J.T, nr. 86/225, p. 368 en Rb. Leuven, 9 november 1987, F.J.F., nr. 88/88, p. 157) blijkbaar gevallen waarin geen enkele handtekening van de bevoegde ambtenaar voorkwam op het afschrift, hetgeen een totaal andere hypothese uitmaakt dan deze van onderhavige zaak.

### 3) Wat de vordering van eiser q.q. in ondergeschikte orde betreft

**3.1.** Eiser q.q. stelt dat de inbreuk, die aan de gefailleerde vennootschap BVBA **C. & P.** wordt verweten, erin bestaat dat de attesten die vereist zijn met het oog op de toepassing van het verlaagde BTW-tarief van 6 % wegens werken aan onroerende goederen die uitsluitend of hoofdzakelijk als privé-woning worden gebruikt en die tenminste reeds 20 jaar in gebruik werden genomen, ontbreken. Eiser q.q. stelt dat de gefailleerde meerdere werken heeft uitgevoerd aan dezelfde 'woningen en voor deze werken meerdere facturen heeft opgemaakt. Daarbij nam de gefailleerde aan dat er niet telkenmale een attest diende te worden aangehecht.

Terecht verwijst verweerder evenwel naar het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling. van de goederen en diensten bij die tarieven; en in het bijzonder naar tabel A, artikel XXXI daarvan, waarin is bepaald dat het werk in onroerende staat aan het verlaagd tarief van 6 % is onderworpen, voor zover de daarin vermelde voorwaarden vervuld zijn. Eén van deze voorwaarden is dat de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding moeten maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen.

Met reden merkt verweerder op dat de in het proces-verbaal van 30 maart 2000 opgenomen facturen geen melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen, dat in de boekhouding evenmin attesten van afnemers waren en dat tot op de datum van zijn eerste besluiten deze attesten evenmin werden voorgelegd door eiser q.q.

Bijgevolg heeft verweerder terecht, bij gebrek aan voorlegging van de nodige bewijsstukken, vastgesteld dat de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6 % niet werden nageleefd, zodat het normaal tarief diende te worden toegepast.

**3.2.** In zijn besluiten stelt eiser q.q. dat hij na lang aandringen bij de zaakvoerder van de gefailleerde een aantal attesten heeft verkregen, en dat de afrekening zich als volgt voordoet :

\- BTW-schuld : … F.

\- boete (proportioneel herleid) : … F.

\- interest (houdt op te lopen ingevolge de faling) : … F.

\- BTW-tegoed : -…F.

Totaal : … F.

Eiser q.q. stelt dat dit bedrag maximaal kan worden opgenomen in het passief van het faillissement van de BVBA **C. & P.**. Nu het enkel de rechtbank van koophandel te Brussel is die bevoegd is om deze schuldvordering op te nemen in het passief, stelt eiser q.q. dat de zaak desgevallend naar deze rechtbank dient te worden verwezen.

……………… zijn synthesebesluiten aanvaardt verweerder, aan de band van de door eiser q.q. neergelegde stukken, meer bepaald een deel van de kwestieuze attesten, dat de oorspronkelijke vordering van de BTW dient te worden verminderd, en dat als BTW nog een bedrag van … F. verschuldigd blijft. Volgens verweerder blijft een bedrag van … F. (en niet … F. zoals opgegeven door eiser q.q.) als boete verschuldigd, en bedraagt het BTW-tegoed … F. en niet … F. zoals opgegeven door eiser q.q.)· Derhalve blijft volgens verweerder een bedrag van … F. op te nemen in het passief van het faillissement van de BVBA **C. & P.**.

De rechtbank treedt deze afrekening van verweerder bij.

### 4) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis betreft

Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het antwoord is om in te gaan op het verzoek van eiser q.q. om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.

### Beschikkend gedeelte

**0M DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig.

Verklaart het verzet van Meester **A.** q.q. tegen het dwangbevel ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Zegt voor recht dat de Belgische Staat ten opzichte van het faillissement van de BVBA **C. & P.** een schuldvordering heeft van … F.

Verwijst de zaak voor het overige naar de rechtbank van koophandel te Brussel wat betreft de opname van deze schuldvordering in het passief.

Legt de kosten ten laste van de massa.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33ste kamer** van de rechtbank: van eerste aanleg te Brussel, op datum van **28 september 2001**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V.**, alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw **V.**, adjunct-griffier.

**V.** **V.**
